Introductie en nieuws

Op deze website publiceer en herpubliceer ik mijn creatieve teksten, zoals columns, verhalen, artikelen en essays. Het archief van teksten en de literaire agenda worden nog verder uitgebreid en uiteraard verschijnen er geregeld nieuwe teksten. Je kunt de brouwerij volgen op Facebook (onder de naam ‘dewoordenbrouwerij’). Kijk voor meer informatie op deze pagina. Veel leesplezier!

Nieuws

Alle artikelen van mijn oude weblog Lezen-kijken-luisteren staan nu op deze website. Ik schreef hier enkele jaren artikelen die het midden hielden tussen recensies en analyses, met name over boeken en films, maar bijvoorbeeld ook soms over andere culturele uitingen als tentoonstellingen of spellen. Enkele tips:

In ongenade

In ongenade

Vanavond is er weer een boekverfilming op tv: Disgrace van het gelijknamige boek van Coetzee (Ned. In ongenade). Een van mijn favoriete acteurs, John Malkovich, speelt daarin mee. De 6,6 op het IMDb geeft aan dat het niet gaat om de beste film aller tijden. Toch heeft het boek waarop het gebaseerd is de hoogst te behalen literatuurprijs gewonnen: de Booker Prize. Na de publicatie heeft Coetzee zelfs de Nobelprijs voor de literatuur gewonnen. De film had ik al eens gezien, maar nu heb ik toevallig ook net het boek gelezen.

Slecht vond ik het boek zeker niet, ik vond het zelfs een goed boek, maar op lange na niet het beste boek dat ik gelezen heb. Over smaak valt niet te twisten, maar ik zou toch graag willen weten hoe het kan dat ik (en elke andere lezer) bepaalde boeken goed vind en andere niet – en hoe het kan dat er boeken zijn die als pulp bekend staan die ik geniaal vind, terwijl er ook klassiekers zijn waar ik niks mee kan. Natuurlijk vind ik ook veel pulp slecht en veel klassiekers goed, maar waar ligt dat allemaal aan? En wie beslist wat lectuur is en wat literatuur?
Over die laatste vraag zijn al boeken vol geschreven. Het is zelfs al interessant om gewoon op de Nederlandstalige Wikipedia te kijken bij dit lemma. Enkele woorden waarvan ik denk dat ze terecht vaak aan literatuur worden verbonden zijn: universeel, elitair, artistiek en consensus (of canon). Ik ben er van overtuigd dat onder andere deze aspecten óók kunnen verklaren waarom de ene persoon, zoals ik, een bepaald boek wel leuk vindt en de ander niet.
Natuurlijk, ‘literatuur’ is een onvaste term, net zoals ‘kunst’. Maar de betekenissfeer die om de term hangt, kan wel gebruikt worden om te begrijpen hoe mensen literatuur (en kunst) ervaren. Veel onbegrip en verwarring ontstaat in elk geval omdat (groepen) mensen allemaal een andere, eigen definitie hanteren met het zwaartepunt op één of enkele aspecten. Veel mensen benadrukken bijvoorbeeld dat kunst ‘mooi’ moet zijn en literatuur ‘iets met de lezer moet doen’.

Terug naar het boek. De schrijver, John Maxwell Coetzee, komt uit een elitair te noemen familie: een blank (oorspronkelijk Nederlands) gezin in Zuid-Afrika. Hij studeerde in Kaapstad en was universitair docent in Amerika en Zuid-Afrika en verbonden aan een Australische universiteit. Hij is nu officieel een Australisch staatsburger. Hij is onder andere dierenrechtenactivist, vertaler, schrijver, onderzoeker en politiek activist. Een wetenschapper die veel van de wereld heeft gezien en veel weet van literatuur, een uitermate geschikte schepper van ‘literatuur’.
In ongenade gaat over de tijd na de apartheid – een tijd die door de overwinning van de ANC en met de instelling van de Truth and Reconciliation Commission (TRC) wordt gezien als de bevrijding van Zuid-Afrika en de omzetting naar een democratie. In ongenade wordt door velen gezien als een kritiek op de TRC en het al te rooskleurig voorgestelde plaatje van Zuid-Afrika na de apartheid – niet alleen door een beeld te schetsen van de wereld in deze periode (is het inderdaad wraak op de blanken dat de drie gekleurde Afrikanen ertoe drijft een blanke, zelfstandige, ‘boertje spelende’ en lesbische Afrikaner te verkrachten?) maar ook door een allegorie te scheppen. De hoofdpersoon, de letterkundige professor David Lurie, maakt misbruik van zijn positie om zijn seksuele behoeften te bevredigen; de gevolgen laat hij over zich heenkomen, hij valt ‘in ongenade’ bij de universiteit en verbant zichzelf naar de boerderij van zijn dochter. Daar verliest hij alles wat hem nog rest, zelfs de grip op zijn dochter die niet wil dat hij haar beschermt. Hij vlucht in een nieuwe, innerlijke identiteit door zichzelf te zien als de schrijver van een tot mislukken gedoemde opera over Byron en als de begenadiger (lees: beul) van asielhonden.
Ik waag me niet eens aan de complexe symboliek en verwijzingen in het boek: het vermoorden van de honden door de gekleurde Afrikanen, het feit dat de geliefde van Byron de plaats van Byron zelf in de opera verdringt; de verschillende verhoudingen tot vrouwen bij David Lurie; de veranderende erfafscheidingen met de gekleurde ‘compagnon’ en uiteindelijk ook ‘beschermend echtgenoot’ van Luries dochter, die tegelijkertijd een van haar verkrachters huisvest.

Het valt niet te ontkennen dat het boek universeel is. Het behandelt universele thema’s en gebruikt daarbij literaire trucs als allegorie, intertekstualiteit en een keur aan motieven. De lezer moet deze artistieke trucs herkennen en hun betekenis snappen om het boek tot zijn volste recht te laten komen. Daarmee komen we tot wat veel ‘literatuur’ problematisch maakt – het feit dat dergelijke boeken door veel mensen ‘saai’ of ‘onbegrijpelijk’ worden gevonden. In ongenade bevat bijvoorbeeld een zogenaamde ‘lokale’ laag die de ‘universele’ laag afdekt en daar ook een allegorie vormt, namelijk de tijd en de problemen van de post-apartheid. Een lezer, zoals ik, die daar weinig van af weet, zal de diepere laag van het boek daardoor grotendeels missen, en het boek wordt voor dergelijke lezers een wat saaie bedoening ‘over politieke toestanden’ of over ‘een onethische man’ – los van de duidelijk primaire emotionele lading, zoals de neergang van David Lurie en de verkrachting van diens dochter, en los van zaken als schrijfstijl, die het alsnog tot een goed leesbaar en aangrijpend boek maken.
Uitgaan van de intelligentie en kennis van je lezer is zeker elitair te noemen. En daarmee komen we ook tot de term consensus. Onder de groep mensen die het boek goed begrijpen, zitten uiteraard letterkundigen en andere intelligentsia – en het is deze groep die dergelijke boeken het stempel ‘literatuur’ meegeven.

Terug naar af. Waarom zulke ingewikkelde boeken schrijven als een grote groep mensen ze niet (helemaal) snapt? Wat is er tegen een spannend, oppervlakkig boek? Daar is niks tegen, zou ik zeggen, maar het zou dan geen ‘literatuur’ te noemen zijn. En daarbij: als ik een boek lees waarvan ik de diepere lagen snap en ‘ontdek’, geeft mij dat een verdergaande voldoening dan als die laag er niet is. Wellicht is er een groep lezers die dat niet nodig heeft (en ook ik wil wel eens een simpel, licht boek lezen ter ontspanning), maar voor de lezers die zowel voldoening, inzicht en kennis uit boeken willen halen, is ‘literatuur’ zeker een goede optie. Het probleem blijft dat het niet altijd duidelijk is hoeveel er in een boek gestopt is. Een lezer kan zelfs dingen uit een boek halen die de schrijver er niet bewust in heeft gestopt. Dat is bijvoorbeeld het geval met pulp die later cult of zelfs literatuur wordt – boeken die een goed tijdsbeeld geven of een prototype beeld van een bepaald genre, of een boek dat op zijn beurt vaak wordt ‘gebruikt’ in andere boeken via intertekstualiteit.

Het gaat er voor mijzelf niet om of iets is bestempeld als literatuur (hoewel klassiekers vaak wel worden aangehaald en alleen daarom al op mijn leeslijst staan), maar om hoeveel ik ervan kan genieten: door de stijl, door originaliteit, door de spanning én door wat ik er verder uit kan halen, zoals kennis en inzicht.

In ongenade      door J.M. Coetzee

(Cossee, Amsterdam, 2009, vert. door Joop van Helmond en Frans van der Wiel; oorspr. Disgrace, Secker & Warburg, Londen?, 1999)

Disgrace – 2008   Regie: Steve Jacobs; Screenplay: Anna Maria Monticelli; Acteurs: John Malkovich, Natalie Becker, Jessica Haines; IMDb-cijfer: 6,6

(Lezen-kijken-luisteren, 2012)

The Meme Machine

The Meme Machine

A Treatise of Human Nature (David Hume), De revolutionibus orbium coelestium (Nicolaus Copernicus) en The Origin of Species (Charles Darwin) – drie werken die een revolutionaire invloed hebben gehad op ons mens- en wereldbeeld. En allemaal minpunten voor de Wonderen Gods en het Menselijk Ego. Maar ook in deze tijd zijn er nog werken die ons nog meer doen beseffen dat de mens niet zo bijzonder is als hij graag denkt. The Meme Machine is er ongetwijfeld een van.

Eigenlijk zijn er twee bewegingen in de westerse geschiedenis belangrijk als je kijkt naar het mensbeeld. Na de middeleeuwen, en zeker na de renaissance, worden mensen steeds meer gezien als individuen –wezens met het recht op een eigen wil, eigen keuzes en eigen ideeën. Daarvoor stond de mens in het teken van de samenleving als geheel en als een tijdelijke ‘mindere’ ziel van de tijd voor het hiernamaals.
Daartegenover staat een andere beweging. De mens was eerst het hoogste wezen, een goddelijk wezen dat hoog boven de mindere wezens stond, het ultieme wezen waar alles om draaide en dat het sluitstuk van de schepping was, een wezen met een bewustzijn en een ziel. Onder andere de hiervoor genoemde werken hebben dát idee steeds meer naar beneden gehaald.

De wetenschap heeft al veel sprookjes de wereld uit geholpen, maar tot nu toe bleef één ding onverklaard: het Self (zoals Susan Blackmore het noemt), het gevoel dat ik iets ben, en dat ik dat zelf ben – dat ik meningen heb en keuzes maak. Natuurlijk, er zijn genoeg wetenschappers en filosofen geweest die, net als Blackmore, hebben voorgesteld dat dit wel moet berusten op een waanidee: hoe kan een abstracte geest, een gevoel, een ziel – of hoe je het ook noemt – verbonden zijn aan een fysiek lichaam, aanwijsbare neuronen en zintuigen? Dit probleem staat al eeuwen in de filosofie bekend als het probleem van de ‘dualistische kloof’. Alle dualistische filosofen en pseudowetenschappers zijn er eigenlijk nooit in geslaagd dit probleem echt op te lossen. Wetenschappers hebben echter vaak verondersteld dat dit niet zo is, maar nooit kunnen verklaren waar die illusie dan vandaan komt.

Eigenlijk heb ik nu Blackmores boek flink gespoild: een van de conclusies van haar theorie is dat de menselijke Self helemaal niet bestaat. Maar hoe komt ze tot deze conclusie? Zij werkt in The Meme Machine het idee van Dawkins uit dat er zoiets is als een ‘universeel darwinisme’ – hiermee bedoelt Dawkins dat het mechanisme achter genetische evolutie óók op andere entiteiten dan genen toe te passen zou moeten zijn, als er aan enkele voorwaarden wordt voldaan, namelijk: variatie, selectie en retentie (zeg maar ‘overerfbaarheid’). Als voorbeeld geeft hij een nieuw begrip: ‘memen’ – ideeën en andere uitingen die als het ware evolueren via mensen, maar ook via boeken en andere culturele uitingen, internet, et cetera.
Wat Blackmore betoogt, is dat deze memen los moeten worden gezien van de genetische evolutie – iets dat volgens haar nog niet is doorgedrongen in vakgebieden als de sociobiologie. Haar boek is ten eerste een betoog waarom memen als onafhankelijk moeten worden gezien; ten tweede geeft ze erg overtuigende voorbeelden van de kracht van de memetiek om allerlei tot nog toe niet of onbevredigd verklaarde zaken te verklaren, compleet met voorstellen hoe dit experimenteel te testen. Voorbeelden die ze geeft zijn het ontstaan van onze monsterlijk grote hersenen (biologisch gezien erg onhandig), het bestaan van taal, religies en andere ideologieën, het idee en de praktijk van anticonceptie en het Self. Ze bewaart dit laatste tot het laatst.
De overtuigde lezer verrast ze op een nogal ontgoochelende conclusie: de mens is niet alleen gewoon een dier (zoals Darwin bewees), maar heeft daarbij niet eens een zelfbewustzijn. Wat wij ervaren als een ‘zelf’ is niks anders dan een door memen gecreëerde illusie. Niet dat memen dit bewust doen – het is niks anders dan een logisch bijeffect van de struggle of life van de memen – iets dat ‘per ongeluk’ is ontstaan, maar desalniettemin ons wereld- en mensbeeld heeft bepaald.

Blackmore staat zelfs stil bij de consequenties van de zo opgeworpen existentialistische vraag:

What then am I to do? I feel as though I have to make a choice – to decide how to live my life in the light of my scientific understanding. But how do I do that if I am nothing but a temporary conglomeration of genes, phenotype, memes and memeplexes. If there is no choice, how am I to choose?

Zij geeft als oplossing een soort mindfulness, een manier om het Self te onderdrukken. Zij betoogt dat dit Self de oorzaak is van vervelende zaken als oorlog, onrechtvaardigheid en andere nare dingen. Een soort go with the flow veroorzaakt volgens haar een heel wat vrediger en rustiger wereld – en een rustiger hoofd. Wat mij betreft had ze mogen stoppen bij de haar opgeworpen existentialistische vraag en niet voor de lezer moeten invullen wat hij met de informatie moet doen (een kwaal die eigenlijk vooral kenmerkend is voor de meeste filosofen) – maar het boek blijft sterk genoeg.

Ben je een ras-scepticus zoals ik, en erger je je ook aan het Ego van de Mensheid? Dan is dit boek een goede medestander.

The Meme Machine      door Susan Blackmore

(Oxford University Press, Oxford, 2000)

(Lezen-kijken-luisteren, 2012)

District 9

District 9

Foto: filmstill uit District 9

1982: meer dan 60.000 mensen worden uit de stadsregio ‘district 6’ in Kaapstad verwijderd, en verplaatst naar de zogenaamde Kaapse Vlakte, een soort woestijn 25 kilometer buiten de stad. Het was de tijd van het apartheidsregime, en een melting pot-regio paste daar uiteraard niet in. Gekleurde stadsbewoners werden dus simpelweg verbannen. Regisseur Blomkamp heeft dit gegeven uitgewerkt in een film – maar zeker niet op een clichématige manier.

Allereerst is er de stijl: de film begint als was het een documentaire, een format dat bekend staat als ‘mockumentary’ of ‘docufiction’. Het deelt eigenschappen met de door mij eerder besproken ‘found footage’-films, maar is vrijer van vorm – zo mist het mystificatiekarakter en het feit dat het allemaal op één opnameband zou staan. De term ‘docufiction’ wordt vaker gebruikt voor (politieke) films met een boodschap, maar desondanks is de vorm in deze film opmerkelijk. Al vrij snel zijn er namelijk ook scènes in de stijl van een normale (actie)film, en deze worden steeds frequenter totdat de documentairescènes geheel verdwenen zijn. Daarnaast wordt het docufilmformat gewoonlijk met name gebruikt om een film realistischer te doen lijken. Ook in District 9 is dat zo. Maar uiteindelijk is de film ook een SF- en actiefilm: de minderheden die leven in de krottenwijk en worden verplaatst zijn namelijk buitenaardse wezens. Het gegeven dat de film deels in een echte krottenwijk is gefilmd, maar bevolkt met CGI-aliens is wat dat betreft tekenend.
Het moge duidelijk zijn dat xenofobie, discriminatie en apartheid het thema van deze film vormen. De buitenaardse wezens worden spottend ‘garnalen’ genoemd, en veel mensen zien hen als ongedierte dat moet worden verdelgd en geen menselijke gevoelens heeft. In de film komen ook mensenrechtenorganisaties voor die opkomen voor de buitenaardse wezens en tegen de uitzetting protesteren. Zie verder de overeenkomsten met het eerder genoemde District 6.
‘Buitenaards wezen’ heeft in de film ook een andere symboolfunctie: de hoofdpersoon is een onmenselijk (lees: onethisch) personage, die door besmetting met buitenaards dna langzaam zelf verandert in één van de buitenaardse wezens waar hij zo onmenselijk mee omging. Hierdoor wordt hij langzamer ook weer menselijker (lees: ethischer). Overigens zijn er meer boeken en films die het gegeven van zogenaamd ‘speciesisme’ (discriminatie van een andere soort) als thema hebben, zoals de film Alien Nation uit 1988.

Met name het originele idee en het begin van de film spraken mij wel aan. Het laatste stuk vond ik echter teleurstellend. Na een origineel en realistisch begin, verwordt de film tot een standaard, niet realistische film, waar de good guys nooit door kogels worden geraakt en de bad guys juist altijd. De Amerikaanse filmcriticus Robert Ebert zegt mijns inziens dan ook terecht:

[The film is to be praised for] giving us aliens to remind us not everyone who comes in a spaceship need be angelic, octopod or stainless steel, [but] the third act is disappointing, involving standard shoot-out action.

Ook inhoudelijk is er kritiek op de film geweest. Wellicht het meest opvallend is dat deze antiracistische film wél Nigerianen in een kwaad daglicht stelt – zij zijn het die in de film als een soort maffia in de krottenwijk opereren en misbruik maken van de buitenaardse wezens. De film werd dan ook in Nigeria niet gedraaid en zelfs verboden.

Het feit dat de film origineel is, blijft hoe dan ook overeind staan. Of dat positief of negatief uitwerkt, is een ander verhaal. Ondanks het slappe einde, denk ik toch dat het de moeite waard is de film te zien.

District 9 – 2009   Regie: Neill Blomkamp; Script: Neil Blomkamp, Terri Tatchell; Acteurs: Sharlto Copley, David James, Jason Cope; IMDb-cijfer: 8,1

(Lezen-kijken-luisteren, 2012)

Saga of the Swamp: Book one

Swamp Thing: Book one

Alweer een tijdje terug (in 2011) schreef ik twee recensies over twee Swamp Thing-bundels. Het boek Dark Genesis bundelde de eerste paar strips van de serie (die van Len Wein en Wrightson). Mijn recensie over deze bundel ging vooral over de oorsprong van het karakter én van de stripreeks. In de recensie over de bundel Saga of the Swamp Thing 2 schreef ik over de geroemde stijl van Alan Moore, die de stripreeks inhoudelijker maakte en op andere manieren vernieuwde.

Waarom dan nu pas een recensie over Saga of the Swamp Thing 1? In de eerste plaats omdat ik die pas nu heb gelezen. Maar eigenlijk komt het goed uit: deze bundel is namelijk te beschouwen als een overgang van de ‘oude’ Swamp Thing – de erfenis van Len Wein en Wrightson – naar een nieuwe en vernieuwende Swamp Thing. Over het eerste verhaal van de tweede Saga (‘The Burial’) zegt Neil Gaiman:

In their day, the Wein/Wrightson Swamp Thing stories were groundbreaking and remarkable works, and anything done with the characters afterwards had always been done in their shadow. This story, in more ways than one, laid that ghost to rest.

Met andere woorden: de eerste Swamp Thing-verhalen van Alan Moore staan nog in de schaduw van de oorspronkelijke bedenkers van het karakter en de verhalen.

Het eerste verhaal van Saga of the Swamp Thing 1 heet ‘Loose Ends’. Alan Moore probeert hier het ‘rommeltje’ van losse verhaaleindes van zijn voorgangers aan elkaar te knopen en laat tegelijkertijd Swamp Thing letterlijk sterven, om hem in het verhaal erop te laten reïncarneren. Op die manier herschept hij hem letterlijk en figuurlijk. Zoals gezegd gebruikt hij dit trucje opnieuw in het eerste verhaal van de tweede bundel. Toch is er een verschil. Nieuw aan de eerste reïncarnatie is dat Swamp Thing van tot monster omgevormd mens verandert in een waar natuurwezen – de verhalen zijn nu ook duidelijk ecologisch en idelastisch: Swamp Thing wordt de beschermer van de (plantaardige) natuur. Hij draagt echter nog de identiteit van Alec mee, de mens waaruit hij voor het eerst is ontstaan. Het is in deze eerste bundel duidelijk dat hij nog met zijn oude identiteit worstelt. Pas bij zijn ‘tweede reïncarnatie’ wordt hij van deze ‘last’ verlost. In nog latere verhalen wordt hij steeds meer en meer een echte ‘elementaal’, een pure natuurkracht. Zijn worsteling met zijn identiteit blijft echter een rode draad in de serie.
Inderdaad zijn het soort verhalen in de eerste bundel van de Saga meer in de sfeer van Len Wein en Wrightson dan in de tweede bundel, hoewel dit geen haarscherpe verandering is, zoals het eerdergenoemde citaat van Neil Gaiman misschien lijkt te veronderstellen.

Inhoudelijk gaat deze eerste bundel van Alan Moores interpretatie van de Swamp Thing ook over het gevecht tussen hem en de ‘Floronic Man’, een mens die geheel plantaardig wil zijn en dit ten slotte ook wordt. Dit wezen wil echter de alleenheerschappij van het plantenleven, maar doet daarbij zichzelf en het milieu om hem heen (dieren, mensen én planten) schade door zijn kortzichtigheid. Natuurlijk moet de Swamp Thing dit voorkomen.

Saga of the Swamp Thing – Book One   door Alan Moore

(DC Comics – Vertigo, 2009; oorspr. DC Comics 1983-1984)

(Lezen-kijken-luisteren, 2012)

Mr. Zombie

Mr. zombie

‘Ik ben dood, maar ik vind het niet zo erg. Ik heb geleerd ermee te leven.’

De openingszin van het boek Mr. Zombie (oorspronkelijk: Warm Bodies) geeft al goed weer dat het hier niet om een ‘normale’ zombieroman gaat. Onder ‘normaal’ bedoel ik de boeken (en films) die voortborduren op de prototype zombiefilms van zombiefilmicoon George A. Romero: verhalen over gedachteloze dode lichamen die door de helden van het verhaal in de pan gehakt dienen te worden, het liefst met zoiets als een kettingzaag. In 1985 verscheen van Romero zelf echter de wat minder bekende film Day of the Dead. In deze film zijn de levende mensen eigenlijk minder sympathiek dan de zombie die ze gevangen houden. Dit gegeven lijkt schrijver Isaac Marion verder uitgewerkt te hebben: zijn boek is geen echte horror, maar een existentialistisch verhaal over een zombie met een identiteitscrisis en een Bildungsroman. De levende mensen in het boek staan op de rand van uitsterven – wellicht door hun eigen toedoen.

De schrijver van deze vernieuwende zombieroman, Isaac Marion, was tot het verschijnen van dit boek een grote onbekende. Hij schreef korte verhalen die hij publiceerde op zijn weblog. Een van deze verhalen, I am a Zombie Filled with Love, trok de aandacht van een literair agent, die Marion aanmoedigde het uit te werken tot een volledige roman. De eerste twee zinnen van het boek stammen duidelijk nog uit het korte verhaal. In dit verhaal legt de zombiehoofdpersoon zich neer bij het feit dat hij een eeuwig ‘leven’ leidt van apathie en zinloosheid. In de roman krijgt de ondode hoofdpersoon, R, echter een soort vonk van levensdrang en ontwikkelt zijn denken zich dermate, dat hij gaat nadenken over wat hij is, en komt hij tot de conclusie dat hij weer wil leven. Dit gegeven zet een verhaal in beweging van ontwikkeling en inzicht – zowel bij de ondode hoofdpersoon als bij de levenden die hij ontmoet. Over dit grote verschil tussen het korte verhaal en de roman zegt Marion:

I think that 180 is mainly due to some personal realizations and epiphanies I had while I was writing the book. My own outlook on life changed radically during that year, going from the ‘the world is going to hell and Jesus is coming back tomorrow so screw it, nothing we do here matters’ mentality drilled into me in my Christian youth to a more conscious, hopeful perspective on the world, and it came out in the story.

Elders in het interview waar dit citaat uit komt, zegt hij:

Oddly enough, despite the post-apocalpytic fantasy setting, Warm Bodies is one of the most autobiographical things I’ve written. My personal transformation that I explained above kind of mirrors what happens to R, who let’s face it, is a character very much based on myself, especially when combined with Perry as his super-ego. (…) In my writing in general, I draw a lot from my archives of real people and real experiences, but Warm Bodies surprised me with how personal it became.

Al begint het boek wat absurd en humoristisch (zie wederom de eerste zin), het ontwikkelt zich tot een vrij filosofisch boek met scherpe waarnemingen over (de zin van) het leven en de positie en omgang van de mensheid op en met zijn wereld. Het geloofwaardig en serieus maken van een zo’n absurd gegeven als zombies heeft Marion waarschijnlijk alleen kunnen bereiken door de door hem genoemde autobiografische en aan de werkelijkheid ontleende aanpak.
Naast de existentialistische thematiek worden ook andere thema’s behandeld, waaronder de betekenis van de culturele erfenis. Is het erg wanneer er boeken, liedjes en kunstwerken verdwijnen of worden vergeten? Draagt deze erfenis iets bij aan ons mens-zijn? Niet voor niks haalt Marion de twee motto’s voor zijn roman uit het Gilgamesj-epos, het boek dat bekend staat als de ‘eerste en oudste’ roman. Een van de motto’s bestaat uit drie puntjes, die staan voor een lege, verloren en dus vergeten fragment uit dit ongelooflijk oude verhaal.

Ten slotte is het zeer opvallend dat het boek eerder filmrechten verwierf dan dat er een boekuitgever voor was gevonden. Het werk is inderdaad erg filmisch geschreven en leent zich denk ik goed voor een verfilming. De film komt in 2013 uit en heeft een mooie cast, waaronder een rol voor een van mijn favoriete acteurs, John Malkovich (als de verdorven generaal Grigio). Kijk hier voor de trailer.

Misschien dan toch nog één minpuntje om af te sluiten. Naar het einde toe wordt duidelijk dat het toch allemaal draait om de liefde. Liefde voor het leven en voor de wereld om je heen. En daarbij mag een echte doornroosjekus niet ontbreken. Een beetje zoetsappig is het wel…

Mr. Zombie       door Isaac Marion

(The House of Books, Vianen, 2011; oorspr. Warm Bodies, Atria Books, New York, 2010)

(Lezen-kijken-luisteren, 2012)

Greven

Greven

Dirkmaat is vooral bekend geworden als redder van de das in Nederland: hij kreeg het voor elkaar de populatie van deze bijzondere en zeer zeldzaam geworden marterachtige wonderbaarlijk te laten toenemen. Hij staat nog steeds bekend als zowel politiek als praktisch voorvechter van het behoud van het Nederlands cultuurlandschap dat zo’n grote biodiversiteit herbergt. In 2001 schreef Dirkmaat samen met Geert van Moll de roman Greven. Die roman lag al lang op mijn plank en heb ik nu eindelijk gelezen. Is Dirkmaat naast groene, politieke activist ook een goed schrijver?

Met zijn 230 pagina’s is het boek niet heel dun, maar ook zeker niet dik te noemen, zeker als je bedenkt dat het verhaal de tijd bestrijkt tussen 1820 en 1990. Voor een dergelijke lange tijd (anderhalve eeuw) is het wellicht te dun. Of niet? Het ligt er maar aan naar welk aspect van het boek je kijkt om hierop een zinnig antwoord te kunnen geven.
Ik vond op school de vraag bij Nederlands ‘wat wil de schrijver met dit boek?’ altijd een beetje onzinnig. Vervelende, saaie boeken waren meestal ideologisch, de leukere boeken gewoon ‘ontspannend’. Bij het boek Greven is deze vraag echter interessant, omdat het naar drie aspecten leidt die het boek allemaal bezit: a) het verhalende aspect (‘ontspanning’), b) het informatieve aspect, en c) het moralistische/politieke aspect.

Om te beginnen met het verhalende aspect, Dirkmaat en Van Moll hebben duidelijk het beroemdste dierenboek uit de literatuurgeschiedenis als voorbeeld genomen: Watership Down van Richard Adams. Er is de kaart van het gebied waarin het verhaal zich afspeelt, er zijn de dassen (‘greven’) die Nederlands praten, denken als mensen en namen hebben als Bardon, Simbroch en Barnster, er zijn natuurbeschrijvingen, er is drama, en – nou ja, op  de achterkant van het boek staat domweg dat het boek lijkt op Waterschapsheuvel.
Wat ook op de achterkant staat is dat het boek echter ‘meer biedt’. Namelijk: ‘Het is tevens een ecologische geschiedenis van het Rijk van Nijmegen in de 19e en 20e eeuw, waarin de gevolgen voor de das van de industrialisering, de bevolkingsgroei, oorlogsomstandigheden en veranderende opvattingen over de jacht en de natuur op een indringende manier worden neergezet.’ Op die ‘indringende manier’ valt wel wat aan te merken, maar verder klopt het als een bus: het is in dit opzicht zelfs een encyclopedische roman te noemen.
Ook het derde aspect wordt achterop het boek genoemd, zei het wat minder direct. Het gaat namelijk óók nog over ‘het ontstaan en de beginjaren van de Vereniging Das & Boom’. En is dat niet stiekem het belangrijkste van het boek? Het verhaal en de informatie lijken – ook tijdens het lezen – vooral bedoeld om de politieke en morele boodschap te ondersteunen: we moeten zuinig zijn met onze natuur, het bescherming bieden in plaats van af te breken.

Ik ben het zeer zeker eens met die boodschap. Dat doet echter niets af aan mijn mening dat het boek – het verhaal – hier onder te lijden heeft. Al zijn de sfeerbeschrijvingen, bijvoorbeeld die van het bronnenbos bij Beek-Ubbergen, en zeker voor een natuurliefhebber, goed geschreven, het verhaal zelf is vooral een herhaling van steeds die rondtrekkende jonge das die steeds de laatste veranderingen (lees: bedreigingen door de mens) ondergaat of aanschouwt. Voor een goed verhaal gaat het daarbij te snel – als lezer kun je je nooit echt goed verplaatsen in de personages. Dit komt omdat het verhaal ondergeschikt is gemaakt aan het informatieve, historische karakter ervan dat een periode van anderhalve eeuw beslaat. Ook het leven op de dassenburchten blijft, ondanks de poging het te beschrijven als in Watership Down, toch vooral informatief van aard.

Al met al wringt het boek, omdat de schrijvers geen goede keuze hebben willen maken over wat ze met dit boek wilden. Voor het verhaal en de leeservaring kun je het laten liggen, wat niet wegneemt dat het een goed beeld geeft van de ecologische geschiedenis van (het zuiden van) Nijmegen en de plaats van de das daarin. Interessant daarbij zijn de twee kaarten in het boek: het betreffende gebied in 1820 en hetzelfde gebied in 1990. Alleen al het vergelijken van deze kaarten is interessant (en erg deprimerend als je wat afweet van landschapsecologie). Als informatief boek is het dan ook beter te verteren.

Greven, lotgevallen van een dassenvolk            door Jaap Dirkmaat en Geert Moll

(SUN, Nijmegen, 2001)

(Lezen-kijken-luisteren, 2012)

The Sandman: Endless Nights

The Sandman: Endless Nights

The Sandman: Endless Nights is een boek met een complexe voorgeschiedenis, maar desondanks goed los te lezen. Ik heb het gelezen omdat het gezien wordt als het sluitstuk van de Sandman-reeks van Neil Gaiman – en die serie had ik al een tijdje compleet en vaak herlezen.

De beroemde stripserie The Sandman heeft nogal wat opschudding veroorzaakt in de stripwereld, met name omdat deze het literaire van de ‘graphic novel’ combineerde met de inhoudelijke en grafische erfenis van de superheldenstrip – en deze erfenis bovendien verbeterde [watchmen2]. Eén van de verhalen uit de reeks was dan ook de eerste strip die de ‘World Fantasy Award – Best Short Fiction’ won, een prijs die eigenlijk niet voor strips bedoeld was. The Sandman heeft aan alle kanten de strip geëmancipeerd en de weg vrij gemaakt voor latere ‘stripexperimenten’.
De stripreeks heeft een grote schare fanatieke fans, vergelijkbaar met ‘trekkies’ en Tolkienfans, en kent ook een eigen subcultuur. Daarnaast is één van de figuren uit de reeks (‘Death’) zelfs verantwoordelijk voor het uiterlijk van goths (de bekende zwarte eyeliners bijvoorbeeld).

Er kunnen hele boeken over The Sandman worden geschreven – en dat is dan ook gedaan (er is zelfs ooit een conferentie over de reeks gehouden) – maar waar het mij hier om gaat, is dat The Sandman tal van spin-offs, side projects, kruisbestuivingen en meer van dat soort zaken heeft veroorzaakt. In die dynamiek past de stripbundel The Sandman: Endless Nights.
Toen de serie af was, werden de losse strips gebundeld in 12 boeken. Elke bundel vormt een verhaal apart of hangt op een andere manier intern samen. De hele reeks is echter te lezen als één complex verhaal, waarbij continu van tijd, plaats en perspectief wordt gewisseld. Toch zorgen alle verhalen samen voor één thema, en dat is de persoonlijke ontwikkeling van Dream, het karakter waar de reeks naar is genoemd. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de laatste normale bundel (11: The Kindly Ones) over de dood van Dream gaat. Nou ja, ‘dood’… Dream is een van de ‘Endless’. Er vindt dan ook een reïncarnatie plaats, vergelijkbaar met die van Gandalf in The Lord of the Rings.
De laatste bundel (12: The Wake) is een epiloog.

Einde van de serie? Nee dus: The Sandman: Endless Nights wordt vaak gezien als een soort ‘meta-epiloog’, al is het een bundel losse verhalen. Eigenlijk laat het zich nog het beste lezen als een proloog. Elk van de Endless krijgt een apart verhaal (ook Dream) en zo wordt als het ware de familie aan de lezer voorgesteld. Aan de ene kant is het een goede manier om kennis te maken met de wereld van Neil Gaiman, aan de andere kant zijn sommige verhalen wat experimenteel, en daarom niet altijd makkelijk leesbaar.
De duidelijkste definitie van wat de Endless nou zijn, staat in het voorwoord van de bundel ‘Brief Lives’:

There are seven beings that aren’t gods. Who existed before humanity dreamed of gods and will exist after the last god is dead. They are called The Endless. They are embodiments of (in order of age) Destiny, Death, Dream, Destruction, Desire, Despair, and Delirium.

De kern zit uiteraard in dat embodiments. Dat verklaart denk ik ook een groot deel van het boeiende van de serie: dat het eigenlijk gaat over de Grote Krachten die altijd en overal aanwezig zijn en het leven van elk mens en elke maatschappij vormgeven, in elke tijd en op elke plaats. ‘Dream’ zelf kan nog het beste worden opgevat als de creatieve kracht of de kracht van de fantasie.

The Sandman: Endless Nights was het eerste stripboek dat op de ‘New York Times Bestseller List’ kwam en het won de ‘Bram Stoker Award for the Best Illustrated Narrative’. Zelf vind ik de verhalen niet allemaal even sterk. Er is echter één verhaal dat ik erg sterk vond, en op zichzelf misschien ook het label ‘best illustrated’ verdient: in ‘Fifteen portraits of Despair’ ziet de lezer via een reeks expressionistische schilderijen hoe Despair het leven ervaart, of beter: vormgeeft. Ik vond het haast beangstigend, maar erg knap hoe de miniverhaaltjes in deze ruwe tekeningen en collages mij kippenvel deden bezorgen en me in de wereld van de wanhoop meenam. Elk van de verhalen uit de bundel probeert ons de betreffende Grote Kracht te doen voelen, maar dat is veruit het beste gelukt in het verhaal van Despair.

Naschrift (21-11-2017):
In 2015 (drie jaar na bovenstaande artikel) is er dan écht het laatste deel van Sandman verschenen (als bundel): The Sandman: Overture. Qua verhaal maakt het de reeks cyclisch van aard: het is zowel het eerste als laatste deel. Zie mijn minirecensie op Goodreads.

The Sandman: Endless Nights   door Neil Gaiman

(Vertigo (DC Comics), New York, 2003)

(Lezen-kijken-luisteren, 2012)

Zomerhuis met zwembad

Zomerhuis met zwembad

Zoals ik al weleens eerder heb geschreven, ben ik over het algemeen geen grote fan van Nederlandse literatuur. Wellicht is mijn recensie over Omega minor een goed voorbeeld van hoe ik de standaard Nederlandstalige literatuur ervaar. Hoewel Zomerhuis met zwembad niet mijn lievelingsboek zal worden, zijn er toch een aantal elementen waarvan ik heb ‘genoten’ als lezer.

Het boek gaat over een huisarts, Marc Schlosser, die voor het medisch tuchtcollege moet verschijnen. Het eerste gedeelte van het boek wordt vooral gevormd door een monoloog van de huisarts die op een neerbuigende manier naar allerlei ‘patiënten’ kijkt. Dit deel is vooral goed leesbaar door de sarcastische, zwarte humor – en daar houd ik zelf wel van. Inhoudelijk leert de lezer vooral de niet per se sympathieke maar ergens ook realistische hoofdpersoon kennen en gaat het over vreemdgaan en de botte geilheid van mannen.
Het tweede gedeelte bestaat uit het ‘gerommel van onweer’. Het begint heel expliciet bij hoofdstuk 25: ‘Soms spoel je je leven terug, om te kijken op welk punt het nog een andere richting had kunnen nemen. Maar soms valt er helemaal niks terug te spoelen’. Aan het einde van hoofdstuk 28 vindt ‘de ramp’ plaats. En met hoofdstuk 29 begint dan ook het derde gedeelte: ontkennen, inzien en berusten. Inhoudelijk gaat het tweede en derde deel steeds meer over hoe de huisarts als vader de gebeurtenissen van zijn dochter ervaart en hoe hij ermee omgaat. Het boek is opeens niet meer zo grappig, maar bittere ernst – een drama.

Marc Schlosser is wat Koch een ‘lichte psychopaat’ zou noemen, maar vooral een realistische en dus niet geheel sympathieke man. In die zin moest ik denken aan de vader in Tirza van Arnon Grunberg. In een interview uit 1995 voor Vrij Nederland zegt Koch: ‘Van de jonge schrijvers vind ik Arnon Grunberg een goed voorbeeld van hoe het ook kan. Eindelijk iemand die helemaal zichzelf is.’ Enige invloed van Grunbergs stijl is dus niet helemaal uitgesloten. Toch is er één heel groot verschil met de vader in Tirza. De vader van Tirza bewerkstelligt met zijn extreme, beschermende vaderschap de ondergang van zijn dochter. Marc Schlosser bewerkstelligt met zijn ook wat wereldvreemde doch beschermende vaderschap juist de ondergang van de (volgens hem) schuldige, en zo de ‘redding’ van zijn dochter.

Koch maakt er geen geheim van dat hij walgt van de ‘sympathieke’ personages in de literatuur die ‘lijden onder het leven’ – volgens hem moet de literatuur geen sociale werkplaats zijn die politiek correct en vaak juist helemaal niet realistisch is.
De kunstmatige sympathieke hoofdpersoon verdwijnt volgens mij echter steeds meer uit de Nederlandstalige literatuur, en Koch zelf is niet heel duidelijk in zijn eigen ‘politieke correctheid’ dan wel eerlijkheid. Over het thema ‘vreemdgaan’ in Zomerhuis met zwembad zegt hij (in een interview in de Margriet): ‘Ik kan mij voorstellen dat als ik een minder leuke vrouw zou hebben dan Amalia, ik net zo had kunnen worden als Marc. Het zit ook in mij, ik houd mij er alleen minder mee bezig. Het is allemaal gedoe. Maar als ik op een feestje sta en ik heb drie, vier biertjes op, ben ik ook niet te onderscheiden van de niet getrouwde mannen. In mijn fantasie althans.’ Het lijkt alsof hij tegelijkertijd wil beamen dat Marc Schlosser realistisch is aan de hand van zijn eigen gevoel, maar dekt zich tegelijkertijd ook ‘politiek correct’ in. Het was wellicht wat sierlijker geweest als hij zijn eigen persoon buiten beschouwing had gelaten wat betreft de psychologische kwesties in zijn boeken.

Koch maakt er ook geen geheim van dat hij in het schrijven van zijn oeuvre vooral zoekt naar het juiste ritme en de juiste opbouw van zijn werk, en dat hij dat steeds meer denkt te vinden. Daarmee ben ik het helemaal eens.
Zomerhuis met zwembad bestaat uit vele korte hoofdstukjes en is vlot geschreven. De afwisseling van (sarcastische) overdenkingen en actie is goed in balans, waardoor je blijft lezen. Daarbij zet Koch de lezer steeds op het verkeerde been door mogelijke intriges en vooruitwijzingen. Het moment waarop ze hun betekenis krijgen, wordt echter steeds voorafgegaan door nieuwe intriges en vooruitwijzingen. Hierdoor leest het boek min of meer ook als een detective. Steeds wanneer de lezer denkt te weten hoe het zit, komt er een twist in het verhaal, blijkt het anders te lopen.
Op macroniveau – en dat vind ik misschien nog wel het beste van het boek – komen het spelen met verwachtingen, stijl en ritme allemaal samen. Had het boek drie delen gekend, dan zouden deze titels kunnen hebben als: 1. Soms moet je erin – met de hele hand / 2. Het zomerhuis / 3. Julia. De drie delen kenmerken zich, zoals ik al zei vooral in stijl: 1. sarcastische humor; 2. donderen in de verte; 3. drama. Gelukkig heeft Koch dit niet gedaan: een lezer die een boek ziet dat uit één stroom hoofdstukjes bestaat, verwacht zulke inhoudelijke en stilistische breuken niet. En zo zet Koch ons op het verkeerde been: de lezer weet niet wat het overkomt als opeens het wiegende proza neervalt in een put van ernst. Het is opeens allemaal niet meer zo grappig.

Zomerhuis met zwembad          door Herman Koch

(Anthos, Amsterdam, 2011)

(Lezen-kijken-luisteren, 2012)

From Hell

From Hell

Een lezer die het oeuvre van Alan Moore leest, zal weliswaar overeenkomsten ontdekken in zijn boeken (vooral inhoudelijk en filosofisch), maar wat het meest opvalt zijn toch de verschillen. Leest Watchmen nog als een (weliswaar afwijkende) superheldenstrip, V for Vendetta is al geen superheldenstrip meer, al zijn de illustraties nog even traditioneel. In From Hell wordt ook afgestapt van de traditionele gekleurde stripplaatjes. Wat overblijft is de altijd aanwezige kritische houding van Moore.

Wie From Hell snel doorbladert, zal twee dingen over het boek kunnen zeggen: het is een dik boek met kleine, sobere, schetsmatige zwart-witplaatjes en veel priegelige tekst. Het nodigt daarmee niet direct uit tot lezen. Ook zal het de bladeraar niet ontgaan dat het boek gaat over Jack the Ripper. En hiermee zijn twee belangrijke aspecten van het boek direct genoemd: 1) het boek is een docustrip over Jack the Ripper, sterker nog: het bevat een enorme appendix van eindnoten om vooral alles te kunnen verantwoorden; 2) het is een sober boek, wat aansluit bij de treurige plot, het kille Londen van eind negentiende eeuw en het feit dat het Moore vooral om de tekst gaat, de inhoud.

Maar waarom kiest Moore dan voor een strip, en niet een prozaverhaal – sterker nog: waarom een verhaal en niet een non-fictieboek? De eerste vraag kan worden beantwoord middels een citaat uit een van de annotaties (4.5). Hier zegt Moore ‘that From Hell has, if anything, been more thoroughly researched visually than it has in terms of content.’ Verbazingwekkend! Een boek met zoveel annotaties om te verantwoorden welke literatuur is gebruikt en wat wel en niet fictief is, is nog meer onderzocht op visueel gebied? Waar mogelijk is elk gebouw, elke straat en elk interieur en zelfs het uiterlijk van de personages opgezocht en nagetekend. Blijkbaar moeten we dus concluderen dat de illustraties primair bedoeld zijn als aanvulling op het documentaire aspect van het boek.
Ook verstopt in de brij van literatuurverwijzingen in de annotaties is het volgende citaat te vinden (4.18), dat kan helpen bij het beantwoorden van de tweede vraag: waarom fictie? ‘The suggestion that the 1880s embody the essence of the twentieth century, along with the attendant notion that the Whitechapel murders embody the essence of the 1880s, is central to From Hell’. Met andere woorden: het boek gaat niet over Jack the Ripper, het gaat over de essentie van de twintigste eeuw! Het woord ‘essentie’ is hierbij belangrijk, aangezien een non-fictiewerk alleen feiten kan opsommen – alleen en fictief werk is in staat ergens de essentie van te tonen.

De goede verstaander van Alan Moore weet dat hij vooral een vrijdenker is, een kritisch denker die de wereld om zich heen vanuit een vogelperspectief probeert te doorgronden (en hij is daarbij niet bang om ook een politiek of ethisch commentaar te geven). Het lijkt alsof Moore de berg aan annotaties alleen gebruikt om extra kracht te geven aan zijn mening over de historische ‘werkelijkheid’: hoe precies je ook te werk gaat, de geschiedenis is niet te vangen en zal altijd uit onze handen glippen. De geschiedenis is niet meer dan een verhaal. Een verhaal waarvan we kunnen leren – ok – maar geen waar verhaal. Hij werkt deze gedachte uit in een extra strip die appendix 2 vult: ‘Dance of the gull catchers’. Het gaat over de geschiedenis van de mythologisering van Jack the Ripper en tegelijkertijd over al die mensen die proberen de waarheid over hem te vangen. ‘Gull’ is de naam van één van de verdachten, maar is ook Engels voor meeuw. We zien dan ook allerlei ‘Ripperologen’ met een netje achter een meeuw aanrennen. Moore heeft kritiek op de methode van historici: duik te veel in de geschiedenis met z’n allen, schrijf bergen boeken, en niemand weet meer wat wel en niet waar is – of zie de geschiedenis als een simpele puzzel: ‘using this method, the solution to the Second World War is as follows: Hitler [murderer], the German Economy [motive], tanks [means].’ Moore wijst beide methoden af.

Maar wat is dan Moores oplossing? ‘Oplossing?’ zou Moore zeggen, ‘er is geen oplossing, we zullen de waarheid nooit kennen’. Maar wat we wel kunnen doen is proberen de essentie van een tijd te vangen. Wanneer we een geschiedenisboek hebben gelezen, kennen we een rij nietszeggende en onvolledige feiten. Wanneer we een verhaal hebben gelezen, blijft er een indruk achter – en die indruk is de essentie waar het om gaat.
Het gevoel na het lezen van From Hell is dus de essentie van de twintigste eeuw. De jaren 1880 waren jaren van verandering naar een nieuwe wereld die in de twintigste eeuw tot volle bloei en ‘verschrikking’ kwam. Hier lag de kiem, en als we die kiem begrijpen, aanvoelen, kunnen we wellicht met andere ogen naar de wereld om ons heen kijken, en wie weet, ook anders handelen.

From Hell   door Alan Moore (illustrator: Eddie Campbell)

(Top Shelf Productions, Marietta, 2011 (oorspr.1989))

(Lezen-kijken-luisteren, 2012)

Dorian Gray

Dorian Gray

Foto: filmstill uit Dorian Gray

In de videotheek stuitte ik op de film Dorian Gray uit 2009 – een film die al langere tijd op mijn must-seelijstje stond. Voor mijn leesclub had ik al eerder The Picture of Dorian Gray van Oscar Wilde gelezen, en aangezien ik dat een goed verhaal vond, leek het me leuk de moderne filmversie ervan te bekijken. Een boekverfilming: altijd gevaarlijk als je eerder het boek al hebt gelezen. Hoe was dat dit keer?

De film krijgt op het IMDb niet een heel hoog cijfer, een ruime zes. De film is geen groot spektakel, dat is waar, maar de film blijft dicht bij het verhaal en – belangrijker – de kern van het verhaal is goed bewaard gebleven. Verder spelen de acteurs goed, en vind ik niks echt storend in de film. Wat dat betreft is, vind ik, die 6 niet helemaal terecht. Evengoed valt er niet veel bijzonders over de film te vertellen. Begrijp me niet verkeerd: de film is een goede verfilming van het verhaal, maar dat is dan ook dat. Het interessante zit ‘m vooral in het verhaal – en dat was er ook al in de ‘papieren’ versie van het verhaal.
Eén ding viel me wel op in de film: het portret. En dan bedoel ik niet het portret van de mooie, jonge Dorian, maar van de verwrongen, hatelijke, duivelse Dorian. Het portret vormt het hart van het verhaal. Het verhaal gaat over een mooie, jonge man, Dorian Gray, die door een schilder als zijn muze gezien wordt. De schilder maakt daarom een portret van hem waarin al zijn schoonheid is afgebeeld. Dorian Gray ontmoet daarnaast ene Lord Wotton, een man die continu praat over dat het hedonistische leven het hoogste goed is – het gaat volgens hem zelfs hoger dan de moraal, de ethiek. Dorian wordt beïnvloed door Wottons filosofie, sterker nog: hij wordt er de verpersoonlijking van. Door zijn eigen portret te vervloeken, lukt het Dorian eeuwig zijn jeugdige schoonheid te behouden, terwijl hij tegelijkertijd een zeer verdorven leven leidt: seks, drugs, geweld, egotripperij… Het portret absorbeert naast ouderdom ook alle slechtheid en wordt dan ook door Dorian angstvallig verborgen gehouden.

Het is overigens geen rare gedachte als de lezer nu moet denken aan een ander bekend verhaal: Robert Louis Stevensons Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde. Dit was namelijk een van Wildes lievelingsboeken. In beide verhalen zit het faustiaanse thema van de queeste naar het hoogste goed – een verboden vrucht voor de mens, die hij alleen kan bezitten als hij een pact met de duivel sluit. Uiteraard gaan in al deze faustiaanse verhalen de hoofdpersonen ten onder aan hun eigen queeste. Een soort tweede zondeval. In Jekyll and Hyde is het hoogste goed goedhartigheid, in Dorian Gray is het schoonheid. In deze gevallen lukt het de hoofdpersoon dit min of meer te verkrijgen door zichzelf in tweeën te splitsen in enerzijds het volmaakte en anderzijds het meest onvolmaakte.

Terug naar het portret in de film. In Wildes verhaal wordt al veel aandacht besteed aan hoe vreselijk het portret er naar verloop van tijd uitziet: al het verdorvene is niet meer om aan te zien. Vergankelijkheid, rotting, verdorvenheid, haat, wraak – het overspoelt de aanschouwer alsof hij een blik in de hel werpt.
Hoe maak je dat geloofwaardig in een film? Dorian Gray uit 2009 was niet de eerste verfilming van het verhaal. Eén verfilming stamt uit 1970 – een film die toentertijd werd geplaatst in de seksuele revolutie en nu steeds vaker wordt beschouwd als slechte pornofilm. Maar ook in 1945 was er al een verfilming (met dezelfde titel als het verhaal). Het is deze oudere verfilming waarin een treffend ‘hels’ portret wordt gebruikt. Dit portret werd in werkelijkheid geschilderd door de magisch-realistische schilder Ivan Albright. Hij schilderde het speciaal voor de film. Sterker nog: hij schilderde de veranderingen over de ‘schone’ versie heen, die door een andere schilder was geschilderd. Het uiteindelijke gecorrumpeerde portret is nu wellicht een van de bekendste voorstellingen van de duivelse Dorian Gray geworden, en hangt in het Art Institute in Chicago.
In de verfilming uit 2009 – en dat vind ik een sterk punt – lijkt het verdorven portret opvallend veel op de versie van Albright. Wellicht is het nog verdorvener geworden: het beweegt namelijk, en er vallen levende maden uit.

Het is intrigerend dat er dus een beroemd portret van Dorian Gray bestaat. Intigerender wordt het door het feit dat Albright zelf ook veel zelfportretten schilderde. Op Wikipedia is het volgende bijzondere stukje te lezen in het artikel over Albright:

Despite much time spent traveling the world, he never stopped working. Albright made over twenty self-portraits in his last three years, even on his deathbed, drawing the final ones after a stroke.

Ik zou die schilderijen wel eens willen zien. En ik hoop maar dat ze er niet al te verdorven uitzien…

Dorian Gray – 2009          Regie: Oliver Parker; Script: Oscar Wilde (boek), Toby Finlay (script); Acteurs: Ben Barnes, Colin Firth, Rebecca Hall; IMDb-cijfer: 6,2

The Picture of Dorian Gray         door Oscar Wilde

(In: Lippincott’s Monthly Magazine, 1890, Philadelphia)

(Lezen-kijken-luisteren, 2012)