Introductie en nieuws

Op deze website publiceer en herpubliceer ik mijn creatieve teksten, zoals columns, verhalen, artikelen en essays. Het archief van teksten wordt nog verder uitgebreid en uiteraard verschijnen er geregeld nieuwe teksten. Kijk voor meer informatie op deze pagina. De Woordenbrouwerij staat ook op Facebook.  Veel leesplezier!

Nieuws

Speciaal voor de Kinderboekenweek 2018, met als thema ‘vriendschap’, heb ik onderstaand verhaal geschreven. Artikelen van mij over kinderboeken zijn hier te vinden.

Gevonden voorwerpen

[Lees/print als pdf]

Ter gelegenheid van Kinderboekenweek 2018 – thema Vriendschap

Gevonden Voorwerpen

Illustratie: Pieter Brouwer

Myra

Myra had geen moeder. Die was gestorven in een verkeersongeval toen Myra een half jaar was. Myra kon zich haar natuurlijk niet meer herinneren, maar een foto van haar moeder hing op haar slaapkamer. Als ze boos was op papa, ging ze naar haar kamer en vertelde aan haar moeder waarom papa gemeen was. Haar moeder was het altijd met haar eens.

Volgens papa was het buiten nog te koud, maar Myra kon de lente al ruiken. Ze hoorde een motorvliegtuigje in de blauwe lucht. Zonder jas liep ze de trappen af, de flat uit en het plein op. De lage zon scheen heerlijk op haar gezicht. Het plein was leeg en stil. Er liepen geen mensen, want het was nog te vroeg en bovendien was het zondag, maar een grote groep duiven liep gezellig te kletsen en te eten. ‘De duivenmarkt’ noemde Myra dat altijd.

Myra liep voorzichtig naar de duiven.

‘Dag allemaal, goede morgen!’ Een paar duiven kwamen naar Myra toe en koerden.

‘Sorry, ik heb geen brood bij me. Maar daar verderop ligt nog wat.’

Myra bleef nog even praten en kijken naar de duiven, totdat er een scooter het plein op knalde en de duiven verschrikt in één grote wolk opstoven. Daarna kwamen er al snel meer voetgangers, en Myra liep verder naar een stillere straat. Daar kwam ze langs het museum.

Robots – onze vrienden van morgen

las ze op een spandoek boven de ingang. Het was de nieuwste tentoonstelling die vanwege het succes steeds weer werd verlengd. Papa zei bijna elke dag dat hij er nog heen wilde met Myra, maar ze dacht niet dat ze er ooit heen zouden gaan. Ze vroeg zich af wat ze zou doen als ze een robot vond. Zou ze die opnemen in haar verzameling van Gevonden Voorwerpen?

 

Gevonden Voorwerpen

Papa wilde altijd dat Myra na school ging afspreken met vriendjes en vriendinnetjes. Maar Myra vond het niet leuk om te spelen met andere kinderen. Die wilden altijd spelen met poppen, voetballen of op de Nintendo. Als Myra dan haar verzameling Gevonden Voorwerpen wilde laten zien, keken de kinderen haar vreemd aan. Sommige lachten haar uit en pestten er haar mee op school. De wat aardigere kinderen zeiden dat ze het stom of saai vonden en vroegen daarna of ze met de lego gingen spelen.

Myra’s verzameling Gevonden Voorwerpen lag op een tafel in de hoek van haar slaapkamer. Boven de verzameling hing de foto van haar moeder. De verzameling bestond uit dingen waarvan ze niet wist wat ze waren, zoals:

  • drie vreemde plaatjes van zacht, grijs metaal
  • een soort plankje met een plastic geel dingetje erop
  • een brokje van iets dat niet echt van hout was, maar ook niet van steen maar van iets daartussenin
  • een rafelig stuk touw met een ijzeren ring eraan
  • een pootje van een dier (maar van welk dier wist ze niet)

Elk voorwerp had een nummer. In een boekje, dat in een laatje van de tafel lag, noemde ze bij elk nummer:

  • hoe het Gevonden Voorwerp volgens haar heette, zoals ‘Alexander’ of ‘Emma’,
  • wat het volgens haar was, bijvoorbeeld een klepjes die op een helm van een maanwezen had gezeten, en de drie ogen van het maanwezen af konden schermen (als de zon op de maan scheen),
  • en als laatste: op welke dag het Voorwerp bij haar in bed mocht slapen.

Vooral dat laatste vonden andere kinderen maar raar. De kinderen zagen dan ook dat een paar Voorwerpen al naast het kussen in het bed van Myra lagen. Myra durfde dan niet te zeggen dat haar moeder vanuit haar foto bij elk voorwerp had gezegd op welke dag ze bij haar in bed mochten slapen, en dat de Voorwerpen Myra’s echte vriendjes en vriendinnetjes waren, en dat ze het zielig vond als ze voor altijd op de tafel zouden moeten liggen.

Al snel wilde Myra geen kinderen meer meenemen of bij kinderen gaan spelen. Ze wilde het liefst in haar eentje naar buiten om op zoek te gaan naar nog meer Voorwerpen die Gevonden wilde worden en bij haar mochten slapen.

 

Betsy

Op een dag vond ze Betsy. Betsy lag in een greppel aan de rand van de stad, bij een weilandje met één mager schaap. Betsy was een glazen bol van één meter hoog. Het was nog vroeg en niemand zag hoe Myra de bol uit de greppel omhoog duwde, en door de straten naar huis rolde. Betsy paste nog maar net in de lift. Gelukkig hoefde ze voor haar slaapkamer niet een trap op en paste Betsy door haar deur.

‘Dit is Betsy,’ zei Myra tegen haar moeder in de foto, ‘en ik denk dat ze een versteend slijmmonster is van onder de grond. Toen hier eeuwen geleden mensen kwamen wonen, ging ze in een soort winterslaap door zichzelf te verstenen. Nu wacht ze tot de mensen weer weg zijn. Maar ze zegt dat ze niet bang is voor mij, en dat ze graag als nummer 42 bij de Gevonden Voorwerpen wil.’

‘Dan mag ze op dinsdag bij jou in bed,’ zei haar moeder.

‘Maar ze past niet in mijn bed! En ze past trouwens ook niet op de tafel.’ Myra dacht even na.

‘Ze mag wel naast de tafel staan,’ besloot ze, en rolde Betsy naar haar plek.

Papa vroeg na een paar dagen wat dat voor grote bol op Myra’s kamer was, en of dat soms de nieuwste rage op school was. Myra zei dat ze haar zelf gevonden had. Daarna zei ze dat ze nooit meedeed met de rages op school. Voor haar geen spinners, spaarkaartjes, rainbow strings of ander hip speelgoed. Dat waren ook wel Voorwerpen, maar iedereen wist waar ze voor waren en iedereen wilde ze hebben, dus het waren Verwende en Verwaande Voorwerpen. Sam, een jongetje uit haar klas, had eens een Glitter Troll tussen haar Gevonden Voorwerpen gezet en gezegd dat ze beter Glitter Trolls kon sparen, want ‘daar had je in elk geval wat aan’. De Troll had de andere voorwerpen gepest en uitgescholden, en Betsy had haar Voorwerpen wel drie dagen moeten troosten, zo erg waren ze van het Verwaande Voorwerp geschrokken.

Elke dinsdag rolde Myra Betsy naar de rand van haar bed, en legde een deel van haar deken over Betsy heen. Zo ging het weken lang goed, tot de dag dat de robots kwamen.

 

De dag van de robots

De mensen hadden jarenlang de robots steeds slimmer gemaakt. En nu waren ze té slim. Een paar robots van de tentoonstelling ‘Robots – onze vrienden van morgen’ hadden ’s nachts stiekem een machine gebouwd waarmee ze nog veel meer robots konden maken, en waren toen losgebroken. Ze liepen en reden over de straten en drongen huizen binnen. Ze knepen alle mensen in de billen en jaagden hen zo de stad uit. Sommige mensen probeerden de robots kapot te maken, maar ze waren te stevig. Andere mensen probeerden met de robots te praten, maar ze gaven alleen gezoem als antwoord en trokken zich niks aan van de smeekbeden en argumenten.

En zo kwam het, dat op een dinsdag een robot de flat van Myra en papa binnenkwam. ‘Niet in mijn billen knijpen!’ riep papa. Myra werd wakker van het geschreeuw en ze sprong op uit bed. Ze wilde naar papa snellen, maar haar slaapkamerdeur ging al open en er verscheen een dunne, mensachtige robot. Net toen de robot een slangachtige arm met een knijphand naar Myra’s billen begon uit te schuiven, begon Betsy te bewegen…

Betsy rolde eerst naar voren, maar veranderde ook van vorm. Het leek wel of ze smolt. Ze was niet meer van glas, maar van doorzichtig slijm! De robot bleef even verbaasd staan en hield zijn arm in. Hoe slim de robot ook was, dit Voorwerp kende hij niet. Nog voor de robot kon bedenken wat hij moest doen, flitste een soort zwarte bliksem uit Betsy’s slijmerige buik. De robot werd vol geraakt en zag er opeens grijzig uit. Toen spatte hij in wel een miljoen stukjes uit elkaar.

Myra stond eerst even met open mond te kijken. Toen riep ze: ‘Betsy!’, maakte een vreugdesprong en omarmde haar slijmerige vriendin. Ze vond het niet erg dat ze zelf onder het plakkerige, doorzichtige slijm kwam. Betsy drilde vrolijk en begon roze te gloeien. Zo stonden ze een tijdje het ontwaken van Betsy te vieren, totdat Myra de geluiden van buiten hoorde: gillende mensen en zoemende robots! Papa! Waar was papa!

 

Een lege stad

Toen Myra met Betsy de gang van de flat oprende, zagen ze tot hun schrik dat er overal robots in de flat waren. Met moeite lukte het hen zich een weg te banen naar de uitgang van de flat. Betsy kon wel de zwarte bliksem gebruiken, maar steeds moest ze blijkbaar even opladen voor ze een nieuwe bliksem kon afschieten. Eén keer kneep een robotarm in Myra’s billen, maar gelukkig was Betsy’s bliksem net opgeladen en spatte ook deze robot uit elkaar.

Toen ze eindelijk buiten waren, merkten ze dat de straten en pleinen er verlaten bij lagen. In de verte zagen ze nog net de laatste robots die mensen voor zich uitdreven verdwijnen. Blijkbaar waren Myra en Betsy de enigen die de robots niet te pakken hadden gekregen. Ze probeerden nog de robots en mensen in te halen, maar dat lukte niet. Ze wisten niet door welke straten ze waren gegaan en hoorden nergens meer schreeuwen en robotgezoem.

Myra en Betsy zwierven door de lege stad en wisten niet waar ze heen moesten en wat ze moesten doen. Steeds meer duiven en andere vogels landden op de pleinen en straten, alsof het een zondagochtend was. Eigenlijk vond Myra het wel fijn dat het zo rustig was en er geen mensen waren. Nu had ze de hele stad voor haarzelf – voor haarzelf en voor de dieren en de voorwerpen. Maar ze miste papa wel. Ze zag voor zich hoe hij samen met de andere mensen als slaaf van de robots moest werken om machines in elkaar te zetten of voedsel voor de robots te brouwen. De robots kregen zo een vrij leven en konden dan naar het strand of de dierentuin gaan, zo vaak ze wilden.

Het was al middag toen Myra en haar vriendin langs het museum kwamen. Myra wist al wel dat de robots hiervandaan moesten zijn gekomen, maar nu pas kwam ze op het idee dat ze in het museum misschien wel aanwijzingen konden vinden voor wat de robots verder van plan waren, of waar ze heen gingen.

 

De knop

In het museum was het een enorme bende. Overal lagen smeerolieblikjes, stukjes metaal en schroeven. Paaltjes met zware touwen ertussen waren neergehaald, en glazen vitrinekasten waren kapot geslagen. Midden in de grootste zaal, stond een enorme machine te zoemen. Het was de machine die de robots had gebouwd. Op een groot scherm zag Myra een plattegrond van de stad. Op die plattegrond bewoog, helemaal aan de rand, een enorme groep stipjes door de lijnen die de straten moesten voorstellen. De mensen die door de robots werden voortgejaagd! Het enige andere stipje stond in het blokje dat de plek van het museum aangaf: dat moest Myra zijn! Betsy werd door deze radar niet weergegeven, omdat zij natuurlijk geen mens was. De robots hadden dit scherm vast gebruikt om een plan te maken hoe zij het beste alle mensen uit de stad konden verjagen.

Betsy was intussen naar een ander deel van de machine gelopen en stond daar groen te gloeien. Toen Myra naar haar toeliep, wees Betsy met een slijmerige tentakel die uit haar kwam naar een grote knop met een blauw lampje erin. Hoewel Betsy bliksems kon afschieten, had ze blijkbaar niet de kracht om knoppen in te drukken.

‘Moet ik deze indrukken?’ vroeg Myra haar. Betsy flitste oranje op – iets dat Myra intussen als een ‘ja’ herkende. Ze drukte de knop in en het lampje ging uit. ‘Waarom moest ik daar op drukken?’ vroeg Myra. Betsy glibberde terug naar het grote scherm en bleef daar staan. Samen tuurden ze een tijd naar het scherm, waar nu alleen Myra nog als stipje te zien was.

Maar opeens kwam er nog een stipje op de kaart! Het liep van rechts de plattegrond weer op. En niet veel later volgde er nog een stipje, en nog een. Al snel vulden de straten zich weer met stipjes. Waren het de mensen die weer terug kwamen? Maar hoe kon dat? Had het iets te maken met de knop? Er was maar één manier om daar achter te komen: naar buiten gaan en de stipjes voorzichtig tegemoet te lopen.

 

De terugkeer van de mensen

Buiten hoorden Myra en Betsy de mensen al aankomen. Want het waren inderdaad de mensen van de stad die terugkeerden. Ze schreeuwden niet meer van angst, maar leken te praten. Sommigen joelden en juichten. En toen zag Myra papa de hoek om komen.

‘Myra!’ riep papa, rende naar haar toe, tilde haar op en gaf haar een knuffel. ‘Was je nog hier? Hoe kan dat?’

Toen merkte papa Betsy op. ‘Is – is dat B-B-B…’ stamelde hij vol verbazing.

‘Ja, dat is Betsy,’ antwoordde Myra. ‘Ze is mijn beste vriendin.’ Papa begon te knikken. ‘Je vriendin… Ach, weet je, waarom ook niet?’

Weer thuis vertelde papa wat er was gebeurd. De robots hadden hem en alle andere mensen dus de stad uitgejaagd. Niemand wist waar ze heen werden gedreven. En toen, toen ze over de weilanden bij Nattebroek liepen, stopten de robots opeens met bewegen en zoemen. De mensen kwamen er al snel achter dat de robots echt niks meer deden. Maar de mensen waren toch nog bang voor ze. Niemand durfde iets met de robots te doen. Ze hadden ze laten staan en waren terug naar de stad gegaan.

‘Dus de knop werkte toch!’ Riep Myra blij.

‘Knop? Welke knop?’ vroeg papa.

‘De knop op de machine in het museum!’

Myra en haar vader gingen diezelfde dag nog naar het museum. Eindelijk waren ze er dan, al was de tentoonstelling er niet meer, en was het ook niet meer zo’n succes. Om de machine stonden medewerkers van het museum met vragende blikken te kijken. Anderen betastten de machine en probeerde uit te vinden hoe het werkte. Voor iemand op het idee kwam de knop weer aan te zetten, vertelde Myra en haar vader hoe de vork aan de steel zat. De dagen daarna haalde een speciaal politieteam, dat normaal bommen onschadelijk maakt, de machine uit elkaar.

 

De terugkeer van de robots

Het leven ging weer verder zoals het was vóór de robots er waren. Maar voor Myra waren er twee dingen veranderd. Ten eerste: papa leek haar opeens te begrijpen. Ze deden vaker leuke dingen samen, zoals samen zonder te praten langs de rivier wandelen en samen praten over de Gevonden Voorwerpen. Papa keek dan vaak naar de foto van haar moeder. De eerste paar keren kreeg hij dan steeds tranen in zijn ogen en zweeg dan lang, maar op een gegeven moment begon hij met haar te praten en zelfs te lachen.

Het tweede dat was veranderd was Betsy: zij was meteen toen ze weer thuis waren gekomen na de dag van de robots terug veranderd in een glazen bol. Nooit meer had ze gegloeid, gebliksemd of gedrild. Myra dacht dat het kwam omdat de mensen weer terug in de stad waren. Maar het gaf niet: Myra wist dat Betsy haar kon horen, kon zien en kon voelen. Elke dinsdag stond Betsy naast haar bed en legde Myra een hoek van haar deken over Betsy heen.

Aan de rand van de stad stonden de robots: stil en onbeweeglijk. Nog steeds durfde niemand ze er weg te halen of te slopen. Het leek of ze stonden te wachten op een volgende aanval. Maar op een dag kwam er een meisje naar ze toe. Ze liep naar de eerste robot die ze zag en sleepte hem mee, terug naar de stad.

*

In de kelder van Myra’s flat staan nu al twintig robots. Papa vindt het maar raar, net als de kinderen uit haar klas. Maar ja, zegt Myra, robots zijn ook maar Voorwerpen – en deze robots heb ik zelf Gevonden. Ze waren misschien niet aardig, maar ze kunnen nu niets meer, ook geen lol meer maken met hun robotvriendjes en -vriendinnetjes.

Soms neemt ze haar moeder mee naar de kelder. Moeder vertelt haar dan welke robot die dag mee mag naar haar kamer. Het is een heel gedoe om ze naar boven te krijgen, maar inmiddels zijn de flatbewoners eraan gewend naast een robot in de lift te staan.

*

Myra ligt in bed.

‘Welterusten allemaal. Jullie zijn allemaal mijn vrienden.’

Ze doet haar nachtlampje uit en valt tevreden in slaap.

Natuurdenken (2018-3)

Malariamuggenonderzoek

Foto: Pieter Brouwer – Onderzoek naar malariamuggen in Keniaans mangrovebos in 2013.

In mijn vorige leven was ik ongetwijfeld een Noord-Europeaan. Ik kan niet goed tegen de hitte van de zomer, zeker bij een zomer zoals we die nu hebben gehad. Geef mij maar Engeland of Scandinavië. Ik verbaas me over de hoeveelheid mensen die ik sprak voor wie het blijkbaar niet warm genoeg kon zijn en die in de zomervakantie vertrokken naar nóg warmere oorden, zoals Spanje – of Afrika. Ik wil nier verder zeuren, ieder zijn ding, maar het vormt wel een mooi bruggetje naar het volgende:

Wat heeft Afrikaans wild te maken met de nare gevolgen van de klimaatverandering in Europa? Direct niet zo veel, maar zet er een vliegtuig tussen en er kan een groot probleem ontstaan. En het toeristische vliegverkeer naar Afrika groeit enorm. En daar hoort natuurlijk een safari bij. Professor Jan Semenza van het ECDC (European Centre for Disease Prevention and Control) legt het allemaal uit in een artikel in de Vlaamse krant HNL.  ‘We zijn allemaal een beetje verrast over hoe snel deze gebeurtenissen plaatsvinden. We zien steeds meer extreme weersomstandigheden.’

Het zit zo. Afrikaans wild draagt ziektes bij zich als het westnijlvirus, het zikavirus, dengue, knokkelkoorts of het chikungunya-virus. De mug die net nog lekker op een giraf zat, ziet een horde Europeanen aanstormen, een heerlijk (voor haar exotisch) maal voor haar baby. De Europeanen vervoeren het virus naar Europa en worden ziek. Tot voor kort eindigde daar het verhaal, maar er zijn én meer besmette Europeanen door ons reisgedrag, én er is een klimaatverandering, die de ziektecyclus doet voortzetten. De tijgermug rukt op naar het noorden en neemt de rol over van haar zuidelijke neefjes en nichtjes: ze vervoert met andere woorden de ziektes van de al zieke Europeanen naar Europeanen die helemaal nooit
Afrika hebben aanschouwd.

Gelukkig zijn de epidemieën nog beperkt en zijn ze tot nog toe steeds in te dammen geweest, maar, waarschuwt Semenza, er komen steeds meer ziektes bij en die zijn niet allemaal even snel te herkennen en te genezen. Zo zorgen vakantievliegreisjes tot steeds meer CO2-uitstoot wat weer zorgt voor een beter klimaat voor ziektes in Europa die ironisch genoeg met datzelfde vliegtuig worden vervoerd.

Nee, geef mij toch maar weer de koelere zomers zonder droogte en hitte. En het verschijnsel van de ‘moessonering’ van ons klimaat (lange periodes van harde regenbuien na de droogteperiodes) is daarvoor vrees ik geen oplossing… Zal ik naar het noorden trekken? Nou ja, niet te ver dan, anders kom ik zwemmende ijsberen tegen. Sorry, ik word te negatief. Er zijn ook voordelen, en nu zonder ironie: sinds lang heb ik niet meer zoveel koninginnenpages gezien in Roermond als in deze zomer!

(Het Schrijvertje, 2018-3)

Moederliefde

[lees/print als pdf]

Straks komt Anne thuis van een driedaags schoolkamp. Moeder wil alles netjes hebben, het huis schoon, alles opgeruimd. Ze maakt zich zorgen. Ze hoopt zo hard dat haar kind ondanks alles heeft genoten van alle kampactiviteiten. Een laatste haal met de dweil, hard wringen en nu is de badkamer weer brandschoon. De grote zak met afval legt ze zo lang in het schuurtje. Buiten hoort ze gerommel. De warme lucht zet zich in beweging, de populieren beginnen te ruisen. Een donkere zwavelgele wolk verduistert de zon en er klinkt gerommel. Snel loopt moeder naar de droogmolen op het gras. Ze strijkt met haar hand langs de kleren. Droog genoeg. Ze haalt de was af, en neemt de tas met kleren mee naar binnen om te strijken.

Moeders smartphone wil aandacht. Ze leest.

Burgernetmelding: Pol. Roerm: omg Bredeweg. Ivm vermis. vrouw 14 jr, 160l, lichtbl haar, gele jurk, groene tas. Tips? Bel nu 0800-3443

Moeder huivert even, en begint dan de kleren te strijken. Op de lichtkoepel zijn nu zachte, onregelmatige tikken te horen. Eerst weinig, dan meer en dan zijn de druppels niet meer los te onderscheiden, en begeleiden als klein slagwerk de pauken van het onweer. Heeft Anne wel een regenjas mee? Moet ze een taxi bestellen? Ze weet niet hoe laat Anne aankomt. Moeder vouwt de kleren behendig op en legt ze op een stapel. Het is goed dat ze haar kind toch heeft overgehaald mee te gaan op kamp. Anne wilde eerst niet, maar moeder had een batterij geruststellingen klaarliggen. Er gingen toch leraren mee? Die hielden echt wel een oogje in het zeil. En anders was er nog Sanne, die is toch wel aardig? Moeder vond de redeneringen zelf niet erg sterk, maar wat moest ze anders? Tot haar eigen verbazing liet Anne zich uiteindelijk overreden. Anne ging. Maar nu twijfelt moeder weer. Straks komt haar kind. Huilend of lachend? Of totaal onpeilbaar. Dat laatste waarschijnlijk. Zou Anne überhaupt iets zeggen over het kamp?

De onweersbui begint al wat af te nemen, waardoor nu in de verte politiesirenes hoorbaar worden. Moeder is klaar met de kleren. Op het aanrecht ligt vlees op een plank, naast een netje sjalotten, een rode peper, een pan geschilde aardappelen en een al wat bruin uitgeslagen bloemkool. Anne wordt gepest op school. Het liefst zou moeder de verantwoordelijke jongens en meisjes allemaal te gronde richten, maar dat is natuurlijk onmogelijk. En Anne moet ongetwijfeld zichzelf beter verweren. Maar een puber dwing je niet, dat weet moeder heel goed. Eén keer is ze uitgevallen en kakelde gefrustreerd dat Anne zich moest verdedigen – als niet met woorden, dan maar fysiek. De dag erna kreeg ze een telefoontje dat haar kind gespijbeld had, en het pesten werd de dagen erna alleen maar heviger. En nu dus het schoolkamp. Moeder kijkt op de klok. Als haar Anne zo thuiskomt staat het eten klaar, is alles aan kant en heeft ze een verrassing klaar. Ze begint het vlees te snijden.

De bel gaat. Moeders hart maakt een sprongetje. Als een blij kind rent ze naar de deur. Anne staat voor de deur met een grote weekendtas. Hij is doorweekt van de regen en heeft geen regenjas. Haar verloren zoon is terug.

‘Kom binnen. Hoe was het?’ Moeder neemt de grote tas aan en loopt voor hem de kamer in.

Anne haalt zijn schouders op. ‘Ging wel.’

‘Kom snel binnen. Ik heb het eten bijna klaar.’ Ze loopt weer naar het aanrecht.

Anne gaat de kamer binnen en ploft op de bank. ‘Weet je mama, er is wel iets ergs gebeurd.’

Moeder schrikt. Zou Anne toch weer gepest zijn?

‘Fleur was niet mee op kamp.’

‘Die pestkop? Fijn toch?’

‘Ja maar haar ouders dachten dat ze wel op kamp was. Ze wordt vermist, mam.’

Anne kijkt om zich heen. ‘Tjee, het is hier wel heel schoon en netjes. Verwacht je soms bezoek?’

‘Voor jou lieverd.’

‘En van wie zijn die kleren?’ Anne kijkt naar het stapeltje naast hem. Bovenop ligt een netjes gestreken gele jurk.

‘Een verrassing voor jou. Kom maar dan vertel ik het je.’ Ze glimlacht tevreden en snijdt het grote stuk rauwe vlees.

De teen

[lees/print als pdf]

Hieronder volgt het verhaal ‘De teen’.

‘And the motto?’
‘Nemo me impune lacessit.’
‘Good!’ he said.

(The Cask of Amontillado – Edgar Allan Poe)

De hoofdpersoon van ons verhaal tuurt door het oculair van zijn Bresser Biolux naar de amoeben. Het gaat om een nieuwe soort: Acanthamoeba xenofagus. De vakpers had er vol van gestaan, maar ook de grote dagbladen en het tv-journaal ruimde er ruimte en tijd voor in, en onze hoofdpersoon – de ontdekker van de soort – mocht als tafelgast aanschuiven bij een populaire, links-elitaire avondshow. Daar omschreef hij de amoebe als een klein, stromend en langarmig diertje dat zich bovendien voedde met plastic (en water uitscheidde). Vóór de ontdekking was het diertje wellicht steeds aangezien voor een Acanthamoeba astronyxis, en onze hoofdpersoon had het zelf voor het eerst onderscheiden in de plastic soep van de Grote Oceaan.
Op 16 april 2018 vond hij het organisme ook in Nijmegen; in zoet water, op land en zelfs hoog in de lucht op aerosole plastics. Een onderzoeksbeurs, uitgegeven door Unilever, moest hem nu in staat stellen om samen met enkele aangewezen medewerkers uit te zoeken hoe de amoeben efficiënt en goedkoop ingezet konden worden om de massa’s overtollige macro-, micro- en nanoplastics op onze planeet op te ruimen.

We hebben nu de hoofdpersoon in de voorgaande introductie in een heldere maar bondige setting geplaatst, waarna nu tal van mogelijke ontwikkelingen kunnen gaan plaatsvinden. Daarbij zal blijken of het hier gaat om een ecologische thriller, een postmodern verhaal of – geheel onverwachts – een coming-of-ageroman. Hoe dan ook, de hoofdpersoon ziet op dit moment iets vreemds en trekt weer onze aandacht. Hij keert zijn blik van de microscoop, kijkt even door het raam naar buiten, wrijft in zijn ogen en gaat na of hij misschien oververmoeid is. Dan kijkt hij weer en schrikt dit keer heftig. De amoeben vormen inderdaad letters – romein, zonder schreef, Arial-achtig – en, wanneer hij uitzoomt, woorden en zinnen. Hij gaat met een plotselinge beweging staan, waarbij zijn stoel naar achteren schiet, achter een matrand blijft haken, kantelt en met een knal op de houten vloer belandt. Voor het eerst in zijn leven twijfelt ons hoofdpersoon aan zijn gezonde verstand. En nu we ook een eerste gebeurtenis hebben toegevoegd, wordt het tijd de hoofdpersoon een naam te geven.
Jacob, Jean en Johan zijn te neutraal en tegenwoordig ook te ouderwets. Sef, Jahino en Mohammed te nieuwerwets dan wel te geëngageerd. Lortar, Quihindala en Snork te fantastisch. Frederik Godlos te Max Havelaar. We gebruiken mijn eigen naam maar, Pieter, ook al zal het spoedig duidelijk worden dat het hier niet om een autobiografisch verhaal gaat. We rekenen ook maar meteen af met dat hautaine ‘we’. Ik zal dus vervolgen met ‘ik’ en hoop dat te kunnen vasthouden. Ik ben toch niet schizofreen – in elk geval niet meer dan jij. Ben je soms bang voor jezelf?
Na de ergste schrik kijk je nog eens door het oculair. Waarom ben je eigenlijk bang? Voor iets dat onmogelijk is of voor iets dat vreemd is? In het eerste geval ben je waanzinnig of is de wereld waanzinnig. Maar je gaat ervanuit dat de wereld stabieler is dan je hoofd. Ben je bang voor je eigen waanzinnigheid? Schaam je je ervoor of ben je bang dat je niet meer kunt functioneren als je waarheid en leugen niet meer van elkaar kunt onderscheiden? Ben je bang voor wat er allemaal kan gebeuren? Een totaal onbekende onberekenbare onbetrouwbare toekomst? Wie zegt dat het verleden niet even onscherp is? En wat is tijd nou helemaal? Misschien heb je het allemaal al eens beleefd. Het vreemde. Het onbekende. Het xenofobe. Het maakt niet uit. De amoeben hebben het nu voor het zeggen en het is jouw taak hun verhaal over te dragen.

Dit is het verhaal dat Pieter van de amoeben overschrijft. Letter voor letter, waarbij we uitgaan van een bijna onmogelijke alwetendheid en intelligentie van deze kleine dieren, haast als die van een schrijver. Pieters angst had in eerste instantie de vorm van een droom. Een nachtmerrie. Een slaapverlamming. Hij lag wakker en verlamd in bed en keek naar de oude eikenhouten kast. Het was de inbouwkast die op slot was en waarvan de sleutel kwijt was. Achter het groene behang zou nog de deur van die kast moeten zijn. Pieter weet best dat er iets vervelends in die kast zit, dat heeft iemand hem eens verteld. De vorige bewoners hadden verteld dat het wellicht te maken had met een verdwenen meisje dat door een buurman het huis was ingelokt. Niemand wist meer waar dat meisje was, de vorige bewoners ook niet – al hadden ze een vermoeden, maar ze durfden de kast niet te openen. Ze hadden het ding weleens verplaatst om een schilderij op te kunnen hangen aan de broze muur, maar hadden geveinsd dat er ook best kleren in konden zitten. Bovendien stonk het niet. En nu staart Pieter er vol onrust naar. Wanneer de nacht zich verdiept, staat het meisje naast Pieters bed. Ze staart terug naar zijn slapende lichaam. Elke nacht weer.
Dan, op 10 augustus, wordt Pieter wakker door een misselijkmakende, magnetische kracht die zijn hoofd doet oprichten en hem laat kijken in dat afschrikwekkende gezicht van te open ogen, te open mond, te rotte tanden, te dradige haren en te oude nagels op twee centimeter afstand van zijn gezicht. Er komt geluid uit en stank en haat en het lijkt of Pieter uit bed valt en wentelt en blijft vallen en wentelen naar iets dat een christen de Hel zou noemen, maar wat Pieter misschien eerder zou beschrijven als een oneindig zich verdichtende en uitstrekkende punt die hem eeuwig zal doen naderen en verschrompelen, naderen en uitrekken naar een onbereikbaar heerlijk doel, een eeuwig gekmakend opdraaien van het volume en verlichten van het licht, het kwijtraken van enige houvast en het oneindig uitdijen van zijn angst en waanzin als een fobische katalysator. Kortom, Pieter heeft weer last van een nachtangst, waaruit hij zwetend en hartkloppend ontwaakt met de moeite van het voortduwen van een enorme rots. Voor zijn gevoel schreeuwt hij en stuipt hij als een actieve epilepticus, maar het is stil, en hij ligt bewegingsloos terwijl een zacht kreunend ‘ah’ aan zijn lippen ontsnapt.
Pieter kijkt de slaapkamer rond. De wandklok tikt. Zijn kleine bed slaapt nog. De wanden zijn sereen wit. Zijn Ikeakasten staan op een rij – er is geen houten kast, zelfs geen muurkast, alleen pleisterwerk met daarachter een moderne binnenmuur, waarachter op dit moment luidruchtig burengesnurk te horen is. Even flikkert een herinnering aan een andere droom op in zijn hoofd – hij ziet iets ontstellends door een microscoop. Maar het volgende moment twijfelt hij en dan is de gedachte voorgoed uitgedoofd. Er stroomt nog steeds adrenaline door zijn lichaam, waardoor hij sneller dan normaal is gewassen en aangekleed. Met een kop goedkope koffie overpeinst hij zijn leven als vrijgezel.

Dan volgt nu een intermezzo.

Een agent neemt de telefoon op en hoort wanhopig, haast schreeuwend gepraat. Het is een melding. Ze handelt de melding professioneel af en is benieuwd naar de uitkomst. Een uur later komt de uitkomst binnen in de vorm van een tweede agent die een vreemd verhaal vertelt. Van alle verwachtingen waarmee ze rekening had gehouden, was dit er niet een. Het is vreemd en unheimisch. Maar uiteindelijk blijft de politie niets anders over dan de zaak te sluiten en het voorval te vergeten.

En nu gaan we weer verder.

Pieter is pretentieus en ijdel. Bovendien is hij lui, laf, schijnheilig, inconsequent, amicaal, hoogmoedig en bij tijd en wijle lomp. Kortom, een onaangenaam mens. Op de wereld leven te veel mensen en Pieter is er zo een. Toch kan hij er niet veel aan doen. Had de maatschappij hem soms niet zo gemaakt, met zijn hoge doelen, individualisering, nadruk op originaliteit, sociale druk, overinformatisering en -stimulering, globalisering, popularisering en haat? Nee, daar lag het niet aan. Maar hij was wie hij was, zelfbewust en dierlijk tegelijk. We zijn niet minder dan de sterren, maar de sterren stellen niks voor. Pieter is Pieter. Geen antiheld, maar een gewoon gemiddeld mens. Hij heeft een baan die lastig aan anderen te beschrijven is en grotendeels onnuttig lijkt en die hij ook betreurt maar hem wel voorziet van een redelijk luxueus vrijgezellenbestaan. Waarschijnlijk is Pieter heteroseksueel, al vindt hij slanke, Aziatische mannen ook best aantrekkelijk. Pieter heeft in elk geval geen baard, maar van zijn kleren weten we niet veel (en bovendien wisselen die vaak en waarom zou dat belangrijk zijn voor dit verhaal?). Pieter houdt van de zon, maar ook van harde regen, waarbij hij spottend alle rennende en halfzachte voorbijgangers nakijkt, alhoewel de meeste in een auto zitten. Hij heeft een hekel aan auto’s en honden. Ze stinken, vervuilen, zijn potentieel gevaarlijk en getuigen van een slechte smaak.

Mieke ziet dat er gebeld is. Ze wil al bijna terugbellen, maar ziet dat er ook een voicemail is ingesproken. Ze luistert. De stem is wanhopig, haast schreeuwend. Geschrokken luistert ze tot het bericht is afgelopen, rent de gang op, plukt haar jas van de kapstok en racet weg met de fiets. Als ze bij Pieter aanbelt, wordt er niet opengedaan. Ze haalt een sleutel uit haar zak en opent het appartement. Er is niemand thuis.

Als Pieter thuiskomt en zijn slaapkamer inloopt, ziet hij dat een van de plinten heeft losgelaten. Hij geeft er een welgemikte schop tegen, maar de strook hout wordt door iets tegengehouden, veert wat terug en is nu nog losser geraakt. Pieter bukt zich en trekt de plint los. De obstructie blijkt een flink dode teen te zijn die uit de muur steekt. Pieter heeft wel vaker gefantaseerd hoe het is om een lijk te vinden – in een greppel, container of vuilniszak – en in hoeverre hij dan door angst zou worden overweldigd. De praktijk is dat hij twee seconden verbaasd is, dan hevig schrikt en ten slotte automatisch en pragmatisch handelt door de politie te bellen. Wanneer de politie opneemt, raakt Pieter alsnog in paniek, maar hij krijgt de verzekering dat ze direct zullen komen.
Pieter probeert de tijd te verdrijven met een cryptogram, maar de omschrijvingen dringen niet goed tot hem door. Dan bedenkt hij dat de politie koffie moet en koekjes en dat hij moet opruimen. Er is eigenlijk te weinig rommel om op te ruimen, maar hij zet wel het raam open voor frisse lucht. Hij zet een koekblik in het centrum van het lage tafeltje, kijkt er ontevreden naar en verschuift het blik naar een guldensnedepositie. Dan zet hij er mokken omheen (drie: één rechercheur, één hulpagent en één zo’n man of vrouw in een wit pak die veel van lijken weet – of nee: één die het lijk opruimt en één thanatopracticus of hoe heet ook alweer zo’n persoon die alles weet over ontbinding en rigor mortis, dus vier) en haalt een extra mok. Hij zet koffie.
Wanneer zijn ze er eigenlijk? Pieter tuurt uit het raam. Misschien duurt het nog wel even.
Pieter pakt de cryptogrammen, en het lukt hem één woord in te vullen: ananas.
Pieter staat op en tuurt naar buiten.
Pieter gaat weer zitten. Wat als de koffie te oud wordt? Misschien duurt het een stuk langer – het slachtoffer is immers al dood? Maar ze hebben gezegd dat ze direct zouden komen. Moet hij bellen? Dan komt dat misschien ongeduldig over. De politie heeft het vast heel druk en doet z’n best om snel hier te zijn. Dan gaat de telefoon. Pieter neemt op. ‘Met Pieter.’ ‘Spreek ik met Pieter Brouwers op Stieltjesweg 28 in Nijmegen?’ ‘Daar spreekt u mee.’ ‘Dan moet u mij eens uitleggen waar u bent en waar die vermeende teen is.’ Pieter staart ongelovig naar de teen. ‘Hoe bedoelt u? Ik ben gewoon thuis. Bent u niet op het verkeerde adres?’ ‘Is er een andere Stieltjesweg 28 in Nijmegen?’ Pieter heeft niet het idee dat de agent hem serieus neemt. ‘Denkt u dat ik een grap maak?’ zegt Pieter, nu ook geïrriteerd. ‘Ik vind het in elk geval niet grappig,’ zegt de agent, ‘maar met deze melding kunnen we niks, dat zult u toch begrijpen.’ Pieter is woest, maar zijn Broca is tijdelijk uitgeschakeld. ‘Maar. Ik. Hoe.’ ‘Meneer, ik sluit dit gesprek af. Als u zich in uw eigen adres hebt vergist, komt u maar in eigen persoon naar het bureau. Een teen loopt niet weg. Nou ja, een dode teen in elk geval niet.’
In Pieters gedachte was het lijk al opgeruimd en afgevoerd, maar nu was het weer terug en lachte hem uit in de vorm van een nawijzende teen.

In het kleinste café van Nijmegen zitten Pieter en Petra met hun rechtervingers om de steel van hun eigen glas, gevuld met het nieuwste speciaalbier. Pieter geniet van de rust, van het samenzijn, van de ambiance, van het bier en van de samenballing van dit alles in hun geklets over de verschillende culinaire mogelijkheden van de ananas, met zijn schurftige buitenkant en vezelige binnenkant vol etterend sap en de harde cilindervormige vezelconcentratie in de kern.
Petra’s blik geeft aan dat haar iets te binnen schiet. ‘Iets heel anders, ik wilde je nog vragen hoe het nu is afgelopen met die teen.’ ‘Teen?’ Met zijn tenen is nooit iets aan de hand geweest, behalve de aanwezigheid van wat voetschimmel af en toe. ‘Ja, je begon vorige week over iets dat je vroeger was overkomen: dat er een dode teen uit je muur stak en dat je de politie belde, maar dat ze niet kwamen. Je wilde nog verder vertellen, maar er kwam iets tussen – ik weet niet meer…’ ‘Dóde teen? Ik denk dat je in de war bent met iemand anders. Ik ken dat verhaal niet. Ik vind het wel iets voor Ino om zoiets mee te maken.’ ‘Nee, nee, jíj had het verteld – hoe kun je dat nou zijn vergeten?’ ‘Ik was het niet.’ ‘Nou, kom op.’ ‘Nee echt niet.’ Petra wordt boos. ‘Ik weet niet waarom je het opeens niet meer wilt vertellen. Het zal dus wel niet echt gebeurd zijn.’ Pieter zwijgt. ‘En stak die teen uit de muur?’ vraagt hij dan. Maar Petra negeert de vraag en neemt een slok van haar bier. ‘Heb je wel eens ananassoep met rode peper en mango geprobeerd?’

Luister! Luister! Er klinkt gefluister in het disteldonkerduister (artisjok). Het klinkt in alle spleten alle voegen alle regels door. Fluister! Fluister! Er linkt gekluister en gekerm ergens in het huis (druiven).
Het klinkt infantiel en pretentieus, zo’n Grieks dramatisch koor. En met een geïrriteerd en vreemd gevoel kijkt Pieter op naar zijn moderne, gepleisterde muur, naar de Ikeakasten en naar de plint. Natuurlijk is er niets te zien. Hij pulkt aan een plint, maar die zit stevig vast. Hij haalt een mes en wrikt de plint los. Achter de plint is een minder mooi afgewerkte laag pleisterkalk. Er steekt niks uit (perzik). Ook de volgende plint trekt hij los en ook daarachter ziet hij niks. Het is geen droom, geen verhaal. Wel ziet hij daar een haar in het pleisterwerk die eraan moet zijn blijven hangen tijdens het stuccen. Hij trekt de zwarte haar los maar er komt een brokje wit mee, waardoor er een gat ontstaat en een teen zichtbaar wordt. Pieter richt zich wild op en zet een stap naar achteren, waarbij hij hard en pijnlijk zijn enkel tegen de bedrand stoot (mispel). Hij voelt een duizeling en stapt struikelend naar de telefoon. In paniek belt hij Mieke, maar ze neemt niet op. Met onvaste stem spreekt hij de voicemail in. Een half uur verstrijkt. Pieters paniek is afgenomen nu hij Miekes voicemail heeft ingesproken. Ze zal terugbellen of hierheen komen en dan zullen ze naar de politie gaan. Met een voyeuristische perversiteit betast Pieter het muurvlak boven de teen. Ongeveer op ooghoogte ziet hij een witgekalkte haar. Hij pulkt eraan en de haar laat aan één kant los waardoor ze haar zwarte kleur blootgeeft. Pieter trekt en meer kalk laat los en valt als gruis op de grond. De haar is lang en leidt naar binnen, zit vast. Pieter laat de haar los. Hij gaat op de bedrand zitten en wacht. Luister! Luister! (Ze roept één keer, dan nog eens, en is dan vergaan, maar een vrucht is opgestaan – 6 letters)

Pieter schrikt wakker. Het is nacht. Hij ligt met zijn kleren aan op bed. Wat doet hij daar? Waarom ligt hij niet in zijn pyjama onder het dekbed? Hij herinnert zich vaag de droom waarin hij belde, in paniek was en op iemand wachtte. De lucht is beklemmend. Langzaam komen de herinneringen aan gisteren terug. De microscoop. De amoeben. De letters. Was dat laatste echt?
Pieter komt niet meer in slaap, trekt zijn ochtendjas aan, schuift zijn voeten in zijn teenslippers en loopt de trap af naar zijn werkkamer. De Bresser Biolux staat betekenisloos op het bureau en baadt in het maanlicht dat schuin door de ramen valt. Pieter knipt het licht aan en nadert het apparaat. De stapel papieren ernaast zijn niet beschreven met een verhaal. Hij knipt nu ook het licht van de microscoop aan, neemt plaats op de bureaustoel, druppelt vocht met amoeben op een objectglaasje, legt er een dekglaasje op en schuift dit onder het oculair. De amoeben slijmen vormloos rond. Pieter zucht diep en voelt de angst wegebben, al blijft een weeë hoofdpijn aanwezig. Hij gaat op de bank liggen, dekt zichzelf af met een fleecedeken en valt in slaap.
De deurbel gaat. Pieter wordt wakker en ziet een grote teen onder het fleecedeken vandaan steken. Een blik op de klok verontrust hem. Hij heeft zich verslapen. Voor de deur staan twee agenten. Verbaasd en nog slaapdronken staart Pieter naar de rijzige man en vrouw. ‘U hebt gebeld. De teen.’ De droom is weer terug in zijn herinnering – helemaal dit keer. Pieter trekt wit weg, mompelt wat, keert zich om en rent naar boven. Tegelijkertijd ziet hij dat er geen microscoop is en geen werkkamer. Boven is een kleine slaapkamer en onderaan de muur wijst een schilferige teen naar buiten. Pieter loopt naar de muur en bonst ertegenaan. ‘Er is geen teen! Er is geen teen! Ik heb niet gebeld!’ Een van de agenten grijpt hem en houdt hem in een houdgreep. Pieter stopt met wringen en worstelen wanneer hij een jonge vrouw in de deuropening ziet. Het is Petra. ‘Ik ben er,’ zegt ze. Pieter rukt zich los, klauwt met zijn nagels in de muur; witte kruimels laten los en zwart haar komt tevoorschijn. Het licht knippert stroboscopisch. En dan is alles duister.
En alles stil.
De nacht is verlucht met het trage licht van straatlantaarns. Pieters geklauwde vingers rusten bewegingsloos tegen de open muur. Hij is alleen. Een laatste brokje gruis valt onder zijn handen uit elkaar en komt rizzelend op zijn blote tenen terecht. Het hoofd met de zwarte haren vóór hem is van hem afgewend. Een ondraaglijke stank hangt in zijn neus. Pieters handen ontspannen zich, komen rustig in beweging en strelen dan de haren. ‘Dag Mieke,’ zegt hij, ‘ik ben er weer. Ik miste je te veel, ik werd er gek van, ik heb spijt. Kun je me vergeven?’

Mieke gaat op de rand van het bed zitten. Waar is Pieter? De deur van de inbouwkast gaat langzaam open en daar komt Pieter tevoorschijn, bijna als een illegale vrijer. Maar zijn blik is niet die van de betrapte vrijer (er is ook geen object voor een vrijage) maar eerder die van een waanzinnige met wijd opengesperde ogen en krachtig opeengeklemde kaken. Zijn rechterhand omklemt een scalpel. Voordat de situatie bij Mieke doordringt, heeft Pieter haar de kast ingeduwd met het mes op haar keel. Hij tapet haar vast en pakt dan de emmer met pleisterkalk.
Als Pieter klaar is, ziet hij dat haar teen nog uitsteekt. Daar vindt hij nog wel een oplossing voor. Hij eet zijn lunch en belt dan Petra op. ‘Mieke en ik zijn uit elkaar. Kan ik even naar je toe?’

‘De noodzaak tot een teenamputatie vloeit voort uit diverse oorzaken.’

(www.pendersvoetzorg.nl)

De letterzetter stelt zich voor: schrijven en denken

Camus

Afbeelding: ‘Camus’ door Eduardo Pola – CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=2395630

Schrijven als manier van denken en ontwikkelen

Het schrijven van essays, persoonlijke artikelen, serieuzere columns en verhalen en gedichten is voor mij een manier om na te denken, te filosoferen. Waar lezen voor mij een manier is om (filosofische) ideeën, sferen en vormen op te doen, en zo mezelf te verrijken, te ontwikkelen, daar is schrijven voor mij een manier al deze dingen te ordenen en om te zetten in een persoonlijk geheel dat klopt met mijn eigen leven. Het lijkt, en is in zekere zin ook, een egocentrische manier van schrijven, maar écht creatief schrijven is dat per definitie altijd. Het hoeft niet te betekenen dat de lezer uit het oog wordt verloren. Ik hoop zelf dat de lezer zich net als ik wanneer ik lees, mijn teksten ervaart als weer een extra bron van ideeën en invalshoeken, die zij kan gebruiken om zichzelf verder te ontwikkelen. Dat staat natuurlijk niet gelijk aan het eens zijn met mijn meningen. De ervaring van het ergens niet mee eens zijn – en proberen dit zelf te onderbouwen met argumenten – of het nuanceren van andere meningen, lijkt mij misschien wel de belangrijkste activiteit voor zelfontplooiing.

Zelfontplooiing en vrijdenken

Een eigen (mentale) identiteit bestaat mijns inziens niet: iedereen is opgebouwd uit opgedane ervaringen en kennis en de mate waarin zij deze kan analyseren en verbanden kan leggen. Veel psychologen en filosofen (zoals de onlangs overleden Derek Parfit) benadrukken dit niet-bestaan van een vaste mentale persoonsidentiteit. Desondanks is er wel sprake van een persoonlijke ontwikkeling in de tijd; en hoe meer kennis en ervaring, hoe genuanceerder en rijker de persoonlijke ontwikkeling zal zijn. Zelfontplooiing lijkt een verkeerde term – het gaat uit van een beweging naar een eindstadium, het vinden van je ware zelf. Ik geloof wél in determinisme: alles ligt van tevoren al vast, niet door een goddelijke hand, maar door een simpele aaneenschakeling van oorzaak en gevolg. Zo bekeken kan zelfontplooiing gezien worden als een natuurlijk verloop naar een einde toe. Net als in de zo vaak verkeerd begrepen biologische evolutie is er geen sprake van een ‘opwaartse’ beweging naar een hoogste waarde of bestaansvorm – wat het woord ‘ontplooiing’, uitvouwen, wel in zich heeft – maar een zich steeds veranderende identiteit; een identiteit die zowel ideeën opneemt en complexer en genuanceerder maakt, als ideeën verandert, samenvoegt of afstoot. Ik ben morgen niet dezelfde persoon als die ik gisteren was – niet beter of slechter, maar simpelweg anders. Ik heb er daarom geen problemen mee als een persoon zijn overtuigingen door de tijd heen aanpast. In de politiek wordt dit vaak als zwakte gezien – het is natuurlijk ook niet wenselijk voor de nodige mate van stabiliteit – maar twijfel en verandering van mening zijn niet alleen menselijk, ze zijn in zekere zin ook een maatstaf van de durf jezelf vrij te blijven ontwikkelen. Durven eigen ideeën te ontwikkelen op basis van je ervaringen en kennis die niet worden beperkt door enige vorm van wenselijkheid of correctheid binnen een sociale context, noem ik ‘vrijdenken’. Ik zie mijzelf allerminst – helaas – als iemand die ongevoelig is voor sociale druk en wenselijkheid, zeker naar buiten toe, maar ik streef in elk geval naar zoveel mogelijk vrijdenken. Lezen en schrijven helpen mij in dit streven, en ik hoop dat ik anderen ook met mijn teksten aanzet tot vrijdenken, dat de lezer kritisch leest en mijn verhalen afzet tegen de eigen kennis en ervaring.

Filosofische overtuigingen

Hiervoor heb ik gezegd dat een mentale identiteit mijns inziens niet bestaat, waardoor ik hier niet kan zeggen wat ‘mijn filosofische overtuigingen’ zijn. Maar wel kan ik zeggen welke filosofieën mij het meest hebben beïnvloed en me hebben gemaakt tot de persoon die ik ben op het moment dat ik dit schrijf. Hiervóór heb ik al het determinisme genoemd. Dit sluit in zekere zin aan bij een andere overtuiging van mij: ik zie mezelf als absurdist. Het absurdisme (van Camus) onderkent twee dingen: ten eerste is er geen hoger doel of ‘zin’ in het leven. Het absurdisme ziet een zelf te maken zingeving à la existentialisten zoals Sartre als filosofisch sprong (‘filosofische zelfmoord’ noemt Camus het), een escapistische vlucht uit een paradoxaal lijkende toestand. Daarnaast onderkent het absurdisme óók dat je er nu eenmaal bent en handelt, leeft, en dat dit, of je het wilt of niet, voornamelijk wordt geleid door met name biologische driften. De spanning die er bestaat tussen het erkennen van een zinloos bestaan en het bestaan zelf tot aan de enige zekerheid (de dood) is het absurde. Een absurdist kiest ervoor deze spanning in stand te houden: te leven omdat het leven er nu eenmaal is, en tegelijk te erkennen dat dit zonder zin of doel is. Het uiterlijke leven zal voor een absurdist weinig verschillen van dat van een niet-absurdist, maar zal bijvoorbeeld minder snel leiden tot fanatisme of grootheidswaan. Camus noemde de personages in de verhalen van Kafka (in feite Kafka zelf) als exemplarisch voor wat een absurdist is. Ook het door mij aangehangen ‘cosmicisme’ (van H.P. Lovecraft) past in dit kader: het gaat hierbij om het erkennen dat de mensheid niet alleen nietig en onbetekenend is in het heelal, maar dat het onterecht zichzelf als centrum ziet (antropocentrisme) en denkt alle kennis en wijsheid in pacht te hebben. ‘Beschaving’ en technologische vooruitgang hebben de wereld niet beter gemaakt, maar slechts ‘anders’, net zoals zelfontplooiing ons misschien intern gezien kloppender maakt, maar niet ‘beter’ in de normerende zin van het woord.

Filosofische bijdragen

Ik werk mijn eigen filosofische ideeën uit (en heb ze uitgewerkt) in essays, die ik echter (nog) niet heb gepubliceerd, omdat ze erg persoonlijk zijn. Wellicht dat ik ze op een later moment nog wel openbaar maak. In zekere mate verwerk ik mijn ideeën wel in andere stukken (zoals Natuurdenken, recensies, analyses, verhalen en andere creatieve teksten). De meeste van deze teksten worden en zijn verzameld op mijn website De Woordenbrouwerij.

(Tekstbureau de Letterzetter, 2016)

De letterzetter stelt zich voor: lezen

hieronymus

Afbeelding: Sint Hieronymus , School van Joos van Cleve (Public Domain)

Studie

Hoewel ik afgestudeerd taalkundige ben, heb ik tijdens de eerste jaren van mijn studie Nederlands ook veel letterkundevakken moeten volgen. Ik kwam er toen achter dat ik over het algemeen niet zo houd van (latere 20e-eeuwse) Nederlandse literatuur. Voor mijn gevoel ontbreekt het deze literatuur aan een goede dosis fantasie en gevoel en lijkt seks een verplicht nummer te zijn, dat bijna nooit iets toevoegt aan de betekenis of de sfeer van het verhaal. Engelse en Amerikaanse literatuur spreekt mij vaak meer aan, hoewel ook in Nederland een generatie schrijvers is opgestaan die mij meer aanspreekt. Verder ging ik zelf veel meer lezen, en kon ik ook meer met wat ik las. Wat dat betreft waren de letterkundige vakken voor mijn persoonlijke en letterkundige ontwikkeling zeker nuttig.

Leesclubs

Na haar studie richtte mijn vriendin samen met vrienden en kennissen de van oorsprong Nijmeegse leesclub The Stone Gods op, waarvan ik direct lid werd. We lazen boeken van alle tijden, landen en genres, en bespraken deze in een gezellige sfeer. Een van de voordelen van deze leesclub was, dat ik boeken las die ik anders niet uit mezelf had gekozen. Soms waren dit grote verrassingen, wat ertoe leidde dat ik steeds meer openstond voor verschillende soorten boeken. Daarbij leerde ik meer over de letterkundige praktijk en zorgde het lezen van al die boeken voor een grotere persoonlijke ontwikkeling; de mij aansprekende boeken bevatten immers vaak voor mij interessante ideeën en visies, wat ervoor zorgt dat ik meer nadenk over deze zaken en mezelf daarmee ontwikkel.

Mijn vriendin is een jaar geleden gepromoveerd op leerprocessen en lees- en deelnamemotieven rond leesclubs. Ik heb haar onderzoek van dichtbij gevolgd en mocht soms helpen. Hierdoor werd mijn letterkundige interesse nog sterker, zeker ook het aspect van de lezer zelf. De hiervoor genoemde leesclub bestaat nog steeds, maar ikzelf ben om praktische redenen uit de club gestapt. In 2014 heb ik mijn eigen Roermondse leesclub opgericht. Wij beperken ons tot wereldklassiekers en wel om twee redenen. Ten eerste is de kans groot dat een klassieker interessant genoeg is om te bespreken. Ten tweede hebben klassiekers veel invloed gehad op latere literatuur en soms allerlei andere culturele en maatschappelijke ontwikkelingen; het intertekstuele geheel van de literatuur is door het lezen van klassiekers steeds beter te begrijpen (en te genieten).

Persoonlijke zoektocht

Voor mij is lezen veel meer dan alleen ontspanning. De betekenis van het lezen van wereldklassiekers kwam hiervoor al aan de orde. Naast de leesclubboeken lees ik echter ook heel andere boeken. Daarbij is het voor mij van belang boeken te vinden die passen bij mijn eigen denkontwikkeling en mijn ontwikkeling van wat ikzelf ‘sfeer’ noem. Sfeer is misschien het beste te beschrijven als een intuïtief thuisvoelen in een boek (of muziek, of kunst, of…) en heeft overeenkomsten met nostalgie, melancholie, herkenning en een soort geheim, duister genot. Het is een gevoel dat je als lezer op één lijn zit met de schrijver. Vaak is in dit geval de stijl van het boek belangrijker dan het verhaal, hoewel bepaalde motieven en verhaalelementen ook kunnen bijdragen aan deze sfeer. Uiteindelijk zie ik het als mijn persoonlijke streven om de sfeer (deels) te kunnen verklaren uit met name letterkundige, psychologische en filosofische argumenten, en zo mijn eigen ideeën en visie op het bestaan aan te kunnen scherpen. Een en ander leidt ertoe dat ik periodes heb waarin ik bepaalde genres en/of schrijvers lees, zoals op het moment van dit schrijven met name weird tales en H.P. Lovecraft.

Alles wat ik heb gelezen verwerk ik (gewoonlijk met een korte recensie) in mijn persoonlijke leesarchief op Goodreads.

Letterkundige bijdragen

Ik schrijf verhalen, artikelen, essays en recensies, onder meer op het vlak van letterkunde en filosofie. De Woordenbrouwerij vormt mijn archief van zelfgeschreven teksten, en is daarbij het platform waarop ik nieuw geschreven teksten publiceer. Onder de teksten staat vermeld waar ze eventueel eerder zijn gepubliceerd.

Letterkundige ideeën

Het voert te ver om hier in te gaan op mijn algemene letterkundige ideeën. Hieronder een lijstje artikelen waarin enkele van mijn ideeën (deels impliciet) naar voren komen:

In de toekomst wil ik meer algemeen letterkundige artikelen schrijven (maar hoe groter mijn lezerservaring des te meer zinnigs ik over boeken kan zeggen). In het volgende artikel zal ik ingaan op ‘schrijven en denken’.

(Tekstbureau de Letterzetter, 2016)

De letterzetter stelt zich voor: taal

toren van Babel

Afbeelding: Pieter Brueghel de oude (Public Domain)

Vanaf mijn studie moderne Nederlandse taalkunde (1997-2002) heb ik een aversie voor taalpurisme ontwikkeld. Dat mag misschien vreemd klinken voor een taalkundige, maar dat is het juist niet. Iedereen die zich verdiept in de taal als (min of meer) natuurlijk verschijnsel, weet dat een taal organisch gegroeid is en zich steeds blijft veranderen, en dat de taal zich weinig aantrekt van opgelegde regels. Veel van wat wij op dit moment als ‘goed’ taalgebruik beschouwen, was vroeger wellicht erg lelijk en fout en zal dat in de toekomst ook zijn. Zo werd in de zestiende eeuw ‘groter als’ gezien als juist taalgebruik en ‘groter dan’ als onjuist.

Maar wees niet bang: als redacteur moet ik natuurlijk de huidige taalregels en spelling kennen en snappen, en in die hoedanigheid volg ik deze ook op, aangezien een opdrachtgever dat van mij verwacht. Bovendien zijn sommige regels ook goed bedoeld, en werken vaak goed, om verwarring bij het lezen te voorkomen. Denk aan het verschil tussen ‘het vóórkomen van ongelukken’ en ‘het voorkómen van ongelukken’ waarbij in dit geval een nadrukteken aan te raden is om de juiste betekenis aan te geven. Maar uiteindelijk is de taal een organisch, primair mondeling communicatiemiddel – en als de communicatie slaagt, is de gebruikte taal blijkbaar voldoende, los van alle later bedachte regeltjes.

Taalverloedering versus taalachterstand

‘Taalverloedering’ komt in mijn eigen vocabulaire niet voor, ‘taalachterstand’ wel. Het verschil tussen die twee is dat het bij het eerste om een vermeende esthetische achteruitgang gaat. Uit wat ik hierboven heb geschreven, mag duidelijk zijn dat ik daar geen boodschap aan heb. Wanneer slecht onderwijs er echter toe leidt dat mensen teksten produceren die niet meer leesbaar zijn (bijvoorbeeld door bizarre spelling, onjuiste grammatica of door een totaal onlogische opbouw en argumentatiestructuur), dan is er sprake van een communicatief probleem.

In deze tijd vormt taalachterstand een groot probleem. Dat ligt niet aan de onderwijzers zelf of aan de digitale revolutie. Uit onderzoeken blijkt dat bijvoorbeeld sms-taal – naast goed onderwijs – juist een verrijkende werking heeft op het taalgevoel. Ook een samenleving waarin meerdere talen (al dan niet thuis) worden gesproken, werkt positief op de taalvaardigheid. De oorzaak ligt deels in een politiek falen, een door bezuinigingen en minachting ontstane afbraak van zowel sociaal-culturele participatie als de afbraak van een goed onderwijssysteem. In het onderzoek dat heeft geleid tot de goedwerkende schrijfonderwijsmethode Tekster blijkt tevens dat er veel te winnen valt door de verouderde taallessen te moderniseren. Dit kan door het verwerken van de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van taaleducatie in de methoden. Bij Tekster zelf gaat het om schrijfeducatie, maar dat houdt niet in dat (beter) leren lezen en spellen niet belangrijk zouden zijn; deze methode focust op een verbetering van tekstuele communicatie, waarbij zaken als tekststructuur en logica meestal  belangrijker zijn dan bijvoorbeeld spelling. Interpunctie wordt in het onderzoek ook als een ‘aspect van lagere orde’ gezien, maar met name punten en komma’s zijn wel zeer belangrijk bij het structureren en begrijpelijk maken van alinea’s en zinnen.

Als redacteur probeer ik bij te dragen aan de verbetering van taalgebruik door niet alleen teksten aan te passen, maar ook altijd aan te geven wáárom de eerdere versie minder goed was, zéker als het gaat om fouten die de communicatieve functie van de tekst schaden, bijvoorbeeld omdat er iets anders staat dan wat de auteur bedoelt. Ik probeer ook communicatie van tevoren in te plannen (wat wil de opdrachtgever met de tekst bereiken, om welke doelgroep gaat het, et cetera), omdat dit bijdraagt tot betere (functionele) teksten.

Spelling

De officiële spelling kan altijd beter, maar ik vind het een juiste keuze dat het overgrote deel van de spelling goed onderbouwd is. Dit kan leiden tot keuzevormen (‘maïs’ naast ‘mais’, afhankelijk van hoe je het zelf uitspreekt – m.n. in België zegt men ‘ma-ies’) of tot vormen die voor veel mensen als lelijk worden beschouwd. Bij ‘lelijke’ woorden gaat het meestal om onlangs geleende Engelse woorden die wél in een, daarvoor minder geschikte, Nederlandse grammaticale mal terecht komen (bv. ‘ik heb de app geüpdatet’).

Mensen willen graag een eenduidig spellingsysteem en dat zorgt er nu eenmaal ook voor dat voor ons vreemd ogende spellingsvormen ontstaan. De spellingsautoriteiten tonen eigenlijk alleen moed als ze spellingsvormen hanteren die voor veel mensen ‘lelijk’ zijn. ‘Mooie’ spelling is niet meetbaar en zou neerkomen op een totaal ondoorzichtig systeem en vele vormen naast elkaar – en dat is niet wat mensen van een goede spelling verwachten. Makkelijke spellingregels én het behouden van ‘mooie’ woorden, gaan simpelweg niet samen. Maar de ervaring leert dat mensen snel aan nieuwe woordbeelden gewend zijn. Daarbij ben ik ervan overtuigd dat ook de Nederlandse grammatica zal ‘verengelsen’ waardoor Engelse woordvormen beter passen. Dat is niet erg, dat is gewoon taalevolutie. Een mooi voorbeeld in de spreektaal is te zien in dit youtubefilmpje van Marc van Oostendorp (vanaf 2:06).

Nogmaals: de makers van de officiële spelling zitten dus in een spagaat. Zij proberen niet te veel woordvormen te veranderen (anders vinden de mensen de spelling ‘lelijk’) en tegelijkertijd heldere en consequente spellingregels op te stellen (anders vinden de mensen de spelling ‘moeilijk’). Daarbij moeten ze ook in de pas blijven met moderne taalontwikkelingen, zoals de invloed van het Engels en het feit dat spreek- en schrijftaal steeds meer naar elkaar toe groeien in de digitale omgeving. Zij kiezen begrijpelijkerwijs voor een praktisch onmogelijke middenweg, wat begrijpelijkerwijs altijd zal blijven leiden tot kritiek van zowel taalpuristen als taalkundigen. Het zij zo.

Mijn taalkundige bijdragen

Het is alweer wat jaren geleden, maar ik ben destijds afgestudeerd – voor wie het graag weten wil – op  het onderwerp ‘lexicale collocaties’. Hier staat uitgelegd wat dat inhoudt. Daarbij ging het om de Melcukiaanse theorie dusdanig uit te breiden en aan te passen, dat het gebruikt kon worden voor beter functionerende woordenboeken.

In de praktijk heeft dit geleid tot bepaalde aanpassingen en aanvullingen in het meer wetenschappelijk bedoelde Algemeen Nederlands Woordenboek (ANW). Daarnaast heb ik als studentassistent meegewerkt aan het eveneens voor wetenschappelijke doeleinden bedoelde Corpus Gesproken Nederlands (CGN).

Weer jaren later heb ik mijn taalkundige kennis ingezet voor het ontwikkelen van de toenmalige cursussen Taalkunde van het Nederlands en Schoolgrammatica van de Open Universiteit.

Thans ben ik niet met een taalkundige opdracht of taalkundig project bezig. Maar als ik denk dat ik een goede bijdrage kan leveren op een taaldiscussie op internet (fora, LinkedIn, Facebook…) zal ik dat niet nalaten. In veel gevallen komt dat neer op: ‘vanuit de taalkunde gezien zijn beide keuzes goed’ met soms een nuancering betreffende de consensus op dit moment.

Daarnaast probeer ik mensen ook bewust te maken van de maatschappelijke werking van taal. Het is mijns inziens belangrijk dat mensen zich realiseren dat de taal geen bewust door mensen gemaakt systeem is, maar een evoluerend, organisch geheel. Tegelijkertijd kunnen in bepaalde gevallen spelling, (school)grammatica en andere opgelegde systemen wel zorgen voor een betere communicatie. Maar wat door taalpuristen als ‘juiste taal’ wordt beschouwd, kan worden misbruikt als middel om zich af te zetten tegen vermeende ‘taalverloederaars’. Dit kan leiden tot discriminatie en sociale isolatie van groepen en individuen die simpelweg niet de middelen hebben om de Nederlandse taal te leren volgens de normen van taalpuristen. En het kan leiden tot oneerlijke bejegening van jongeren, die op dit moment het slachtoffer zijn van ondermaatse educatie. Dat de ‘taalverloederden’, de ‘hun-hebben’zeggers, niet per se taalonvaardig zijn, mag wel blijken uit de zeer creatieve taalvondsten in de nederhop.

De functie van taal

Hiervoor ben ik steeds ingegaan op de communicatieve functie van de taal. Goede taal betekent dan goede communicatie, wat veel narigheid kan voorkomen. Maar taal is meer: het is ook voor boeken wat de verf is voor schilderkunst en muziekinstrumenten voor de muziek. Taal zorgt ook voor vermaak. En via dit vermaak wellicht ook weer tot mooie inzichten en bewustwording. Hier heb ik het over taal als cultureel instrument, en dat is waar ik verder ga in de volgende artikelen: over lezen, en over schrijven en denken.

(Tekstbureau de Letterzetter, 2016)

Het gebreide dekentje

Wat was dat?
Patricia schrikt op en rent naar de woonkamer, de plek waar het stommelende lawaai vandaan kwam. Onderaan de spiralende trap ligt haar moeder. Terwijl ze zich zwijgend probeert op te richten, komt ook Huub naar binnen rennen. Haar moeder kijkt nog met een verwilderde blik om zich heen wanneer Patricia op haar toeloopt en neerknielt.
‘Gaat het?’
‘Ik – ik struikelde.’
Huub, de klusjesman pakt een klein gebreid dekentje op, dat vlak achter moeder op de trap ligt. Patricia kan zich niet herinneren dat dekentje eerder te hebben gezien.
‘Mama,’ zegt ze, ‘je moet ook geen dingen op de trap laten slingeren.’
De kamer staat vol dozen, losse spullen, uit elkaar gehaalde meubels, plastic bekertjes met resten opgedroogde koffie. De oude plankenvloer en kale wanden zijn weer zichtbaar geworden. Lichtere, vierkante plekken op de muren, en nagels en haakjes vertellen dat dit huis nu is uitgekleed, ontzield. Het behang, de muurverf en het pleister bladderen hier en daar als een vervellende huid.
‘Heb je je pijn gedaan, Carla?’ Huub legt het dekentje op een verhuisdoos en veegt zijn handen af aan zijn stoffige marineblauwe overall.
Moeder richt zich verder op en kreunt, terwijl ze haar linkerhand op haar linkerzij drukt. Haar dochter maakt aanstalten om de wond te bekijken, maar moeder weert haar af. ‘Nee, nee, het is niks. Alleen een blauwe plek.’
De rest van de middag probeert moeder behulpzaam te zijn, maar ze loopt eerder in de weg. Ze gedraagt zich als een koffiedame, terwijl ze bekertjes verzamelt, in de keuken rommelt, terug komt met weer thee of koffie of met alleen de vraag of iemand iets wil. Soms loopt ze de krakende trap op en af met kleine dingen in haar hand, wat weinig toevoegt aan het echte verhuiswerk.
Patricia denkt aan die keer dat zijzelf van deze trap was gevallen. Ze weet het eigenlijk voornamelijk omdat haar moeder het wel eens heeft verteld. (‘Je liet altijd alles slingeren – het was eigenlijk je eigen schuld.’) Ze kan zich wel nog vaag herinneren dat ze ergens van schrok, alsof er opeens een masker voor haar gezicht werd gehouden. Een eng masker. Ook ziet ze nog haar moeder onderaan de trap staan. En ze weet dat het litteken bij haar schouder door die val is veroorzaakt.

Als ze met z’n drietjes met hete soep aan de keukentafel zitten, lijkt haar moeder eindelijk wat tot rust te zijn gekomen. Buiten waait het koud, maar binnen heerst een kunstmatige warmte. Het huis kreunt en knapt en kraakt. Moeder vertelt Huub hoe blij ze is met haar nieuwe woning, slechts twee straten verderop.
‘Als ik hier straks weg ben, heb ik mijn eigen huisje. Het lijkt wel of ik weer op kamers ga.’ Ze glimlacht ondeugend.
Dat huisje was hier, denkt Patricia, een verlaten mezennest van lagen oud, muf dons en een lang vergeten skeletje verborgen in de takjes. Moeder heeft het nooit meer over haar vader. Ze huilde drie weken zonder veel te zeggen, en ging toen verder alsof vader er nooit geweest was. Maar zijn spullen stonden nog overal. Ook nu nog staan vaders spullen her en der in dozen of los in een hoek. Nadat vader stierf, woonde Patricia nog maar een jaartje in huis. Ze was blij toen ze eindelijk mocht studeren en weg was van haar moeder. Eén keer kwam ze langs op haar studentenkamer. Ze had dingen gezegd als: ‘Nu weet jij dus ook hoe het is om weinig geld te hebben.’ En: ‘Je zult vanzelf wel merken dat je… dat je lesbisch denkt te zijn, dat dat maar een fase is.’ Ze had ‘lesbisch’ uitgesproken alsof ze het woord voor het eerst in haar leven zei, en misschien was dat ook wel zo. Toen Patricia met haar vriendin over haar moeder had gepraat, en zich steeds bozer had zitten maken, had ze besloten haar moeder nooit meer te zien. Het was een lange tijd gelukt. Maar de tijd heelt wonden, ook die waarvan je het liefst had dat ze open bleven. Toen ze haar moeder weer had gezien leek het alsof ze in de tussentijd had opgegeven nog moeder te zijn. De tijd had haar versleten tot een warm en vriendelijk, wat naïef mens, maar ook gemaakt tot een vreemde. Ze zagen elkaar sindsdien één of twee keer per jaar en belden elkaar af en toe plichtmatig.
Toen moeder had aangekondigd dat ze ging verhuizen (‘dit huis is inmiddels te groot en vol geworden voor één oude weduwe’) en had gevraagd of Patricia wilde helpen, had zij haar moeder gezegd dat ze dat best wilde, maar dat ze geen zware dingen kon tillen nu ze zwanger was. Haar moeder was stil geworden aan de andere kant van de lijn, leek na te denken terwijl ze aan een nagel beet, en had toen gezegd: ‘Maar je bent toch…’. Na nog een stilte had ze gestameld: ‘Ik ben heel blij voor je, schat’.

Patricia hoopte snel met de verhuizing klaar te zijn, maar het huis is inderdaad groot en vol met spullen. Een nutteloos lichaam dat nog steeds kunstmatig in leven wordt gehouden en smeekt om een einde. Patricia wil zo snel mogelijk weg uit deze cocon, maar nu de avond nadert, haar moeder nog steeds last heeft van haar zij en de dozen nog lang niet allemaal gevuld zijn, ziet ze in dat ze het niet kan maken op dit moment te vertrekken.
‘Mama, ik blijf hier wel slapen. Dan doen we de verhuizing zelf morgen wel. Het busje hoef ik toch pas morgenavond terug te brengen.’
Even lijkt het of moeder ergens van schrikt. Ze kijkt peinzend uit het raam, lijkt zich weer te herstellen en zegt zacht: ‘Ja, ja natuurlijk.’ En na een korte pauze voegt ze eraan toe: ‘Bedankt, Patricia.’
Huub helpt nog met het weer in elkaar zetten van het tweepersoonsbed, dat boven op de slaapkamer al in onderdelen lag, en gaat dan naar huis. Patricia en haar moeder vullen de dozen verder, brengen spullen naar beneden en eten uiteindelijk onder een kaal peertje ieder een thuisbezorgde pizza. Ze gaan vroeg naar bed.

Iets in het huis kraakt.
Patricia draait zich in het grote bed om naar haar moeder. Haar moeder snikt.
Patricia knipt het lampje aan dat provisorisch naast het bed op de koude vloer is gezet, en ziet haar moeder rechtop naast haar zitten, haar handen begraven in dat kleine gebreide dekentje, haar gezicht nat van de tranen.
‘Je vader en ik hadden net dit huis gekocht. Jij was twee.’ Haar stemt is krakerig, lijkt ouder. Ze zucht, kijkt Patricia even aan en richt dan haar ogen naar boven. ‘Op een houten tuinbankje in de voortuin van dat huis, dat huis aan het einde van de Priemweg, je weet wel – daar zag ik haar voor het eerst. Op dat bankje zat ze, al was het al herfst en waaide er een koude wind. Ik had steeds gedacht dat het huis leegstond, zo vervallen als het was, en met zo’n overwoekerde tuin.
‘Ik knoopte een praatje aan met deze oude vrouw en vertelde ook dat we verhuisd waren en waar we nu woonden, een straat verder van haar. De oude vrouw zei dat zij daar ook had gewoond, vroeger, toen haar man nog leefde. Ze zei ook dat ze van kinderen hield en dat ze er zelf helaas geen had kunnen krijgen. Ik nodigde haar thuis uit en twee dagen later zat ze hier. Ze wilde geen koffie, maar leek verrukt dat ze weer in dit huis kon zijn. Ze was ook heel lief voor jou. Ik vroeg daarom of ze je babysit wilde worden. Ze stemde toe.
‘Ik was destijds bezig met het breien van een dekentje voor jou, voor op de bank. Ook toen Aat – zo heette de oude vrouw – hier op bezoek was, was ik daarmee bezig. Ik weet nog goed dat je steeds probeerde de wollen draad te grijpen. Aat keek er met interesse naar en zei op een gegeven moment: “nu is het af,” en knipte de draad door. Ze had trouwens gelijk: het dekentje was precies groot genoeg.
‘Elke week, op vrijdagavond, paste ze op. Ik betaalde haar er niet voor – ze vroeg niet om geld. Ik vond het heerlijk om elke vrijdagavond voor mezelf en mijn vriendinnen te hebben – je vader was dan naar zijn filmclub. En elke vrijdagmiddag smeekte je: “Niet Aat! Niet Aat!” Ik zag dat je die weken niet goed in je vel zat, bleek zag… Maar hoe moest ik weten dat dat aan haar lag? Je stelde je wel vaker aan en was wel vaker ziek.’
Weer kraakt er iets in het huis. De kou doet de oude trap kraken, denkt Patricia.
‘Op een vrijdagavond liep ik terug naar huis. Ik besloot binnendoor te gaan via een bospaadje dat uitkwam naast het huis van Aat op de Priemweg. Ik was nogal aangeschoten, had wat meer gedronken dan anders, en bleef nieuwsgierig naar haar huis kijken. Ik liep het tuinpad op en gluurde naar binnen. Hoewel het al donker was, viel er licht van een bijna-volle maan naar binnen en kon ik redelijk goed het interieur zien. Ik schrok: hoe kon Aat hier wonen? De kamer zag er even verwaarloosd uit als de buitenkant van het huis. Dikke lagen stof, spinrag – resten van eten op de tafel van een lang vervlogen maal. Ik gilde toen ik iets zag bewegen in een hoek van de kamer, maar waarschijnlijk was het maar een muis of een rat. En het zal de alcohol geweest zijn, of de verwondering dat hier iemand kon leven, dat ik een stap naar de voordeur deed en duwde. Heel even leek iets weerstand te bieden. Toen hoorde ik een klik en ging de deur langzaam naar binnen open.’
Alsof ze een verhaal vertelt bij een kampvuur, denkt Patricia. Zoiets deed moeder nooit. En wat is dit voor verhaal?
‘Een onverwachte stank deed me onmiddellijk kokhalzen en bijna tegelijkertijd zag ik op de vloer van de overloop een gezicht dat in het maanlicht oplichtte. Het gezicht was duidelijk van Aat en even duidelijk al een tijdje dood. Voor haar gezicht lag haar hand, verwrongen en knoestig, met doorgegroeide nagels en een kromme wijsvinger die leek te wijzen. Een duizeling overviel me, en het volgende moment was ik aan het rennen. Ik weet niet of ik huilde of gilde – ik denk geen van beide. Alleen die ene gedachte bleef hameren in mijn nuchter geslagen hoofd: wie is er dan nu bij Patricia? Achteraf zou een rationele geest kunnen zeggen: iemand anders, misschien wel een tweelingzus. Maar ik wist dat dat niet zo was. In mijn gedachten werden alle beelden van Aat versneld teruggespeeld. Waarom besefte ik pas op dat moment hoe gelig en ziek ze er altijd uitzag?’
Opnieuw kraakt de trap. En dan verhardt Patricia’s buik zich. ‘Mama…?’ zegt ze benauwd. Maar moeder hoort haar niet.
‘Toen ik eindelijk binnenstormde, merkte ik eerst niet eens dat de lampen allemaal uit waren. Zij zat daar en gaf je de borst, terwijl het dekentje om je heen was gewikkeld. Haar gezicht was begraven in je nek alsof ze je daar kusjes gaf. Ze keek op en trok een brede glimlach die haar scherpe, verbrokkelde tanden toonde. Een rode gloed omgaf haar en maakte haar silhouet waziger dan wat normaal had moeten zijn.’
‘Mama…?’
‘Ik schreeuwde van woede! Terwijl ik op haar afrende – ja woede. Woedend op mezelf dat ik je ooit had kunnen toevertrouwen aan deze heks. Ze leek verbaasd door mijn reactie. Haar lach veranderde in een blik vol haat. Ze klemde je hard tegen zich aan en stoof op. Even bleef ze twijfelend onderaan de trap staan. Door haar haat heen scheen ook angst in haar ogen. Toen rende ze de trap op.’
‘Mama! Mijn buik!’ Patricia gilde. Het ongeboren kind leek tekeer te gaan. Een voetje tekende zich af op de harde buik.
‘Stil!’ commandeerde moeder, ‘Ik moet dit vertellen. Ik moet dit vertellen! Toen die heks de trap oprende, rende ik ook. Maar ik viel over een speeltje van jou en bleef onderaan de trap liggen. Toen ik opkeek zag ik hoe Aat je opeens met gestrekte armen voor zich hield en je aankeek. Ze krijste in je gezicht en gooide je toen van de trap. Even dacht ik dat je dood was. Ik nam je in mijn armen en huilde, terwijl Aat langzaam de trap afkwam. Ik keek niet, maar hoorde de krakende treden en merkte dat ze over ons heen stapte. Toen ik wel weer opkeek, stond ze in de deuropening. Het maanlicht leek door haar heen te sijpelen. Ze hield het gebreide dekentje vast met één hand en sprak. Ik leek haar stem te dromen – of misschien droomde ik al. Toen ik later bijkwam, was dat omdat jij huilde en je je kleine handjes tegen je zij drukte. De woorden van Aat droom ik nog steeds: Goed, dát kind is van jou. Maar ik heb ook het bloed in haar buik gevoed met mijn melk, zoals ik mijzelf heb gevoed met het bloed van haar moeder. Dat wat van mij is, zal ik halen wanneer het dit huis betreedt.
Moeders stem lijkt veranderd, alsof iemand haar laat praten. Dan kijkt ze Patricia aan en lijkt weer te landen. ‘Het dekentje… Het lag vandaag opeens boven aan de trap. Ik raapte het op en zag toen pas wat het was. Ik schrok. Ik viel.’ In haar ogen neemt de paniek toe. Ze trekt wit weg. Een pijnscheut schiet door Patricia’s buik. En dan kraakt de trap een laatste keer. De deur gaat open en een wijsvinger met een nagel als een scalpel klemt zich om de rand.
‘Sorry! Sorry! Sorry!’ fluistert moeder, en begraaft haar gezicht in het dekentje om de geboorte niet te hoeven zien.

(De woordenbrouwerij, 2018)

Tussen absurditeit en het leven – een essayistisch tweeluik

Deze twee essays zijn door mij in de periode 2016-2018 geschreven.

[Lees/print als pdf]

1. Het absurde verlangen – het verlangen naar het absurde

De waanzin en de dood zijn z’n ongeneeslijke kwalen.
(Albert Camus, De Myte van Sisyfus)[1]

Vroege gedachten

Ik voel me namelijk alsof het leven in het algemeen nutteloos is, in ieder geval voor mij. Dat maakt me bang, want ik ben immers ook verschrikkelijk bang voor de dood. Ik heb geen energie meer oer, kan me nergens op concentreren. Ben momenteel werkloos, woon nog thuis, van mijn studie komt al jaren niets terecht. Ik beleef nergens echt voldoening aan, of heel vluchtig. Zelfs de makkelijkste klusjes in het huishouden vind ik zwaar. Ik gebruik al antidepressiva en ben ook al eens van soort gewisseld. Dosis ook al verhoogd. Hoop op verbetering heb ik niet echt, want ik zie mijn kijk op de wereld als de waarheid, en heb geen idee hoe iets of iemand iets aan de waarheid zou kunnen veranderen.[1]
(‘Elaine’)

Bovenstaand forumbijdrage is er één uit vele, die gewoon zo op internet te vinden zijn. Zelfmoordgedachten zijn voor bijna niemand onbekend. Zelf had ik ze al vanaf mijn basisschoolperiode. Ik voelde me ongelukkig, niet begrepen en niet gehoord. Op de laatste twee gevoelens zal ik niet ingaan, want ik vraag me af of ik gelukkiger was geweest als ik me wel begrepen en gehoord had gevoeld. Er was namelijk nog iets, wat ik maar niet helder kreeg, maar wat een desillusie van deze wereld moet zijn geweest. ‘Als ik dertien ben, pleeg ik zelfmoord’ – daarvan was ik overtuigd (getuige ook mijn allereerste dagboek). Toen ik dertien was, verlegde ik die grens naar achttien: het moment dat ik voor mezelf verantwoordelijk zou moeten zijn en in de voor mij onbekende en horribele mensenwereld zou worden gegooid. Hoe dan ook, ik leerde mezelf af na te denken over de toekomst. Ik zou niks ‘worden’, had geen ‘plannen’, de toekomst stond immers vast en ik wachtte af. Tot aan mijn puberteit kon ik nog goed wegvluchten in een eigen fantasiewereld, maar de arena van opgroeiende, onzekere en van zichzelf bewust wordende pubers verplichtte mij aan de wereld deel te nemen. Op de basisschool was ik de intelligente clown geweest, nu werd ik de in zichzelf gekeerde, vreemde maar aardige onopvallende aan de zijlijn. Ik hoorde er niet bij, maar ik werd met rust gelaten. Na enkele jaren voelde ik me eenzaam, mijn hormonen begonnen op te spelen en ik miste iets van uitdaging. Met mijn afkeer voor alles wat ik burgerlijk vond (vrijwel alles) sloot ik me aan bij de Nirvana-luisterende grungers en begon met alcohol en wiet. Dit bood me troost (en wakkerde misschien ook mijn toenmalige paniekstoornis aan) en ik kreeg een wat socialer leven, maar echte ´zielsverwanten´ vond ik niet.

Vreemd aan mijzelf en aan deze wereld, toegerust met geen ander hulpmiddel dan een denken, dat zichzelf ontkent zodra het iets beweert; wat is dat voor een situatie, waarin ik slechts vrede kan hebben door het weten en het leven af te wijzen, waarin de veroveringslust tegen muren stoot die deze stormloop trotseren?[2]

Ik begon ook veel te lezen, waaronder De myte van Sisyfus van Camus, waar bovenstaand citaat voor een adolescent als ik natuurlijk herkenbaar en aangrijpend was. En toen leek voor het eerst een lampje aan te gaan in de mij onbegrijpelijke en duistere kelder waarin ik had geleefd. Ik kreeg ook een vriendinnetje van wie ik dacht dat ze me begreep (tot ze het uitmaakte). Mijn toch al grote labiliteit, gecombineerd met deze afwijzing brachten me het dichtst bij de dood (van mijzelf en haar), maar de schok dat ik het niet kon, bracht me wellicht nog de grootste weerzin voor mezelf en de wereld.[3] Het duurde jaren om mezelf voor mezelf weer leefbaar en acceptabel te maken. En natuurlijk, er gebeurde van alles dat in alle levens gebeurt. Intussen heb ik een gezin en min of meer werk. Maar het gevoel dat ik al op de basisschool had en dat later voor mij onder woorden werd gebracht door Camus, dat is er nog steeds en zal waarschijnlijk altijd blijven.

Camus’ gedachten

Wat was het lampje, wat zei Camus waardoor ik beter begreep waarom mijn leven is zoals het is? In de Mythe van Sisyfus, Camus zelf noemt het een essay, probeert de schrijver het gevoel van het absurde te koppelen aan de vraag van zingeving. Met andere woorden: kan ik leven met het pure absurde gevoel? Zo nee, dan is de letterlijke zelfmoord de enige uitweg. Camus beschrijft ook dat hijzelf niet anders kan dan dit absurde gevoel beamen. Camus is zelf niet de uitvinder van ‘het absurde’. Hij haalt tal van filosofen aan om dit te definiëren. Daarbij wijst hij er echter op dat deze filosofen door hun verlangen naar een ‘oplossing’, een zingeving, uiteindelijk steeds een sprong maken, een vlucht weg van het absurde, iets wat Camus de ‘filosofische zelfmoord’ noemt.[4] Het gaat Camus echter om het omgaan met het rotsvaste absurde gevoel. Iets voor de helft van zijn essay, aan het eind van het hoofdstuk ‘de filosofische zelfmoord’, vat Camus het geheel nog eens treffend samen:

Mijn gedachtengang wil trouw blijven aan het evidente, dat zij heeft blootgelegd. Dit evidente is het absurde. Het is die scheiding tussen de verlangende geest en de teleurstellende wereld, het is mijn verlangen naar eenheid, dit versplinterde heelal en de kontradiktie die hen verbindt. Kierkegaard onderdrukt mijn verlangen en Husserl brengt dit heelal weer bijeen. Dat is het niet, wat ik verwachtte. Het ging erom met deze verscheurdheid te leven en te denken, te weten of men aanvaarden of weigeren moest. (…) Ik interesseer me niet voor de filosofische zelfmoord, maar voor de zelfmoord zonder meer.[5]

Maar een mens is een mens, en Camus geeft toe dat dat vervelende bewustzijn de oorzaak is van zowel ‘de verlangende geest’, als van de evidentie van zinloosheid en de non-existentie van hoop, alles samen het absurde gevoel vormend. Het besef van dit absurde gevoel verwoordt hij als volgt:

Alle problemen krijgen hun scherpte terug. De abstrakte evidentie trekt zich terug voor de lyriek van de vormen en kleuren. De geestelijke konflikten zijn geïncarneerd en vinden het miserabele en prachtige toevluchtsoord van het menselijke hart terug. Er is niets opgelost. Maar alles is van gedaante veranderd.[6]

Daarna trekt hij direct de conclusie dat werkelijke zelfmoord net zo goed een ‘sprong’ is (dus eigenlijk is de zelfmoord zonder meer net zo goed een filosofische zelfmoord). Het enige dat standhoudt, is het leven als een opstand, de ‘voortdurende konfrontatie van de mens met zijn eigen duisterheid’ en ‘de eis van een onmogelijke doorzichtigheid’ en dit te blijven beschouwen. Oftewel: de paradox van het verlangen en de onkenbaarheid niet simpelweg accepteren (dat zou zelfverloochening, een sprong zijn), maar in een gespannen toestand houden:

Het asburde is zijn uiterste spanning, die hij voortdurend in een eenzame poging handhaaft, want hij weet dat hij in dit bewustzijn en in deze opstand dag in dag uit getuigt van zijn enige waarheid, de uitdaging.[7]

Na een verhandeling over het filosofische begrip ‘vrijheid’ (en vooral waarom die in de normale zin van het woord niet van toepassing is voor de absurde geest), trekt Camus een tweede conclusie:

De absurde mens ontwaart zo een gloeiend heet en ijskoud, doorzichtig en begrensd universum, waar niets mogelijk, maar alles gegeven is, aan gene zijde daarvan is de ineenstorting en het niets [de dood, PB]. Hij kan er nu toe besluiten het leven in een dergelijke wereld te aanvaarden en daar zijn kracht uit halen, zijn weigering om te hopen en de hardnekkige getuigenis van een leven zonder troost.[8]

Ten slotte trekt hij zijn derde conclusie, de aanwezigheid van een ‘hartstocht’ die hem verplicht ‘het huidige ogenblik en de opeenvolging van deze ogenblikken tegenover een steeds bewuste ziel’ te leven.

Uitgegaan van een vertwijfeld bewustzijn van het onmenselijke, keert de meditatie over het absurde aan het eind van zijn weg weer terug in de schoot van het hartstochtelijk vuur van de menselijke opstand.[9]

Camus’ eindconclusie is dat voor hem de volgende noodzakelijke leefregel geldt, waarbij hij tevens de zelfmoord afwijst: een leven van opstand (zonder doel), vrijheid (zonder hoop of troost) en hartstocht, waarbij alles in het teken staat van het absurde bewustzijn. Hij eindigt het eerste, en langste, deel van zijn essay met de opmerking dat het slechts ging om de uiteenzetting van een wijze van denken, en nog niet om het leven.

In het volgende deel, ‘De absurde mens’, geeft hij een duidelijke omschrijving van de absurde mens:

Hij, die niets voor de eeuwigheid doet, zonder het bestaan ervan te ontkennen. Niet dat het verlangen hem vreemd zou zijn, maar hij geeft de voorkeur aan zijn moed en zijn verstand. Het eerste leert hem, zonder hogere instantie te leven en tevreden te zijn met wat hij heeft; het tweede leert hem zijn grenzen kennen. Overtuigd van zijn aan tijd gebonden vrijheid, van zijn opstand zonder uitzicht en van zijn vergankelijk bewustzijn, vervolgt hij zijn avontuur in de tijd van zijn leven.[10]

Daarna geeft Camus mogelijke voorbeelden van dergelijke absurde levens, waar ik hier niet op in zal gaan.

Het absurde kunstwerk

Ik hoop dat de lezer kan invoelen hoe ik mij in mijn meest labiele periode zodanig liet meeslepen door Camus’ werk, dat het mij in eerste instantie in een soort waanzin bracht. De afstand tussen mij en de wereld van de mens en de walging bij het besef dat juist ik een mens was, werd alleen maar groter. In zekere zin was ik tegelijkertijd trots en eenzaam dat ik in mijn besef ‘boven’ de mens kon staan. Een soort intrinsieke ivoren toren.

Maar Camus’ boek is nog niet uit. Wat volgt is het hoofdstuk ‘Het absurde kunstwerk’, en het is daar dat ik op dit moment in mijn leven de draad oppak. Want Camus gaat in op de creatieve absurde mens. En de producten daarvan zou ik opgevoerd willen zien op een podium van de waanzin. Waarom ‘waanzin’? Ik had kunnen kiezen voor onzin (on-zin, de afwezigheid van zin), een woord dat niet voor niets als synoniem wordt gebruikt voor ‘absurd’. Maar waarom zou een absurde geest iets creëren als hij er het nut niet van inziet? Het creëren is in die zin een onzinnige bezigheid, iets dat ergens toe lijkt te leiden terwijl het dat niet doet, een ‘waan’. Maar zoals we zagen is Camus’ held geen apathicus die zich bij zijn schisma van beperkt kennen en verlangen neerlegt, maar die juist de opstand aangaat door te ´werken en te leven´ zoals hij zelf zegt. En één van de mogelijkheden is simpelweg het creëren. Camus zegt:

Voor de absurde mens is er geen sprake meer van verklaren en oplossen maar van ondervinden en beschrijven. (…) Het verklaren is nutteloos, maar de gevoelsindruk blijft en daarmee de onophoudelijke roepstem van een kwantitatief onuitputtelijk universum. Men begrijpt dat hier de plaats van het kunstwerk is.[11]

Een wellicht voor de hand liggende reactie van de lezer zou kunnen zijn dat het bij het kunstwerk of de roman stiekem om escapisme gaat, en dus ook om een filosofische zelfmoord, maar dat ontkent Camus:

Het [kunstwerk] is zelf een absurd fenomeen en het gaat er alleen maar om het te beschrijven. Het biedt geen uitweg uit de ziekte van de geest. Het is in tegendeel een van de tekenen van dit lijden.[12]

Net als bij het absurde leven, probeert Camus overigens antwoord te geven op de vraag of een absurd kunstwerk [13] mogelijk is. Na vele pagina’s en de bespreking van met name karakters uit het werk van Dostojewski [14], is zijn antwoord ‘ja’. Maar, zegt hij, voor kunstenaars ligt de valstrik van de hoop misschien nog wel meer op de loer dan voor filosofen – de hoop die de oorzaak is van de eerder besproken filosofische zelfmoord, de hoop die de kunstenaar van het absurde pad wegleidt.

Dit bewijst de moeilijkheid van de absurde askese. Dit bewijst bovenal de noodzakelijkheid van een voortdurend waakzaam bewustzijn en voegt zich in het algemene kader van dit essay. (…) Werken en scheppen ‘voor niets’ (…), dat is de moeilijke wijsheid, die door het absurde denken gewettigd wordt. Het gelijktijdig op zich nemen van deze twee taken, aan de ene kant de ontkenning, aan de andere kant de vervoering, dat is de weg die zich opent voor de absurde kunstenaar. Hij moet [15] de leegte kleur geven. [16]

Camus’ ‘eis’ voor het absurde kunstwerk verwoordt hij uiteindelijk als volgt:

Opstandigheid, vrijheid en verscheidenheid. Dan zal de diepe nutteloosheid ervan aan de dag treden. In deze dagelijkse inspanning, waarbij verstand en hartstocht vermengd worden en elkaar opvoeren, ontdekt de absurde mens een discipline, die het wezenlijke van zijn krachten uitmaakt.[17]

Het absurde sluit het geluk van het leven, van het kunstwerk, niet uit. Van het volgende hoofdstuk in het boek, met dezelfde naam als het boek zelf, citeer ik alleen de laatste twee zinnen, waarbij men zich de mythe van Sysiphus voor ogen moet houden.[18]

De strijd op zichzelf tegen de top is voldoende om het hart van een mens te vullen. We moeten ons Sisyfus als een gelukkig mens voorstellen.[19]

Het podium van de waan-zin

Het gehele bestaan is voor iemand die zich van de eeuwigheid afgekeerd heeft, slechts één onmetelijk mimisch spel onder het masker van het absurde.[20]

De Mythe van Sisyfus eindigt niet met het hoofdstuk over Sisyphus. Er is nog een interessant aanhangsel over de hoop en het absurde in het werk van Kafka. Dat is echter al iets dat meer thuishoort op een podium van de waanzin.

Ik wil nu terug naar mijn ‘interesse’ voor het absurde. Want gaat het wel om het absurde? Ben ik een bewust absurde mens zoals Camus deze ten tonele voert? Of ben ik alleen geobsedeerd door het absurde? Ben ik als een nachtvlinder die steeds weer tegen die hypnotiserende lamp vliegt? Een insect is zich niet bewust; maar in hoeverre ben ik dat wel? De lamp is voor de nachtvlinder wat voor de mens de onbegrijpelijke wereld is: aanwezig en on-redelijk tegelijk. Mijn leven bestaat hooguit uit momenten van absurde ascese en veel meer uit escapisme: het wegvallen van het ik tijdens het kijken naar een mij boeiende film; het hoogste geluk als ik verbintenis voel met het geluk, verdriet of begrip van mijn kinderen; de haat die ik voel voor zaken die net zo absurd zijn als de dingen die me een gevoel van warmte en begrip geven. Ik ‘spring’ voortdurend. Maar als iemand me zou vragen wat de zin van het leven is, kan ik niet anders – op welk moment dan ook – dan toegeven dat die er voor mij noodzakelijkerwijs niet is, evenmin als een metafysische ethiek of esthetiek. Hieruit volgt ook dat ik nog steeds niet serieus over de toekomst na kan denken en daarnaar kan handelen, anders dan dat ik weet dat ik eens zal sterven.

Mijn biologische driften zorgen ervoor dat ik lijk op andere mensen, want ook ik wil eten, drinken en genieten. Je zou mij zelfs aartslui kunnen noemen (waarom al die moeite als er toch geen zin is?). Maar het willen scheppen en denkend bezig zijn, is voor mij, zoals voor zovelen, evengoed een drift. Als ik mij erger aan al die mensen die niet inzien dat er geen zin is, dat de wereld niet zo geordend is als zij denken, die zich met mij bemoeien vanuit hun in mijn ogen beperkte wereld- en mensbeeld, is het dan niet dezelfde drift die mij ertoe doet bewegen mensen de ogen te willen openen? Ik ben een slechte redenaar en overtuiger. Maar wat ik wel zou[21] kunnen doen, is het openen van een podium: een podium voor de waanzin. En de waanzin komt in vele, soms elkaar tegensprekende, gedaanten, zoals ook Camus beaamt. Ik wil de mens in de afgrond duwen en haar de schoonheid tonen van het absurde, het zinloze en het waanzinnige, waarin de mens ineenkrimpt tot een nietige, onbetekenende punt. Een punt die kan lachen, huilen, zich verbazen en zich vervreemd kan voelen, maar toch een punt.

Ik wil niet alleen absurde werken laten zien, ik wil ook graag weten hoe mensen omgaan met de (absurde) wereld. Traditie en conformisme is de meest voor de hand liggende vorm van blindheid voor het absurde (of een filosofische zelfmoord na het aanschouwen van het absurde), maar mensen kunnen zich individueel of in kleine groepen op allerlei verrassende manieren tegen de absurde wereld wapenen. Deze laatste manieren wil ik ook graag op het podium zetten, omdat het kan leiden tot een verbreding van het denken en dus ook een bredere visie op de wereld en de mens.

Om het geheel niet tot oppervlakkig rariteitenkabinet te laten vervallen, zou ik bij elke opvoering op het podium de waaromvraag centraal stellen. Camus volgend mogen we hier geen zinnig eindantwoord op verwachten, maar de antwoorden die we vinden, zullen op zijn minst bijdragen tot een beter begrip van de waanzin die deze wereld is.

Heb ik de waarheid in pacht? Uiteraard niet, aangezien de waarheid in mijn ogen niet bestaat. Ik kan alleen mijn waarheid volgen, verbreden, tegenspreken en tonen. Heeft een podium van de waanzin een doel? Uiteraard niet, want een doel impliceert een zin, en die is er, volgens mijn waarheid, niet. Maar mijn verlangen ziet niettemin graag een podium voor de waanzin. En hier is het. Doe ermee wat je wil.

(3 augustus 2016)

2. De liefdevolle misantroop: een absurdistisch dier

Everybody understands Mickey Mouse.
Few understand Herman Hesse.
Only a handfull understand Albert Einstein.
And nobody understood Emperor Norton.

(Uit de Discordia Principia)

Ik ben geen praktisch mens. Liever leef ik in mijn hoofd. Maar de wereld om me heen is er wel gewoon en ik kan niet anders dan meedraaien. Dat dat problemen, of op zijn minst ergernis en weerzin met zich meebrengt, is niet meer dan logisch. Wat mij zeer verbaasd is wát mij het meest ongelukkig maakt: dat ik het me veel te veel aantrek wat mensen van mij vinden en dat ik mezelf veracht. Maar zoals iedereen leef ik in een paradox: ik haat de mensheid, ik erger me aan de meeste mensen en tegelijkertijd houd ik van ze, omdat ik weet dat iedereen uiteindelijk onschuldig is; ik vind mezelf lui, inconsequent in gedachten en handelen, en toch houd ik van mijn gedachten en heb ik voor mezelf altijd gelijk en houd ik van mezelf als het wezen dat nou eenmaal is zoals het is.

De praktijk, de wereld om me heen, rukt en trekt aan mijn pure ideeën (die natuurlijk steeds veranderen, al geef ik mezelf dat nauwelijks toe), en ik trek mezelf terug tot het niet anders kan en ik willoos terug trek en vervolgens overstag ga. Ik – en dat zal wellicht voor velen of misschien wel iedereen gelden – leef in twee werelden tegelijk en heb daarmee ook twee ikken: de ik in mijn hoofd en de ik in de wereld.[1] Maar ik wil hier geen dualisme verdedigen: het ene ik is onverbiddelijk verweven met het andere ik. Het nadenken kan pas bestaan als er ervaringen zijn om over na te denken, hoe abstract deze ook mogen zijn. Omgekeerd kan er alleen worden gehandeld als er een gedachte is die tot het handelen aanzet, hoe primitief die ook mag zijn.[2]

In dit ego-essay wil ik uitzoeken hoe ik aan mijn misantropie kom en tegelijk kan geloven in de onschuld van de mens. Je zou dit essay een zelftherapie kunnen noemen, maar dat acht ik als secundair belang. Ik hoop met dit essay aanschouwelijk te maken hoe misantropie en algemene weerzin kunnen samengaan met mensenliefde en nihilisme.

Nihilisme en determinisme

Om met het nihilisme te beginnen: ik geloof niet in een zin.[3] Zin impliceert een hogere, niet-materiële instantie die een na te streven doel bepaalt. In een dergelijke instantie geloof ik niet en kan ik niet geloven, aangezien dit via logisch denken simpelweg extreem onwaarschijnlijk is en ik geen ervaringen heb gehad die mij een reden geven toch hierin te geloven. Maar de mens als biologisch wezen is er blijkbaar niet op toegerust te leven zonder zingeving. Als een mens de zinloosheid en het absurde van het leven erkent, zijn de enige manieren om hiermee om te gaan zelfverloochening, gek worden of leven als Camus’ ‘absurde held’.[4] De derde manier is de meest bewuste keuze, maar verreweg de minst voorkomende. Zij die de zinloosheid en het absurde erkennen, maar deze niet kunnen samenvoegen met hun leven, worden gek (dat wil zeggen: ongeschikt voor het praktische leven en het meegaan in de consensus). Bijna iedereen die nihilistische gedachten heeft gehad, kiest echter voor de zelfverloochening, zoals religie, ontkenning of zelfmoord. Als ik naar mezelf kijk, zie ik dat er geen vaste grens hoeft te liggen tussen deze drie keuzes, eigenlijk heb ik ervaring met alle mogelijkheden, afhankelijk van mijn overtuigingen en situatie op het betreffende moment. Heb ik tijd voor (zelf)reflectie, dan kan ik soms leven als absurde held. Zit ik midden in het ‘leven’, met veel prikkels van werk, mijn kinderen en dagelijkse taken, dan reageert mijn lichaam en het grootste deel van mijn psyche via impulsen, driften, gewoontes en rituelen. Maar meestal blijft ook dan een nihilistische overtuiging sluimeren.

Zinloosheid gaat goed samen (maar is niet per se nodig) met mijn deterministische wereldbeeld. Ik geloof in een oerknal (materie en tijd) als het beginpunt van iets dat tot niets anders heeft kunnen leiden dan tot de materie zoals die zich nu voordoet (en zich zal blijven voordoen). Wat tijd en ruimte en materie is, weet ik niet. Het zou zo maar kunnen dat de ruimte gekromd is, de tijd een illusie is en/of dat er van een multiversum moet worden uitgegaan, zoals dat van de natuurkundige Michio Kaku. Eerlijk gezegd is dat voor mij te hoog gegrepen, maar vooral ‘onvoorstelbaar’. Ik sluit me aan bij Camus’ woorden: ‘Ik begrijp nu dat al kan ik de verschijnselen wetenschappelijk vatten en opsommen, ik daarom de wereld nog niet kan begrijpen.’[5] Op het lagere niveau van de wereld zoals die aan ons verschijnt, hang ik ook andere deterministische theorieën aan, simpelweg omdat die het meest logisch zijn in de zin van Ockhams scheermes, zoals Darwins evolutietheorie[6] en Dawkins’ memetica (kort door de bocht: evolutie van ideeën los van de menselijke evolutie).

Misvattingen in de maatschappij

Veel (Westerse) mensen kunnen niet goed leven met een deterministisch wereldbeeld, aangezien deze ook de zinloosheid naar voren lijkt te halen (wat overigens niet per se noodzakelijk is). Dat is al te zien aan de vele misvattingen van deterministische theorieën en ideeën die er bestaan. Uit deze misvattingen blijkt vooral de onwil om niet-antropocentrisch en nihilistisch te denken, al zegt de ratio en de goede lezing van de theorieën het tegenovergestelde. Als voorbeeld kan dienen deze kant-en-klare lijst (https://nl.wikipedia.org/wiki/Evolutietheorie#Misvattingen_over_evolutietheorie) over de misvattingen betreffende de evolutietheorie. De misvattingen zelf kort op een rij:

  1. De evolutietheorie is toch maar een theorie.[7]
  2. Evolutie leidt tot een geleidelijke verbetering van levensvormen.[8]
  3. De mens stamt af van de apen.
  4. Evolutie is survival of the fittest.
  5. Uit een simpel blind proces zoals evolutie kan niet zoiets complex als het oog voortkomen.
  6. De zwakken helpen, druist in tegen de evolutie.

Een voorbeeld van een misvatting betreffende de memetica is: ‘de evolutie van ideeën is altijd te herleiden tot de evolutie van de mens zelf’.[9]

Uit bovenstaande lijstje misvattingen over de evolutietheorie is nog iets anders te zien, vooral in punt 4 en 6. Iets dat ook geldt voor opvattingen over determinisme in het algemeen en nog veel meer voor nihilisme. Veel mensen zien deze opvattingen als negatief en zelfs inhumaan. Er is geen betere manier om dit in te zien, dan door een korte blik op onze taal: onzin, waanzin, nutteloos, zinloos – stuk voor sterk negatief geladen woorden. Zegt men: ‘het leven is zinloos’ dan impliceert dit voor de meeste mensen een afkeer voor het leven en wellicht de keuze voor een vrijwillige dood – maar waarom? ‘Waanzinnig’ is iemand die letterlijk de verkeerde ‘zin’ voor ogen heeft – maar het nihilisme gaat ervanuit dat alle ‘zin’ een waandenkbeeld is.

Wat betreft het Westerse denken is ten slotte nóg een misvatting tekenend: de misvatting over het Boeddhisme en aanverwante filosofieën. Alle vrolijke zen-bedrijfjes, yogalessen en Oosterse tegeltjeswijsheden ten spijt, heeft het oorspronkelijke Boeddhisme niks te maken met woorden als ‘positief’, ‘jezelf vinden’, ‘verlichting’ en ‘een hemel’. Reïncarnatie betekent voor de Boeddhist een op het oog terugkerende ‘wil, verlangen’. Dat dat over mensenlevens heen gaat is voor hem onbelangrijk en slechts een voortvloeisel uit het feit dat ruimte en tijd in feite niet bestaan. ‘Opstijgen naar het nirwana’ is niet een hemelse rust na de ‘laatste’ dood, maar het opgaan in het totaal neutrale niets – of beter: het opgaan in het besef van het totale niets. Dit kan dus evengoed in de dood als in het leven gebeuren. Het ‘verlangen’ dooft uit in het niets, en kan weliswaar niet meer leiden tot lijden, maar evenmin leiden tot geluk. Dat laatste wordt door het westerse nep-Boeddhisme (en veel modernere varianten in het oosten zelf) voor het gemak vergeten. Ik zie mezelf niet als Boeddhist, maar het is tekenend dat in elk geval de Westerse mens[10] alleen andere culturele ideeën wil overnemen als het past in een setting met hoop, en dus met een doel en een zingeving.

Recapitulatie en tussentijdse conclusie

In het voorgaande heb ik laten zien dat ikzelf niet anders kan dan te denken in een nihilistisch en deterministisch raamwerk. Ook mag nu duidelijk zijn dat ik ervan ben overtuigd dat de meeste mensen (en via consensus ook de maatschappij en daarmee het praktische leven) terugvallen op een onbegrip en/of wantrouwen jegens het deterministische en nog meer jegens het nihilistische gedachtengoed. Dit wordt niet als normaal beschouwd en zelfs als iets negatiefs (wellicht ook als subversief). De maatschappij is ingericht op mensen die geloven in een hoger doel en een zingeving en via het nastreven ervan de maatschappelijke taken ten uitvoer brengen. De vraag is: kan een maatschappij überhaupt bestaan binnen een nihilistisch gedachtengoed? Het antwoord is: alleen als de leden ervan allemaal ‘absurde helden’ zijn. Dat zou willen zeggen dat iedereen doordrenkt is van het niet bestaan van een zin en tegelijkertijd het leven aanvaardt zoals het is, compleet met het besef dat de biologie van de mens nu eenmaal streeft naar overleving en het feit dat de mens een sociaal wezen is. Maar dat zou ook impliceren dat de mens moet toegeven dat het een dier en een willoze automaat is; dat gevoelens en cultuur in wezen fictief zijn; dat de mens niet belangrijker is dan, zeg, een willekeurige steen. Viel de mens door Darwin al van een voetstuk af, door dít besef zou de gehele grond onder zijn voeten verdwijnen. Onbewust of zelfs bewust zal een deel van de mensen het nihilistische gedachtengoed erkennen, maar het wordt onderdrukt zo gauw het dagelijkse leven zich aan haar opdringt, het wordt onderdrukt door iets dat sterker is dan haarzelf. Precies het determinisme, het ontbreken van een vrije wil, is af te leiden aan het feit dat een mens niet anders kan dan zijn eigen wezen verloochenen, zelfs al is de gedachte van zinloosheid aanwezig. De alledaagse mens leeft in een zelfverzonnen fictie.

Absurdisme, cosmicisme, discordianisme en sofisme

Laten we het alledaagse even buiten beschouwing, dan zijn er natuurlijk tal van mensen die zich hebben beziggehouden met het verschijnsel ‘zinloosheid’. In deze paragraaf wil ik ingaan op enkele filosofieën waarmee ik me in dat opzicht verwant voel.

Het existentialisme kiest er voor bewust een zingeving te creëren. De absurdisten, met Camus als eerste, wijzen echter naar de vlucht weg van het inzicht dat er geen zin is (‘de filosofische zelfmoord’ in Camus’ woorden); iets dat naast existentialisten ook veel andere filosofische scholen en religies te verwijten valt. Het is een vlucht, net als de vlucht in de zelfmoord, om van de ondragelijke spanning af te zijn, maar daardoor verloochent de mens zichzelf. Camus stelt ook dat het lijden voortkomt uit het ‘absurde’: de kloof die bestaat tussen de zinloosheid[11] en de drang van de mens om toch zingeving te vinden. De ‘absurde held’ kiest ervoor het leven te dragen zoals het is, mét het volle besef dat het tegelijk zin-loos is. Hoe deprimerend het ook moge klinken, het wil niet zeggen dat dit puur lijden en ongeluk inhoudt. De absurde held erkent ook gewoon de lusten van het leven, die immers biologisch vastgelegd zijn: ook een absurde held kan genieten. Zijn ongeluk zit dan ook met name in het feit dat hij niet weet wanneer zijn leven eindigt, maar dat hij wel weet dát het eindigt. Camus geeft in zijn werk voorbeelden van mogelijke ‘absurde helden’.

De Amerikaanse begin-twintigste-eeuwse schrijver H.P. Lovecraft ontwikkelde het ‘cosmicisme’, dat echter daarna naar mijn weten nooit door anderen verder is ontwikkeld.[12] Het is dan ook eerder een filosofisch idee, dan een hele filosofie. Het cosmicisme benadrukt de nietigheid en onbelangrijkheid van de mens in het heelal. In feite verschuift het het antropocentrische wereldbeeld naar een wereldbeeld waarin de mens een toevalligheid is, die de rest van het heelal geen moer kan schelen. Mij lijkt dat logisch: de mens is, zoals ik al zei, niet meer of minder waard dan een steen, gezien het begrip ‘waarde’ uitgaat van een antropocentrisch, niet-nihilistisch wereldbeeld. Lovecrafts verhalen laten dit ook zien: buitenaardse en –dimensionale wezens reageren totaal onverschillig op mensen. Het zijn horrorverhalen omdat de mensen in het boek het bestaan van dergelijke wezens niet kunnen vatten (en soms voedsel voor ze vormen) – een uiterste vorm van xenofobie, waar Lovecraft vreemd genoeg zelf aan leed (naast een kolonialistische vorm van racisme). Het was tevens een uiting van zijn misantropie. Al was hij zelf absoluut ongelovig, wetenschappelijk ingesteld en materialistisch (hij bestreed zelfs actief alles wat met bovennatuurlijkheid en kwakzalverij te maken had), hij vreesde dat de mens door te veel te zoeken naar kennis zou stuiten op een niet-te-vatten werkelijkheid, die in de handen van de onwetende mens als een soort dynamiet zou zijn. Hij zegt:[13]

‘The world is indeed comic, but the joke is on mankind.’

en

‘The most merciful thing in the world, I think, is the inability of the human mind to correlate all its contents… some day the piecing together of dissociated knowledge will open up such terrifying vistas of reality, and of our frightful position therein, that we shall either go mad from the revelation or flee from the light into the peace and safety of a new Dark Age.’

Lovecraft stierf al voor Camus zijn eerste filosofische werk had geschreven. Ik ben benieuwd hoe hij zou hebben gereageerd op Camus’ werk. Zou Lovecrafts ‘vista’ het ‘absurde’ kunnen zijn, wanneer dit ook op een wetenschappelijke manier (bijvoorbeeld via theoretische natuurkunde) zou worden bevestigd?[14]

Discordianisme[15] en sofisme zijn in principe anti-filosofieën, ook wel ‘morosofieën’ genoemd. Bij sofisme gaat het om het gelijk halen door zodanig te argumenteren met (schijnbaar) onweerlegbare argumenten, dat de spreker uitkomt bij waar hij wil zijn. Het gaat er niet om de waarheid te vinden: sofisme gaat uit van meerdere waarheden waaruit kan worden gekozen. Het discordianisme lijkt op het eerste gezicht een soort pastafarianisme.  Het pastafarianisme (beter bekend als de aanhangers van het ‘vliegend spaghettimonster’) is een schertsreligie, in het leven geroepen om de onzinnigheid van religies en met name het creationisme te bestrijden. Maar het discordianisme houdt echter het midden tussen een parodie en serieuze filosofie/religie met met name Oosters aandoende elementen. Juist door deze status werkt het verwarrend, en laat het goed zien hoe een mens die zin zoekt totaal in de war kan raken, en dat de grens tussen ongeloofwaardige, bizarre verzinsels en waarheden bijna niet te trekken is. Zo is een geloofwaardig, maar niet per se origineel, beginsel van het discordianisme dat de mens niet anders kan dan door zijn door cultuur en opvoeding gevormde bril te kijken naar de échte werkelijkheid. Door deze brillen (‘grids’) ziet niemand de échte werkelijkheid zelf, maar alleen een door hemzelf gecreëerde versie (vergelijk Plato’s schaduwbeelden[16]).

Niet voor niets worden de Griekse sofisten gezien als de uitvinders van de logica. Zij probeerden stellingen van andere filosofen onderuit te halen, met als enige doel het onderuithalen zelf. Zij worden daarbij ook direct gezien als de uitvinders van de drogredenen. Niet alleen de Grieken hadden sofisten, ook andere culturen, zoals de Chinese, hebben sofistische scholen gekend. Meestal werden ze als subversief beschouwd, maar sofisten zorgden er wél voor dat filosofen scherp bleven en steeds betere bewijzen voor hun stellingen moesten zoeken. Ik noem de sofisten hier, omdat sofistisch denken tevens een antigif kan zijn voor de ‘filosofische zelfmoord’. Ondanks alles, nemen (zoals Camus zegt) bijna alle denkers en mensen opeens een onverklaarbare sprong als het absurde ze te benauwd wordt, en beginnen hun eerder zo logisch klinkende ideeën ongefundeerd richting zingeving en het geloof in een zelfgecreëerde waarheid te trekken.

In deze zin lijkt de mensheid[17], naast het ontkennen van nihilisme en determinisme en het vasthouden aan een ongefundeerd antropocentrisme nog iets te verwijten: de waan dat de wereld en alles door te denken of door onderzoek kenbaar wordt.

Misantropie

Het besef dat er geen waarheid en daarmee al helemaal geen zin te vinden is, maakt het bijna onmogelijk om als persoon richting aan je leven te geven. Camus geeft voorbeelden van absurde helden die ondanks hun besef toch een doel kiezen waarop zij hun leven en hun keuzes kunnen afstemmen. De meeste zijn fictief, maar hij noemt ook Kafka als werkelijk absurde schrijver, aangezien hij zijn gevoelens en besef omzet in verhalen. Kafka’s verhalen zijn eigenlijk uiterst autobiografisch en realistisch: zij leggen bloot hoe Kafka de wereld beleeft, en niet anders kan dan het zo te beleven. De hoofdpersonages in zijn verhalen kunnen niet anders dan meegaan in het lot dat voor ze vast ligt (determinisme!), terwijl de andere personages allen overtuigd zijn van de waarheid van hun bizarre maatschappij die niets te maken heeft met echte ratio. De totaal willekeurige gevoelens en wensen worden als het ware gekoppeld aan een gekozen werkelijkheid die daarna als enige werkelijkheid wordt gepresenteerd, en waarin de hoofdpersonage willoos meegaat. De filosofische zelfmoord van de personages wordt akelig zichtbaar door Kafka aan het licht gebracht. Wat een inzicht! Maar Kafka geeft ook blijk van misantropie, zoals de meeste mensen die sterk te lijden hebben onder de misstanden waarvan ze inzien dat de mensheid de collectieve veroorzaker is.

Ook een dergelijke misantropie is niet iets nieuws. Het is bijvoorbeeld gangbaar in de donkere en pessimistische culturele uitingen. Zie bijvoorbeeld tekst uit Ænema van de progressieve band Tool:

Some say the end is near.
Some say we’ll see Armageddon soon.
I certainly hope we will cause
I sure could use a vacation from this
Stupid shit, silly shit, stupid shit…

(…)

Cause I’m praying for rain
And I’m praying for tidal waves
I wanna see the ground give way.
I wanna watch it all go down.
Mom, please flush it all away.
I wanna see it go right in and down.
I wanna watch it go right in.
Watch you flush it all away.

Time to bring it down again.
Don’t just call me pessimist.
Try and read between the lines.

De laatste twee regels duiden interessant genoeg op een mogelijke uitkomst, wellicht op het continu herhaalde ‘learn to swim’ in de overige tekst. Dat zou erop kunnen wijzen dat de armageddon in dit nummer gezien moet worden als een puur symbolische purgatie van de menselijke onhebbelijkheden, als een zondvloed, waarna de mensheid weer herstelt is van zijn morele ziekte.

Een ander mooi voorbeeld komt van een andere progressive rock-band, Blackfield, in het nummer The End of the World:

We are hopeless and slaves to our fears
We’re an accident called human beings

(…)

In your room doing nothing
But staring at flickering screens
Streets are empty, but still you can hear
Joy of children turning to tears

Disease hides around every corner
Quiet, lay still
Wait for a moment to hear
We forgot what is touch, what to feel

It’s the end of the world
The end of the world
It’s a prison for dreams and for hopes
And still we believe there is God
It’s the end of the world
The end of the world
We’re dead but pretend we’re alive
Full of ignorance, fools in disguise

Ook in dit nummer gaat het om een op ons zelf afgeroepen armageddon. De laatst geciteerde regel kan duiden op het eerder geformuleerde idee dat de mens in zijn zelfgeschapen fictie leeft. Ieder weldenkend mens zal erkennen dat de mensheid een ziekte is, een plaag of een ramp als wordt gekeken naar de aantasting van de aarde en de mensheid zelf. Het mag gezegd worden in een depressieve bui, als klacht, in een songtekst, maar het vormt tegelijkertijd misschien wel het grootste taboe van de mensheid: er zal geen machthebber of politicus, geen belangenorganisatie of club, geen leraar of wetenschapper zijn die de ondergang van de mensheid bewust als doel zou poneren: een algehele armageddon uit wraak op de mensheid die zichzelf en de aarde vernietigt. Diezelfde aarde en mensheid vernietigen is natuurlijk ironisch, maar het behouden van de aarde en de natuur exclusief de mensheid is natuurlijk wel een mogelijkheid. Ik ken geen voorbeelden uit de praktijk, maar denk aan Dr. Peters uit de film 12 Monkeys, die om deze reden een virus onder de mensen verspreid: mooi selectief.

Ons bewustzijn zou ons redelijk moeten laten denken, wat in een bepaalde mate ook het geval is. Het is echter antropocentrisme ten top wanneer wordt vergeten dat er grenzen zijn. De gruwelijkheden en de destructie waartoe een mens in staat is, en die ook gebeuren, zijn het bewijs van de zeer beperkte redelijkheid van de mens. En wellicht nog beperkter blijkt deze te zijn, als we uit egoïstisch narcisme denken te weten dat wij de goedheid zelve zijn en alleen de ‘slechte’ anderen de oorzaak zijn van dit onheil. Zo lang mensen het onheil niet willen of kunnen zien of dit verloochenen, zo lang mensen niet willen of kunnen inzien dat ieder mens inclusief zijzelf in staat is tot destructie en gruwelijkheden – zo lang blijft de mens een onredelijk dier waarin het bewustzijn alleen maar een defect, een milieuramp en humanistische ramp inhoudt.

Misantropische mijmeringen zoals hiervoor leiden uiteraard nergens toe, al zou het een persoonlijk inzicht kunnen vergroten, een inzicht dat de ware absurde held op zich moet nemen. Met het volle besef van de monsterlijkheid van de mens zal hij moeten doorleven. Tegelijk moet niet worden vergeten dat de mens ook tot ‘goede’ dingen in staat is, en mag hij genieten van de vruchten die dat afwerpt, al blijft de optelsom negatief, en zal de absurde held naast zijn eigen onvermijdelijke dood, ook de zelfverkozen dood van de mensheid moeten inzien.

Luiheid

Terug naar de onmogelijkheid richting aan het leven te geven. De combinatie misantropie-nihilisme/determinisme leidt bij mij tot een haast onontkoombare luiheid. Als er geen zin bestaat en alles niet anders kan lopen dan dat het loopt, hoe moet ik dan een doel kiezen? Het leidt al snel tot besluiteloosheid en verlamming. Want als mijn gevoel of gekozen doel de ene dag het ene kiest en de andere dag het ander, welke dag is dan beter geleefd? Als een gekozen doel me na een tijd verveelt en niet direct leidt tot bevrediging van het gevoel, waarom zou ik mij daaraan moeten vasthouden?

Op een lager (dat wil zeggen, praktischer) niveau zegt mijn gevoel dat ik bepaalde dingen moet doen om aan geld, aan liefde en aan luxe en bevrediging te komen, al is het maar vanwege mijn kinderen en dierbaren, en om het leven vol te kunnen houden. Daarbij ben ik ondanks alles onderhevig aan een zware sociale druk. Maar mijn overtuiging zegt dat het allemaal toch geen zin heeft, dat het allemaal om het even is wat ik doe en voel ik me overgeleverd aan de grillen van mijn directe behoeften. Voel ik me fit en vrolijk, dan lukt het me om te werken aan een gekozen doel. Voel ik me moe of heb ik behoefte aan bevrediging van allerlei lusten, dan is er niks dat me werkelijk weerhoudt daaraan toe te geven, want waarom zou ik niet mogen genieten van het enige leven dat ik heb? Het leven doorbrengen met taken waarin ik eigenlijk niet geloof en die op den duur leiden tot onvrede: waarom zou ik? Waarom zou ik een mensheid helpen waarin ik niet geloof? Als ik arme mensen rijk maak: wat gaan zij dan vervolgens met dat geld doen? Als ik zieke mensen beter maak: wat gaan deze gezonde mensen doen? Waarom een mensheid in stand houden die zichzelf toch weer kapot maakt? Dat is voor mij geen morele vraag, maar een wellicht onoplosbare vraag naar kennis.

Liefde en gevoel

Ik doneer aan en ben lid van allerlei goede doelen die te maken hebben met milieu en het voorkómen en tegengaan van door mensen veroorzaakt menselijk leed. Ik kan simpelweg niet goed tegen menselijk leed en tegen de aantasting van het milieu. Het maakt me verdrietig en geeft me een gevoel van hulpeloosheid. Door steun aan goede doelen hoop ik dit leed en deze vernietiging tegen te gaan en helpt het me mezelf minder schuldig te voelen. Ook als het toch mis gaat, kan ik in elk geval zeggen: aan mij lag het niet, ik heb mijn best gedaan. Het heeft in die zin ook een egoïstische reden. Maar wat is ‘mijn best’? Er is voor mij een duidelijke grens: zo gauw werken aan een ‘betere’ wereld mijn eigen leefcomfort aantast, stop ik ermee. Het kan gaan om te veel verlies van tijd of geld of om depressieve gedachten die bijvoorbeeld echt activisme met zich mee kan brengen. Bovendien, en daar ging het in dit essay steeds om: ik geloof niet in een transcedente goedheid, dat het helpen van mensen leidt tot een grotere mate van ‘goedheid’. Als ikzelf lijd onder het helpen van mensen, dan verwissel ik alleen het ene leed met het andere. Als ik een mens uit zijn problemen haal – wat gaat hij dan met zijn leven doen? De aarde mee helpen vernietigen? Andere leed berokkenen? Leven zelf in deze maatschappij berokkent anderen automatisch leed. Deelnemen aan onze maatschappij is alleen mogelijk als je meegaat in zijn wetten en mechanismen, en die wetten en mechanismen leiden nu eenmaal tot leed, bijvoorbeeld vanwege het kapitalistische systeem dat geld centraal stelt en niet het menselijk welzijn of het milieu[18]; of door het strafsysteem dat nog steeds met name uitgaat van wraak en in mindere mate van voorkóming van verder leed. Ik kan niet anders dan schuldig zijn aan leed. Daarbij ben ik ook egoïstisch en zoek mijn comfort, wat ongetwijfeld leidt tot weer verder leed en verdere vernietiging. Vernietiging en het veroorzaken van leed is inherent aan de mensheid en ook aan de mens zelf.

Het determinisme stelt dat de mensheid is zoals hij is, en niet anders kán dan zo zijn. Het ligt in het feit dat wij ook gewoon dieren zijn zonder vrije wil. Alle goede dingen ten spijt: na duizenden jaren ‘cultuur’ vol leed en vernietiging, zal de mensheid hier nooit opeens van verlost zijn door zijn goedheid. Het is naïef te denken dat de mens daartoe in staat is. Maar de mensheid is juist door zijn onnozelheid, zijn idee dat hij goed is, of goed kan zijn, ook niet echt schuldig. Zoals Rousseau al het kind als onschuldig wezen zag, zo kan eigenlijk de gehele mensheid als onschuldig gezien worden. Elk mens zal denken dat hij zijn best doet, goed doet, of in elk geval dat zijn intentie goed is. Een mens heeft een leven gekregen en zit opgescheept met de tijd waarin hij niet anders kan dan handelen – en hoe kan hij anders handelen dan volgens zijn ingebeelde doel of gevoel van goedheid?

En dat is hoe ik van mensen kan houden: als slachtoffers van hun eigen onnozelheid, als individuen die het goed bedoelen en niet anders kunnen dan voortleven. En zo houd ik ook van mezelf. Het is zoals de liefde voor een huisdier of een klein kind. Het is een schrale, maar onwrikbare liefde waar ik moeite voor moet doen, maar die mijzelf met de mensheid en de natuur in verzoening brengt.

De praktijk – een conclusie

Maar wat betekent dit alles voor mij? Hoe leef ik, hoe handel ik? Mijn nihilistische en deterministische overtuiging impliceren voor mij dat er geen transcendent doel bestaat. Het feit dat ik leef en de tijd moet doorkomen, het feit dat ik een dier ben, zorgen er echter voor dat ik ondanks het ontbreken van een doel of een zin, toch handel en leef. Ik ben echter wel in staat mezelf een doel te stellen, op een lager niveau, wetende dat dit doel niet ‘heilig’ is, dat ik het zelf heb gecreëerd en er altijd vanaf kan wijken, dat het een illusie is, maar het desalniettemin kan proberen na te streven: voldoen aan de (minimale) eisen van de maatschappij om persoonlijke problemen te voorkomen – hoe onzinnig, destructief of leedmakend deze ook zijn; daarbinnen proberen menselijk leed (inclusief dat van mezelf) en verdere destructie van het milieu te voorkomen. Het is een absurd doel, misschien wel even bizar als de verhalen van Kafka, maar het is een menselijk doel. En ik kan niet anders dan toegeven dat ik een mens ben met dat brein dat ons heeft gemaakt tot wat we zijn: het meest absurdistische dier dat thans bestaat.

(20 maart 2018)

Noten van: Het absurde verlangen – het verlangen naar het absurde

[1] Voor deze en volgende citaten uit dit boek is de oude, vertaalde editie uit 1962 van Uitgeverij de Bezige Bij, Amsterdam, gebruikt – omdat ik die toevallig in bezit heb. Vandaar ook de typische jaren ’60-spelling. (Vertaling door C.N. Lijsen)

[1] http://indepressie.nl/forum/lucht-uw-hart/32390-een-hekel-aan-andere-mensen (geciteerd op 19-7-2016)

[2] Albert Camus, De Myte van Sisyfus. Vert. C.N. Lijsen. De Bezige Bij, Amsterdam, 1962. Pag. 33.

[3] Sindsdien ben ik dan ook een tegenstander van de stelling dat zelfmoord laf of makkelijk zou zijn.

[4] Dat ik mezelf ook af en toe schuldig maak(te?) aan deze filosofische zelfmoord, blijkt wel uit de Kierkegaardachtige conclusie in mijn korte essay Een vrijdenkexperiment: existentialisme.

[5] Zie voetnoot 2. Pag. 73. Vgl. pag. 78: ‘Hij [de absurdist] wil weten of het mogelijk is, te leven zonder zich ergens op te kunnen beroepen.’

[6] Idem. Pag. 76. Ik ben me er overigens van bewust dat ik veel citeer. Hopelijk ziet de lezer dit niet als luiheid, maar als de mate waarin Camus’ woorden (in eerste instantie onbewust) mijn huidige denken en levensbeschouwing heeft beïnvloed.

[7] Idem. Pag. 81.

[8] Idem. Pag. 87.

[9] Idem. Pag. 92/93.

[10] Idem. Pag. 96.

[11] Idem. Pag. 133/134.

[12] Idem. Pag. 134.

[13] Hij gaat niet in op muziek, behalve met deze alleszeggende opmerking: ‘Als er één kunst is waar niets uit te leren valt, dan is het wel deze. Zij is te zeer verwant aan de wiskunde, om niet iets van de doelloosheid daarvan over te nemen.’ (Idem. Pag.139)

[14] Over Dostojewski’s werk Demonen trekt hij de conclusie: ‘Er is hier geen sprake van een absurd werk, maar van een werk dat het probleem van het absurde stelt. Dostojewski’s antwoord is de verootmoediging (…). Een absurd kunstwerk daarentegen geeft geen antwoord, ziedaar het verschil.’ (Idem. Pag. 156)

[15] Uiteraard dient men hier ‘moet’ te lezen in de zin van ‘hij kan niet anders’ – niet als een metafysische plicht – dat zou namelijk wijzen op het afwenden van de absurde gedachte.

[16] Idem (bron). Pag. 158/159.

[17] Idem. Pag. 163.

[18] Sysiphus was een door de goden gestrafte man die in de hel eeuwig opnieuw een steen een heuvel op moest rollen – een steen die steeds vlak voor de top weer naar beneden rolde. Camus ziet de teruggang van de gestrafte naar beneden als het moment dat hij bewust is van het absurde (zoals een arbeider opeens de nutteloosheid van zijn werk in kan zien op weg naar het werk).

[19] Idem. Pag. 171.

[20] Idem. Pag. 133.

[21] ‘Zou’ ja – het is wellicht aan een ander dit initiatief op te pikken, lui als ik ben.

Noten van: De liefdevolle misantroop: een absurdistisch dier

[1] Ik wil hiermee geen filosofisch of psychologisch onderscheid in ikken maken, daar heeft Sartre al tot mijn hoofdpijn aan toe over geschreven in zijn La Transcendance de l’Ego.

[2] Ik ga niet in op de discussie over het mogelijke verschil tussen een bewustzijn en een ‘automatisch handelen’, zoals van de meeste dieren wordt verwacht dat ze dat doen. Ik vind dit onderscheid naïef en tekenend voor een antropocentrisch wereldbeeld. De mens is net zo goed een dier; het bewustzijn is een schijnvertoning, waar ook mensen als Daniel Denett en Susan Blackmore ons geheel terecht op wijzen.

[3] Uiteraard gaat het om een filosofische overtuiging, niet om een biologische of psychologische ‘zin’. Ook ik heb zin in friet of streef ernaar op tijd de trein te halen.

[4] Zie verder mijn essay Het absurde verlangen – het verlangen naar het absurde.

[5] Albert Camus, De Myte van Sysiphus, pag. 32.

[6] En dan bedoel ik de met de nieuwste inzichten aangepaste versie.

[7] Het is in feite een theorie, maar het gaat om het woordje ‘maar’.

[8] Toevoeging van mij: ‘met de mens als eindpunt’.

[9] Zie voor een goed uitgeschreven bestrijding van deze misvatting Susan Blackmores boek The Meme Machine.

[10] En, denk ik, de meeste niet-westerse mensen evengoed, gezien het feit dat de meeste ‘gelovigen’ in het oosten kiezen voor de minder extreme en praktischere vormen van Boeddhisme en dergelijke.

[11] De zinloosheid wordt door Camus gekenmerkt door de aanwezigheid van slechts één zekerheid: de dood. Hij kan niet geloven in een eeuwig leven: ook geloof in een eeuwig leven is een vlucht weg van het besef van de zinloosheid.

[12] Update 23-9-2018: inmiddels heb ik begrepen dat zijn gedachtegoed zeker nog of zelfs opnieuw voortleeft, ook in de filosofie – zoals in de filosofie van Timothy Morton, met zijn concept ‘hyperobjecten’.

[13] Voor het gemak opnieuw opgezocht door mij via goodreads.com.

[14] Wat een interessant paradoxaal gegeven zou zijn: de wetenschap zou zo zijn eigen bestaan als een illusie definiëren.

[15] Ook de patafysica van Alfred Jarry is een goed voorbeeld van een morosofie, waarbij niet duidelijk is in welke mate het serieus moet worden genomen. Jarry zelf nam het in elk geval dermate serieus dat hij er ‘waanzinnig’ van werd (of juist niet?). De patafysica gaat ervanuit dat er geen algemeen geldige wetten zijn, maar juist enkel uitzonderingen. Zie ook de eraan verwante filosofie van Gilles Deleuze.

[16] De kwestie dat er gekozen zou moeten worden tussen een dualistische of monistische ontologie, terwijl mijns inziens de oplossing ligt in een ‘pseudo-dualistische’ ontologie, is overigens een apart essay waard – ik zal er hier daarom niet verder op ingaan.

[17] Dat wil zeggen, de mensheid begrepen als een maatschappelijke, pragmatische consensus.

[18] Een kapitalist zal zeggen dat de bepaalde economische processen zoals marktwerking zal zorgen voor een betere leefwereld en ook een beter milieu, maar dit mechanisme blijkt in de praktijk maar zelden daadwerkelijk tot deze effecten te leiden, met name omdat de mens nu eenmaal een egoïstisch en corruptief karakter heeft