Introductie en nieuws

Op deze website publiceer en herpubliceer ik mijn creatieve teksten, zoals columns, verhalen, artikelen en essays. Het archief van teksten wordt nog verder uitgebreid en uiteraard verschijnen er geregeld nieuwe teksten. Kijk voor meer informatie op deze pagina. De Woordenbrouwerij staat ook op Facebook.  Veel leesplezier!

Nieuws

Ik heb een nieuwe pagina toegevoegd met daarop pdf’s. Zo heb ik de meeste van mijn oudere verhalen en gedichten gebundeld, net als mijn oude recensies, besprekingen en essays. De meeste ‘normale’ columns zijn daarin niet te vinden (dus alleen hier, als online tekst). De pdf’s kunnen makkelijk gedownload worden en eventueel geprint, zodat het makkelijker leesbaar is en een duidelijker overzicht ontstaat. Ik heb de documenten ook als epub (maar die mogen van mijn webhoster niet online), dus mail mij even als je daarin geïnteresseerd bent.

Moederliefde

[lees/print als pdf]

Straks komt Anne thuis van een driedaags schoolkamp. Moeder wil alles netjes hebben, het huis schoon, alles opgeruimd. Ze maakt zich zorgen. Ze hoopt zo hard dat haar kind ondanks alles heeft genoten van alle kampactiviteiten. Een laatste haal met de dweil, hard wringen en nu is de badkamer weer brandschoon. De grote zak met afval legt ze zo lang in het schuurtje. Buiten hoort ze gerommel. De warme lucht zet zich in beweging, de populieren beginnen te ruisen. Een donkere zwavelgele wolk verduistert de zon en er klinkt gerommel. Snel loopt moeder naar de droogmolen op het gras. Ze strijkt met haar hand langs de kleren. Droog genoeg. Ze haalt de was af, en neemt de tas met kleren mee naar binnen om te strijken.

Moeders smartphone wil aandacht. Ze leest.

Burgernetmelding: Pol. Roerm: omg Bredeweg. Ivm vermis. vrouw 14 jr, 160l, lichtbl haar, gele jurk, groene tas. Tips? Bel nu 0800-3443

Moeder huivert even, en begint dan de kleren te strijken. Op de lichtkoepel zijn nu zachte, onregelmatige tikken te horen. Eerst weinig, dan meer en dan zijn de druppels niet meer los te onderscheiden, en begeleiden als klein slagwerk de pauken van het onweer. Heeft Anne wel een regenjas mee? Moet ze een taxi bestellen? Ze weet niet hoe laat Anne aankomt. Moeder vouwt de kleren behendig op en legt ze op een stapel. Het is goed dat ze haar kind toch heeft overgehaald mee te gaan op kamp. Anne wilde eerst niet, maar moeder had een batterij geruststellingen klaarliggen. Er gingen toch leraren mee? Die hielden echt wel een oogje in het zeil. En anders was er nog Sanne, die is toch wel aardig? Moeder vond de redeneringen zelf niet erg sterk, maar wat moest ze anders? Tot haar eigen verbazing liet Anne zich uiteindelijk overreden. Anne ging. Maar nu twijfelt moeder weer. Straks komt haar kind. Huilend of lachend? Of totaal onpeilbaar. Dat laatste waarschijnlijk. Zou Anne überhaupt iets zeggen over het kamp?

De onweersbui begint al wat af te nemen, waardoor nu in de verte politiesirenes hoorbaar worden. Moeder is klaar met de kleren. Op het aanrecht ligt vlees op een plank, naast een netje sjalotten, een rode peper, een pan geschilde aardappelen en een al wat bruin uitgeslagen bloemkool. Anne wordt gepest op school. Het liefst zou moeder de verantwoordelijke jongens en meisjes allemaal te gronde richten, maar dat is natuurlijk onmogelijk. En Anne moet ongetwijfeld zichzelf beter verweren. Maar een puber dwing je niet, dat weet moeder heel goed. Eén keer is ze uitgevallen en kakelde gefrustreerd dat Anne zich moest verdedigen – als niet met woorden, dan maar fysiek. De dag erna kreeg ze een telefoontje dat haar kind gespijbeld had, en het pesten werd de dagen erna alleen maar heviger. En nu dus het schoolkamp. Moeder kijkt op de klok. Als haar Anne zo thuiskomt staat het eten klaar, is alles aan kant en heeft ze een verrassing klaar. Ze begint het vlees te snijden.

De bel gaat. Moeders hart maakt een sprongetje. Als een blij kind rent ze naar de deur. Anne staat voor de deur met een grote weekendtas. Hij is doorweekt van de regen en heeft geen regenjas. Haar verloren zoon is terug.

‘Kom binnen. Hoe was het?’ Moeder neemt de grote tas aan en loopt voor hem de kamer in.

Anne haalt zijn schouders op. ‘Ging wel.’

‘Kom snel binnen. Ik heb het eten bijna klaar.’ Ze loopt weer naar het aanrecht.

Anne gaat de kamer binnen en ploft op de bank. ‘Weet je mama, er is wel iets ergs gebeurd.’

Moeder schrikt. Zou Anne toch weer gepest zijn?

‘Fleur was niet mee op kamp.’

‘Die pestkop? Fijn toch?’

‘Ja maar haar ouders dachten dat ze wel op kamp was. Ze wordt vermist, mam.’

Anne kijkt om zich heen. ‘Tjee, het is hier wel heel schoon en netjes. Verwacht je soms bezoek?’

‘Voor jou lieverd.’

‘En van wie zijn die kleren?’ Anne kijkt naar het stapeltje naast hem. Bovenop ligt een netjes gestreken gele jurk.

‘Een verrassing voor jou. Kom maar dan vertel ik het je.’ Ze glimlacht tevreden en snijdt het grote stuk rauwe vlees.

De teen

[lees/print als pdf]

Hieronder volgt het verhaal ‘De teen’.

‘And the motto?’
‘Nemo me impune lacessit.’
‘Good!’ he said.

(The Cask of Amontillado – Edgar Allan Poe)

De hoofdpersoon van ons verhaal tuurt door het oculair van zijn Bresser Biolux naar de amoeben. Het gaat om een nieuwe soort: Acanthamoeba xenofagus. De vakpers had er vol van gestaan, maar ook de grote dagbladen en het tv-journaal ruimde er ruimte en tijd voor in, en onze hoofdpersoon – de ontdekker van de soort – mocht als tafelgast aanschuiven bij een populaire, links-elitaire avondshow. Daar omschreef hij de amoebe als een klein, stromend en langarmig diertje dat zich bovendien voedde met plastic (en water uitscheidde). Vóór de ontdekking was het diertje wellicht steeds aangezien voor een Acanthamoeba astronyxis, en onze hoofdpersoon had het zelf voor het eerst onderscheiden in de plastic soep van de Grote Oceaan.
Op 16 april 2018 vond hij het organisme ook in Nijmegen; in zoet water, op land en zelfs hoog in de lucht op aerosole plastics. Een onderzoeksbeurs, uitgegeven door Unilever, moest hem nu in staat stellen om samen met enkele aangewezen medewerkers uit te zoeken hoe de amoeben efficiënt en goedkoop ingezet konden worden om de massa’s overtollige macro-, micro- en nanoplastics op onze planeet op te ruimen.

We hebben nu de hoofdpersoon in de voorgaande introductie in een heldere maar bondige setting geplaatst, waarna nu tal van mogelijke ontwikkelingen kunnen gaan plaatsvinden. Daarbij zal blijken of het hier gaat om een ecologische thriller, een postmodern verhaal of – geheel onverwachts – een coming-of-ageroman. Hoe dan ook, de hoofdpersoon ziet op dit moment iets vreemds en trekt weer onze aandacht. Hij keert zijn blik van de microscoop, kijkt even door het raam naar buiten, wrijft in zijn ogen en gaat na of hij misschien oververmoeid is. Dan kijkt hij weer en schrikt dit keer heftig. De amoeben vormen inderdaad letters – romein, zonder schreef, Arial-achtig – en, wanneer hij uitzoomt, woorden en zinnen. Hij gaat met een plotselinge beweging staan, waarbij zijn stoel naar achteren schiet, achter een matrand blijft haken, kantelt en met een knal op de houten vloer belandt. Voor het eerst in zijn leven twijfelt ons hoofdpersoon aan zijn gezonde verstand. En nu we ook een eerste gebeurtenis hebben toegevoegd, wordt het tijd de hoofdpersoon een naam te geven.
Jacob, Jean en Johan zijn te neutraal en tegenwoordig ook te ouderwets. Sef, Jahino en Mohammed te nieuwerwets dan wel te geëngageerd. Lortar, Quihindala en Snork te fantastisch. Frederik Godlos te Max Havelaar. We gebruiken mijn eigen naam maar, Pieter, ook al zal het spoedig duidelijk worden dat het hier niet om een autobiografisch verhaal gaat. We rekenen ook maar meteen af met dat hautaine ‘we’. Ik zal dus vervolgen met ‘ik’ en hoop dat te kunnen vasthouden. Ik ben toch niet schizofreen – in elk geval niet meer dan jij. Ben je soms bang voor jezelf?
Na de ergste schrik kijk je nog eens door het oculair. Waarom ben je eigenlijk bang? Voor iets dat onmogelijk is of voor iets dat vreemd is? In het eerste geval ben je waanzinnig of is de wereld waanzinnig. Maar je gaat ervanuit dat de wereld stabieler is dan je hoofd. Ben je bang voor je eigen waanzinnigheid? Schaam je je ervoor of ben je bang dat je niet meer kunt functioneren als je waarheid en leugen niet meer van elkaar kunt onderscheiden? Ben je bang voor wat er allemaal kan gebeuren? Een totaal onbekende onberekenbare onbetrouwbare toekomst? Wie zegt dat het verleden niet even onscherp is? En wat is tijd nou helemaal? Misschien heb je het allemaal al eens beleefd. Het vreemde. Het onbekende. Het xenofobe. Het maakt niet uit. De amoeben hebben het nu voor het zeggen en het is jouw taak hun verhaal over te dragen.

Dit is het verhaal dat Pieter van de amoeben overschrijft. Letter voor letter, waarbij we uitgaan van een bijna onmogelijke alwetendheid en intelligentie van deze kleine dieren, haast als die van een schrijver. Pieters angst had in eerste instantie de vorm van een droom. Een nachtmerrie. Een slaapverlamming. Hij lag wakker en verlamd in bed en keek naar de oude eikenhouten kast. Het was de inbouwkast die op slot was en waarvan de sleutel kwijt was. Achter het groene behang zou nog de deur van die kast moeten zijn. Pieter weet best dat er iets vervelends in die kast zit, dat heeft iemand hem eens verteld. De vorige bewoners hadden verteld dat het wellicht te maken had met een verdwenen meisje dat door een buurman het huis was ingelokt. Niemand wist meer waar dat meisje was, de vorige bewoners ook niet – al hadden ze een vermoeden, maar ze durfden de kast niet te openen. Ze hadden het ding weleens verplaatst om een schilderij op te kunnen hangen aan de broze muur, maar hadden geveinsd dat er ook best kleren in konden zitten. Bovendien stonk het niet. En nu staart Pieter er vol onrust naar. Wanneer de nacht zich verdiept, staat het meisje naast Pieters bed. Ze staart terug naar zijn slapende lichaam. Elke nacht weer.
Dan, op 10 augustus, wordt Pieter wakker door een misselijkmakende, magnetische kracht die zijn hoofd doet oprichten en hem laat kijken in dat afschrikwekkende gezicht van te open ogen, te open mond, te rotte tanden, te dradige haren en te oude nagels op twee centimeter afstand van zijn gezicht. Er komt geluid uit en stank en haat en het lijkt of Pieter uit bed valt en wentelt en blijft vallen en wentelen naar iets dat een christen de Hel zou noemen, maar wat Pieter misschien eerder zou beschrijven als een oneindig zich verdichtende en uitstrekkende punt die hem eeuwig zal doen naderen en verschrompelen, naderen en uitrekken naar een onbereikbaar heerlijk doel, een eeuwig gekmakend opdraaien van het volume en verlichten van het licht, het kwijtraken van enige houvast en het oneindig uitdijen van zijn angst en waanzin als een fobische katalysator. Kortom, Pieter heeft weer last van een nachtangst, waaruit hij zwetend en hartkloppend ontwaakt met de moeite van het voortduwen van een enorme rots. Voor zijn gevoel schreeuwt hij en stuipt hij als een actieve epilepticus, maar het is stil, en hij ligt bewegingsloos terwijl een zacht kreunend ‘ah’ aan zijn lippen ontsnapt.
Pieter kijkt de slaapkamer rond. De wandklok tikt. Zijn kleine bed slaapt nog. De wanden zijn sereen wit. Zijn Ikeakasten staan op een rij – er is geen houten kast, zelfs geen muurkast, alleen pleisterwerk met daarachter een moderne binnenmuur, waarachter op dit moment luidruchtig burengesnurk te horen is. Even flikkert een herinnering aan een andere droom op in zijn hoofd – hij ziet iets ontstellends door een microscoop. Maar het volgende moment twijfelt hij en dan is de gedachte voorgoed uitgedoofd. Er stroomt nog steeds adrenaline door zijn lichaam, waardoor hij sneller dan normaal is gewassen en aangekleed. Met een kop goedkope koffie overpeinst hij zijn leven als vrijgezel.

Dan volgt nu een intermezzo.

Een agent neemt de telefoon op en hoort wanhopig, haast schreeuwend gepraat. Het is een melding. Ze handelt de melding professioneel af en is benieuwd naar de uitkomst. Een uur later komt de uitkomst binnen in de vorm van een tweede agent die een vreemd verhaal vertelt. Van alle verwachtingen waarmee ze rekening had gehouden, was dit er niet een. Het is vreemd en unheimisch. Maar uiteindelijk blijft de politie niets anders over dan de zaak te sluiten en het voorval te vergeten.

En nu gaan we weer verder.

Pieter is pretentieus en ijdel. Bovendien is hij lui, laf, schijnheilig, inconsequent, amicaal, hoogmoedig en bij tijd en wijle lomp. Kortom, een onaangenaam mens. Op de wereld leven te veel mensen en Pieter is er zo een. Toch kan hij er niet veel aan doen. Had de maatschappij hem soms niet zo gemaakt, met zijn hoge doelen, individualisering, nadruk op originaliteit, sociale druk, overinformatisering en -stimulering, globalisering, popularisering en haat? Nee, daar lag het niet aan. Maar hij was wie hij was, zelfbewust en dierlijk tegelijk. We zijn niet minder dan de sterren, maar de sterren stellen niks voor. Pieter is Pieter. Geen antiheld, maar een gewoon gemiddeld mens. Hij heeft een baan die lastig aan anderen te beschrijven is en grotendeels onnuttig lijkt en die hij ook betreurt maar hem wel voorziet van een redelijk luxueus vrijgezellenbestaan. Waarschijnlijk is Pieter heteroseksueel, al vindt hij slanke, Aziatische mannen ook best aantrekkelijk. Pieter heeft in elk geval geen baard, maar van zijn kleren weten we niet veel (en bovendien wisselen die vaak en waarom zou dat belangrijk zijn voor dit verhaal?). Pieter houdt van de zon, maar ook van harde regen, waarbij hij spottend alle rennende en halfzachte voorbijgangers nakijkt, alhoewel de meeste in een auto zitten. Hij heeft een hekel aan auto’s en honden. Ze stinken, vervuilen, zijn potentieel gevaarlijk en getuigen van een slechte smaak.

Mieke ziet dat er gebeld is. Ze wil al bijna terugbellen, maar ziet dat er ook een voicemail is ingesproken. Ze luistert. De stem is wanhopig, haast schreeuwend. Geschrokken luistert ze tot het bericht is afgelopen, rent de gang op, plukt haar jas van de kapstok en racet weg met de fiets. Als ze bij Pieter aanbelt, wordt er niet opengedaan. Ze haalt een sleutel uit haar zak en opent het appartement. Er is niemand thuis.

Als Pieter thuiskomt en zijn slaapkamer inloopt, ziet hij dat een van de plinten heeft losgelaten. Hij geeft er een welgemikte schop tegen, maar de strook hout wordt door iets tegengehouden, veert wat terug en is nu nog losser geraakt. Pieter bukt zich en trekt de plint los. De obstructie blijkt een flink dode teen te zijn die uit de muur steekt. Pieter heeft wel vaker gefantaseerd hoe het is om een lijk te vinden – in een greppel, container of vuilniszak – en in hoeverre hij dan door angst zou worden overweldigd. De praktijk is dat hij twee seconden verbaasd is, dan hevig schrikt en ten slotte automatisch en pragmatisch handelt door de politie te bellen. Wanneer de politie opneemt, raakt Pieter alsnog in paniek, maar hij krijgt de verzekering dat ze direct zullen komen.
Pieter probeert de tijd te verdrijven met een cryptogram, maar de omschrijvingen dringen niet goed tot hem door. Dan bedenkt hij dat de politie koffie moet en koekjes en dat hij moet opruimen. Er is eigenlijk te weinig rommel om op te ruimen, maar hij zet wel het raam open voor frisse lucht. Hij zet een koekblik in het centrum van het lage tafeltje, kijkt er ontevreden naar en verschuift het blik naar een guldensnedepositie. Dan zet hij er mokken omheen (drie: één rechercheur, één hulpagent en één zo’n man of vrouw in een wit pak die veel van lijken weet – of nee: één die het lijk opruimt en één thanatopracticus of hoe heet ook alweer zo’n persoon die alles weet over ontbinding en rigor mortis, dus vier) en haalt een extra mok. Hij zet koffie.
Wanneer zijn ze er eigenlijk? Pieter tuurt uit het raam. Misschien duurt het nog wel even.
Pieter pakt de cryptogrammen, en het lukt hem één woord in te vullen: ananas.
Pieter staat op en tuurt naar buiten.
Pieter gaat weer zitten. Wat als de koffie te oud wordt? Misschien duurt het een stuk langer – het slachtoffer is immers al dood? Maar ze hebben gezegd dat ze direct zouden komen. Moet hij bellen? Dan komt dat misschien ongeduldig over. De politie heeft het vast heel druk en doet z’n best om snel hier te zijn. Dan gaat de telefoon. Pieter neemt op. ‘Met Pieter.’ ‘Spreek ik met Pieter Brouwers op Stieltjesweg 28 in Nijmegen?’ ‘Daar spreekt u mee.’ ‘Dan moet u mij eens uitleggen waar u bent en waar die vermeende teen is.’ Pieter staart ongelovig naar de teen. ‘Hoe bedoelt u? Ik ben gewoon thuis. Bent u niet op het verkeerde adres?’ ‘Is er een andere Stieltjesweg 28 in Nijmegen?’ Pieter heeft niet het idee dat de agent hem serieus neemt. ‘Denkt u dat ik een grap maak?’ zegt Pieter, nu ook geïrriteerd. ‘Ik vind het in elk geval niet grappig,’ zegt de agent, ‘maar met deze melding kunnen we niks, dat zult u toch begrijpen.’ Pieter is woest, maar zijn Broca is tijdelijk uitgeschakeld. ‘Maar. Ik. Hoe.’ ‘Meneer, ik sluit dit gesprek af. Als u zich in uw eigen adres hebt vergist, komt u maar in eigen persoon naar het bureau. Een teen loopt niet weg. Nou ja, een dode teen in elk geval niet.’
In Pieters gedachte was het lijk al opgeruimd en afgevoerd, maar nu was het weer terug en lachte hem uit in de vorm van een nawijzende teen.

In het kleinste café van Nijmegen zitten Pieter en Petra met hun rechtervingers om de steel van hun eigen glas, gevuld met het nieuwste speciaalbier. Pieter geniet van de rust, van het samenzijn, van de ambiance, van het bier en van de samenballing van dit alles in hun geklets over de verschillende culinaire mogelijkheden van de ananas, met zijn schurftige buitenkant en vezelige binnenkant vol etterend sap en de harde cilindervormige vezelconcentratie in de kern.
Petra’s blik geeft aan dat haar iets te binnen schiet. ‘Iets heel anders, ik wilde je nog vragen hoe het nu is afgelopen met die teen.’ ‘Teen?’ Met zijn tenen is nooit iets aan de hand geweest, behalve de aanwezigheid van wat voetschimmel af en toe. ‘Ja, je begon vorige week over iets dat je vroeger was overkomen: dat er een dode teen uit je muur stak en dat je de politie belde, maar dat ze niet kwamen. Je wilde nog verder vertellen, maar er kwam iets tussen – ik weet niet meer…’ ‘Dóde teen? Ik denk dat je in de war bent met iemand anders. Ik ken dat verhaal niet. Ik vind het wel iets voor Ino om zoiets mee te maken.’ ‘Nee, nee, jíj had het verteld – hoe kun je dat nou zijn vergeten?’ ‘Ik was het niet.’ ‘Nou, kom op.’ ‘Nee echt niet.’ Petra wordt boos. ‘Ik weet niet waarom je het opeens niet meer wilt vertellen. Het zal dus wel niet echt gebeurd zijn.’ Pieter zwijgt. ‘En stak die teen uit de muur?’ vraagt hij dan. Maar Petra negeert de vraag en neemt een slok van haar bier. ‘Heb je wel eens ananassoep met rode peper en mango geprobeerd?’

Luister! Luister! Er klinkt gefluister in het disteldonkerduister (artisjok). Het klinkt in alle spleten alle voegen alle regels door. Fluister! Fluister! Er linkt gekluister en gekerm ergens in het huis (druiven).
Het klinkt infantiel en pretentieus, zo’n Grieks dramatisch koor. En met een geïrriteerd en vreemd gevoel kijkt Pieter op naar zijn moderne, gepleisterde muur, naar de Ikeakasten en naar de plint. Natuurlijk is er niets te zien. Hij pulkt aan een plint, maar die zit stevig vast. Hij haalt een mes en wrikt de plint los. Achter de plint is een minder mooi afgewerkte laag pleisterkalk. Er steekt niks uit (perzik). Ook de volgende plint trekt hij los en ook daarachter ziet hij niks. Het is geen droom, geen verhaal. Wel ziet hij daar een haar in het pleisterwerk die eraan moet zijn blijven hangen tijdens het stuccen. Hij trekt de zwarte haar los maar er komt een brokje wit mee, waardoor er een gat ontstaat en een teen zichtbaar wordt. Pieter richt zich wild op en zet een stap naar achteren, waarbij hij hard en pijnlijk zijn enkel tegen de bedrand stoot (mispel). Hij voelt een duizeling en stapt struikelend naar de telefoon. In paniek belt hij Mieke, maar ze neemt niet op. Met onvaste stem spreekt hij de voicemail in. Een half uur verstrijkt. Pieters paniek is afgenomen nu hij Miekes voicemail heeft ingesproken. Ze zal terugbellen of hierheen komen en dan zullen ze naar de politie gaan. Met een voyeuristische perversiteit betast Pieter het muurvlak boven de teen. Ongeveer op ooghoogte ziet hij een witgekalkte haar. Hij pulkt eraan en de haar laat aan één kant los waardoor ze haar zwarte kleur blootgeeft. Pieter trekt en meer kalk laat los en valt als gruis op de grond. De haar is lang en leidt naar binnen, zit vast. Pieter laat de haar los. Hij gaat op de bedrand zitten en wacht. Luister! Luister! (Ze roept één keer, dan nog eens, en is dan vergaan, maar een vrucht is opgestaan – 6 letters)

Pieter schrikt wakker. Het is nacht. Hij ligt met zijn kleren aan op bed. Wat doet hij daar? Waarom ligt hij niet in zijn pyjama onder het dekbed? Hij herinnert zich vaag de droom waarin hij belde, in paniek was en op iemand wachtte. De lucht is beklemmend. Langzaam komen de herinneringen aan gisteren terug. De microscoop. De amoeben. De letters. Was dat laatste echt?
Pieter komt niet meer in slaap, trekt zijn ochtendjas aan, schuift zijn voeten in zijn teenslippers en loopt de trap af naar zijn werkkamer. De Bresser Biolux staat betekenisloos op het bureau en baadt in het maanlicht dat schuin door de ramen valt. Pieter knipt het licht aan en nadert het apparaat. De stapel papieren ernaast zijn niet beschreven met een verhaal. Hij knipt nu ook het licht van de microscoop aan, neemt plaats op de bureaustoel, druppelt vocht met amoeben op een objectglaasje, legt er een dekglaasje op en schuift dit onder het oculair. De amoeben slijmen vormloos rond. Pieter zucht diep en voelt de angst wegebben, al blijft een weeë hoofdpijn aanwezig. Hij gaat op de bank liggen, dekt zichzelf af met een fleecedeken en valt in slaap.
De deurbel gaat. Pieter wordt wakker en ziet een grote teen onder het fleecedeken vandaan steken. Een blik op de klok verontrust hem. Hij heeft zich verslapen. Voor de deur staan twee agenten. Verbaasd en nog slaapdronken staart Pieter naar de rijzige man en vrouw. ‘U hebt gebeld. De teen.’ De droom is weer terug in zijn herinnering – helemaal dit keer. Pieter trekt wit weg, mompelt wat, keert zich om en rent naar boven. Tegelijkertijd ziet hij dat er geen microscoop is en geen werkkamer. Boven is een kleine slaapkamer en onderaan de muur wijst een schilferige teen naar buiten. Pieter loopt naar de muur en bonst ertegenaan. ‘Er is geen teen! Er is geen teen! Ik heb niet gebeld!’ Een van de agenten grijpt hem en houdt hem in een houdgreep. Pieter stopt met wringen en worstelen wanneer hij een jonge vrouw in de deuropening ziet. Het is Petra. ‘Ik ben er,’ zegt ze. Pieter rukt zich los, klauwt met zijn nagels in de muur; witte kruimels laten los en zwart haar komt tevoorschijn. Het licht knippert stroboscopisch. En dan is alles duister.
En alles stil.
De nacht is verlucht met het trage licht van straatlantaarns. Pieters geklauwde vingers rusten bewegingsloos tegen de open muur. Hij is alleen. Een laatste brokje gruis valt onder zijn handen uit elkaar en komt rizzelend op zijn blote tenen terecht. Het hoofd met de zwarte haren vóór hem is van hem afgewend. Een ondraaglijke stank hangt in zijn neus. Pieters handen ontspannen zich, komen rustig in beweging en strelen dan de haren. ‘Dag Mieke,’ zegt hij, ‘ik ben er weer. Ik miste je te veel, ik werd er gek van, ik heb spijt. Kun je me vergeven?’

Mieke gaat op de rand van het bed zitten. Waar is Pieter? De deur van de inbouwkast gaat langzaam open en daar komt Pieter tevoorschijn, bijna als een illegale vrijer. Maar zijn blik is niet die van de betrapte vrijer (er is ook geen object voor een vrijage) maar eerder die van een waanzinnige met wijd opengesperde ogen en krachtig opeengeklemde kaken. Zijn rechterhand omklemt een scalpel. Voordat de situatie bij Mieke doordringt, heeft Pieter haar de kast ingeduwd met het mes op haar keel. Hij tapet haar vast en pakt dan de emmer met pleisterkalk.
Als Pieter klaar is, ziet hij dat haar teen nog uitsteekt. Daar vindt hij nog wel een oplossing voor. Hij eet zijn lunch en belt dan Petra op. ‘Mieke en ik zijn uit elkaar. Kan ik even naar je toe?’

‘De noodzaak tot een teenamputatie vloeit voort uit diverse oorzaken.’

(www.pendersvoetzorg.nl)

De letterzetter stelt zich voor: schrijven en denken

Camus

Afbeelding: ‘Camus’ door Eduardo Pola – CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=2395630

Schrijven als manier van denken en ontwikkelen

Het schrijven van essays, persoonlijke artikelen, serieuzere columns en verhalen en gedichten is voor mij een manier om na te denken, te filosoferen. Waar lezen voor mij een manier is om (filosofische) ideeën, sferen en vormen op te doen, en zo mezelf te verrijken, te ontwikkelen, daar is schrijven voor mij een manier al deze dingen te ordenen en om te zetten in een persoonlijk geheel dat klopt met mijn eigen leven. Het lijkt, en is in zekere zin ook, een egocentrische manier van schrijven, maar écht creatief schrijven is dat per definitie altijd. Het hoeft niet te betekenen dat de lezer uit het oog wordt verloren. Ik hoop zelf dat de lezer zich net als ik wanneer ik lees, mijn teksten ervaart als weer een extra bron van ideeën en invalshoeken, die zij kan gebruiken om zichzelf verder te ontwikkelen. Dat staat natuurlijk niet gelijk aan het eens zijn met mijn meningen. De ervaring van het ergens niet mee eens zijn – en proberen dit zelf te onderbouwen met argumenten – of het nuanceren van andere meningen, lijkt mij misschien wel de belangrijkste activiteit voor zelfontplooiing.

Zelfontplooiing en vrijdenken

Een eigen (mentale) identiteit bestaat mijns inziens niet: iedereen is opgebouwd uit opgedane ervaringen en kennis en de mate waarin zij deze kan analyseren en verbanden kan leggen. Veel psychologen en filosofen (zoals de onlangs overleden Derek Parfit) benadrukken dit niet-bestaan van een vaste mentale persoonsidentiteit. Desondanks is er wel sprake van een persoonlijke ontwikkeling in de tijd; en hoe meer kennis en ervaring, hoe genuanceerder en rijker de persoonlijke ontwikkeling zal zijn. Zelfontplooiing lijkt een verkeerde term – het gaat uit van een beweging naar een eindstadium, het vinden van je ware zelf. Ik geloof wél in determinisme: alles ligt van tevoren al vast, niet door een goddelijke hand, maar door een simpele aaneenschakeling van oorzaak en gevolg. Zo bekeken kan zelfontplooiing gezien worden als een natuurlijk verloop naar een einde toe. Net als in de zo vaak verkeerd begrepen biologische evolutie is er geen sprake van een ‘opwaartse’ beweging naar een hoogste waarde of bestaansvorm – wat het woord ‘ontplooiing’, uitvouwen, wel in zich heeft – maar een zich steeds veranderende identiteit; een identiteit die zowel ideeën opneemt en complexer en genuanceerder maakt, als ideeën verandert, samenvoegt of afstoot. Ik ben morgen niet dezelfde persoon als die ik gisteren was – niet beter of slechter, maar simpelweg anders. Ik heb er daarom geen problemen mee als een persoon zijn overtuigingen door de tijd heen aanpast. In de politiek wordt dit vaak als zwakte gezien – het is natuurlijk ook niet wenselijk voor de nodige mate van stabiliteit – maar twijfel en verandering van mening zijn niet alleen menselijk, ze zijn in zekere zin ook een maatstaf van de durf jezelf vrij te blijven ontwikkelen. Durven eigen ideeën te ontwikkelen op basis van je ervaringen en kennis die niet worden beperkt door enige vorm van wenselijkheid of correctheid binnen een sociale context, noem ik ‘vrijdenken’. Ik zie mijzelf allerminst – helaas – als iemand die ongevoelig is voor sociale druk en wenselijkheid, zeker naar buiten toe, maar ik streef in elk geval naar zoveel mogelijk vrijdenken. Lezen en schrijven helpen mij in dit streven, en ik hoop dat ik anderen ook met mijn teksten aanzet tot vrijdenken, dat de lezer kritisch leest en mijn verhalen afzet tegen de eigen kennis en ervaring.

Filosofische overtuigingen

Hiervoor heb ik gezegd dat een mentale identiteit mijns inziens niet bestaat, waardoor ik hier niet kan zeggen wat ‘mijn filosofische overtuigingen’ zijn. Maar wel kan ik zeggen welke filosofieën mij het meest hebben beïnvloed en me hebben gemaakt tot de persoon die ik ben op het moment dat ik dit schrijf. Hiervóór heb ik al het determinisme genoemd. Dit sluit in zekere zin aan bij een andere overtuiging van mij: ik zie mezelf als absurdist. Het absurdisme (van Camus) onderkent twee dingen: ten eerste is er geen hoger doel of ‘zin’ in het leven. Het absurdisme ziet een zelf te maken zingeving à la existentialisten zoals Sartre als filosofisch sprong (‘filosofische zelfmoord’ noemt Camus het), een escapistische vlucht uit een paradoxaal lijkende toestand. Daarnaast onderkent het absurdisme óók dat je er nu eenmaal bent en handelt, leeft, en dat dit, of je het wilt of niet, voornamelijk wordt geleid door met name biologische driften. De spanning die er bestaat tussen het erkennen van een zinloos bestaan en het bestaan zelf tot aan de enige zekerheid (de dood) is het absurde. Een absurdist kiest ervoor deze spanning in stand te houden: te leven omdat het leven er nu eenmaal is, en tegelijk te erkennen dat dit zonder zin of doel is. Het uiterlijke leven zal voor een absurdist weinig verschillen van dat van een niet-absurdist, maar zal bijvoorbeeld minder snel leiden tot fanatisme of grootheidswaan. Camus noemde de personages in de verhalen van Kafka (in feite Kafka zelf) als exemplarisch voor wat een absurdist is. Ook het door mij aangehangen ‘cosmicisme’ (van H.P. Lovecraft) past in dit kader: het gaat hierbij om het erkennen dat de mensheid niet alleen nietig en onbetekenend is in het heelal, maar dat het onterecht zichzelf als centrum ziet (antropocentrisme) en denkt alle kennis en wijsheid in pacht te hebben. ‘Beschaving’ en technologische vooruitgang hebben de wereld niet beter gemaakt, maar slechts ‘anders’, net zoals zelfontplooiing ons misschien intern gezien kloppender maakt, maar niet ‘beter’ in de normerende zin van het woord.

Filosofische bijdragen

Ik werk mijn eigen filosofische ideeën uit (en heb ze uitgewerkt) in essays, die ik echter (nog) niet heb gepubliceerd, omdat ze erg persoonlijk zijn. Wellicht dat ik ze op een later moment nog wel openbaar maak. In zekere mate verwerk ik mijn ideeën wel in andere stukken (zoals Natuurdenken, recensies, analyses, verhalen en andere creatieve teksten). De meeste van deze teksten worden en zijn verzameld op mijn website De Woordenbrouwerij.

(Tekstbureau de Letterzetter, 2016)

De letterzetter stelt zich voor: lezen

hieronymus

Afbeelding: Sint Hieronymus , School van Joos van Cleve (Public Domain)

Studie

Hoewel ik afgestudeerd taalkundige ben, heb ik tijdens de eerste jaren van mijn studie Nederlands ook veel letterkundevakken moeten volgen. Ik kwam er toen achter dat ik over het algemeen niet zo houd van (latere 20e-eeuwse) Nederlandse literatuur. Voor mijn gevoel ontbreekt het deze literatuur aan een goede dosis fantasie en gevoel en lijkt seks een verplicht nummer te zijn, dat bijna nooit iets toevoegt aan de betekenis of de sfeer van het verhaal. Engelse en Amerikaanse literatuur spreekt mij vaak meer aan, hoewel ook in Nederland een generatie schrijvers is opgestaan die mij meer aanspreekt. Verder ging ik zelf veel meer lezen, en kon ik ook meer met wat ik las. Wat dat betreft waren de letterkundige vakken voor mijn persoonlijke en letterkundige ontwikkeling zeker nuttig.

Leesclubs

Na haar studie richtte mijn vriendin samen met vrienden en kennissen de van oorsprong Nijmeegse leesclub The Stone Gods op, waarvan ik direct lid werd. We lazen boeken van alle tijden, landen en genres, en bespraken deze in een gezellige sfeer. Een van de voordelen van deze leesclub was, dat ik boeken las die ik anders niet uit mezelf had gekozen. Soms waren dit grote verrassingen, wat ertoe leidde dat ik steeds meer openstond voor verschillende soorten boeken. Daarbij leerde ik meer over de letterkundige praktijk en zorgde het lezen van al die boeken voor een grotere persoonlijke ontwikkeling; de mij aansprekende boeken bevatten immers vaak voor mij interessante ideeën en visies, wat ervoor zorgt dat ik meer nadenk over deze zaken en mezelf daarmee ontwikkel.

Mijn vriendin is een jaar geleden gepromoveerd op leerprocessen en lees- en deelnamemotieven rond leesclubs. Ik heb haar onderzoek van dichtbij gevolgd en mocht soms helpen. Hierdoor werd mijn letterkundige interesse nog sterker, zeker ook het aspect van de lezer zelf. De hiervoor genoemde leesclub bestaat nog steeds, maar ikzelf ben om praktische redenen uit de club gestapt. In 2014 heb ik mijn eigen Roermondse leesclub opgericht. Wij beperken ons tot wereldklassiekers en wel om twee redenen. Ten eerste is de kans groot dat een klassieker interessant genoeg is om te bespreken. Ten tweede hebben klassiekers veel invloed gehad op latere literatuur en soms allerlei andere culturele en maatschappelijke ontwikkelingen; het intertekstuele geheel van de literatuur is door het lezen van klassiekers steeds beter te begrijpen (en te genieten).

Persoonlijke zoektocht

Voor mij is lezen veel meer dan alleen ontspanning. De betekenis van het lezen van wereldklassiekers kwam hiervoor al aan de orde. Naast de leesclubboeken lees ik echter ook heel andere boeken. Daarbij is het voor mij van belang boeken te vinden die passen bij mijn eigen denkontwikkeling en mijn ontwikkeling van wat ikzelf ‘sfeer’ noem. Sfeer is misschien het beste te beschrijven als een intuïtief thuisvoelen in een boek (of muziek, of kunst, of…) en heeft overeenkomsten met nostalgie, melancholie, herkenning en een soort geheim, duister genot. Het is een gevoel dat je als lezer op één lijn zit met de schrijver. Vaak is in dit geval de stijl van het boek belangrijker dan het verhaal, hoewel bepaalde motieven en verhaalelementen ook kunnen bijdragen aan deze sfeer. Uiteindelijk zie ik het als mijn persoonlijke streven om de sfeer (deels) te kunnen verklaren uit met name letterkundige, psychologische en filosofische argumenten, en zo mijn eigen ideeën en visie op het bestaan aan te kunnen scherpen. Een en ander leidt ertoe dat ik periodes heb waarin ik bepaalde genres en/of schrijvers lees, zoals op het moment van dit schrijven met name weird tales en H.P. Lovecraft.

Alles wat ik heb gelezen verwerk ik (gewoonlijk met een korte recensie) in mijn persoonlijke leesarchief op Goodreads.

Letterkundige bijdragen

Ik schrijf verhalen, artikelen, essays en recensies, onder meer op het vlak van letterkunde en filosofie. De Woordenbrouwerij vormt mijn archief van zelfgeschreven teksten, en is daarbij het platform waarop ik nieuw geschreven teksten publiceer. Onder de teksten staat vermeld waar ze eventueel eerder zijn gepubliceerd.

Letterkundige ideeën

Het voert te ver om hier in te gaan op mijn algemene letterkundige ideeën. Hieronder een lijstje artikelen waarin enkele van mijn ideeën (deels impliciet) naar voren komen:

In de toekomst wil ik meer algemeen letterkundige artikelen schrijven (maar hoe groter mijn lezerservaring des te meer zinnigs ik over boeken kan zeggen). In het volgende artikel zal ik ingaan op ‘schrijven en denken’.

(Tekstbureau de Letterzetter, 2016)

De letterzetter stelt zich voor: taal

toren van Babel

Afbeelding: Pieter Brueghel de oude (Public Domain)

Vanaf mijn studie moderne Nederlandse taalkunde (1997-2002) heb ik een aversie voor taalpurisme ontwikkeld. Dat mag misschien vreemd klinken voor een taalkundige, maar dat is het juist niet. Iedereen die zich verdiept in de taal als (min of meer) natuurlijk verschijnsel, weet dat een taal organisch gegroeid is en zich steeds blijft veranderen, en dat de taal zich weinig aantrekt van opgelegde regels. Veel van wat wij op dit moment als ‘goed’ taalgebruik beschouwen, was vroeger wellicht erg lelijk en fout en zal dat in de toekomst ook zijn. Zo werd in de zestiende eeuw ‘groter als’ gezien als juist taalgebruik en ‘groter dan’ als onjuist.

Maar wees niet bang: als redacteur moet ik natuurlijk de huidige taalregels en spelling kennen en snappen, en in die hoedanigheid volg ik deze ook op, aangezien een opdrachtgever dat van mij verwacht. Bovendien zijn sommige regels ook goed bedoeld, en werken vaak goed, om verwarring bij het lezen te voorkomen. Denk aan het verschil tussen ‘het vóórkomen van ongelukken’ en ‘het voorkómen van ongelukken’ waarbij in dit geval een nadrukteken aan te raden is om de juiste betekenis aan te geven. Maar uiteindelijk is de taal een organisch, primair mondeling communicatiemiddel – en als de communicatie slaagt, is de gebruikte taal blijkbaar voldoende, los van alle later bedachte regeltjes.

Taalverloedering versus taalachterstand

‘Taalverloedering’ komt in mijn eigen vocabulaire niet voor, ‘taalachterstand’ wel. Het verschil tussen die twee is dat het bij het eerste om een vermeende esthetische achteruitgang gaat. Uit wat ik hierboven heb geschreven, mag duidelijk zijn dat ik daar geen boodschap aan heb. Wanneer slecht onderwijs er echter toe leidt dat mensen teksten produceren die niet meer leesbaar zijn (bijvoorbeeld door bizarre spelling, onjuiste grammatica of door een totaal onlogische opbouw en argumentatiestructuur), dan is er sprake van een communicatief probleem.

In deze tijd vormt taalachterstand een groot probleem. Dat ligt niet aan de onderwijzers zelf of aan de digitale revolutie. Uit onderzoeken blijkt dat bijvoorbeeld sms-taal – naast goed onderwijs – juist een verrijkende werking heeft op het taalgevoel. Ook een samenleving waarin meerdere talen (al dan niet thuis) worden gesproken, werkt positief op de taalvaardigheid. De oorzaak ligt deels in een politiek falen, een door bezuinigingen en minachting ontstane afbraak van zowel sociaal-culturele participatie als de afbraak van een goed onderwijssysteem. In het onderzoek dat heeft geleid tot de goedwerkende schrijfonderwijsmethode Tekster blijkt tevens dat er veel te winnen valt door de verouderde taallessen te moderniseren. Dit kan door het verwerken van de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van taaleducatie in de methoden. Bij Tekster zelf gaat het om schrijfeducatie, maar dat houdt niet in dat (beter) leren lezen en spellen niet belangrijk zouden zijn; deze methode focust op een verbetering van tekstuele communicatie, waarbij zaken als tekststructuur en logica meestal  belangrijker zijn dan bijvoorbeeld spelling. Interpunctie wordt in het onderzoek ook als een ‘aspect van lagere orde’ gezien, maar met name punten en komma’s zijn wel zeer belangrijk bij het structureren en begrijpelijk maken van alinea’s en zinnen.

Als redacteur probeer ik bij te dragen aan de verbetering van taalgebruik door niet alleen teksten aan te passen, maar ook altijd aan te geven wáárom de eerdere versie minder goed was, zéker als het gaat om fouten die de communicatieve functie van de tekst schaden, bijvoorbeeld omdat er iets anders staat dan wat de auteur bedoelt. Ik probeer ook communicatie van tevoren in te plannen (wat wil de opdrachtgever met de tekst bereiken, om welke doelgroep gaat het, et cetera), omdat dit bijdraagt tot betere (functionele) teksten.

Spelling

De officiële spelling kan altijd beter, maar ik vind het een juiste keuze dat het overgrote deel van de spelling goed onderbouwd is. Dit kan leiden tot keuzevormen (‘maïs’ naast ‘mais’, afhankelijk van hoe je het zelf uitspreekt – m.n. in België zegt men ‘ma-ies’) of tot vormen die voor veel mensen als lelijk worden beschouwd. Bij ‘lelijke’ woorden gaat het meestal om onlangs geleende Engelse woorden die wél in een, daarvoor minder geschikte, Nederlandse grammaticale mal terecht komen (bv. ‘ik heb de app geüpdatet’).

Mensen willen graag een eenduidig spellingsysteem en dat zorgt er nu eenmaal ook voor dat voor ons vreemd ogende spellingsvormen ontstaan. De spellingsautoriteiten tonen eigenlijk alleen moed als ze spellingsvormen hanteren die voor veel mensen ‘lelijk’ zijn. ‘Mooie’ spelling is niet meetbaar en zou neerkomen op een totaal ondoorzichtig systeem en vele vormen naast elkaar – en dat is niet wat mensen van een goede spelling verwachten. Makkelijke spellingregels én het behouden van ‘mooie’ woorden, gaan simpelweg niet samen. Maar de ervaring leert dat mensen snel aan nieuwe woordbeelden gewend zijn. Daarbij ben ik ervan overtuigd dat ook de Nederlandse grammatica zal ‘verengelsen’ waardoor Engelse woordvormen beter passen. Dat is niet erg, dat is gewoon taalevolutie. Een mooi voorbeeld in de spreektaal is te zien in dit youtubefilmpje van Marc van Oostendorp (vanaf 2:06).

Nogmaals: de makers van de officiële spelling zitten dus in een spagaat. Zij proberen niet te veel woordvormen te veranderen (anders vinden de mensen de spelling ‘lelijk’) en tegelijkertijd heldere en consequente spellingregels op te stellen (anders vinden de mensen de spelling ‘moeilijk’). Daarbij moeten ze ook in de pas blijven met moderne taalontwikkelingen, zoals de invloed van het Engels en het feit dat spreek- en schrijftaal steeds meer naar elkaar toe groeien in de digitale omgeving. Zij kiezen begrijpelijkerwijs voor een praktisch onmogelijke middenweg, wat begrijpelijkerwijs altijd zal blijven leiden tot kritiek van zowel taalpuristen als taalkundigen. Het zij zo.

Mijn taalkundige bijdragen

Het is alweer wat jaren geleden, maar ik ben destijds afgestudeerd – voor wie het graag weten wil – op  het onderwerp ‘lexicale collocaties’. Hier staat uitgelegd wat dat inhoudt. Daarbij ging het om de Melcukiaanse theorie dusdanig uit te breiden en aan te passen, dat het gebruikt kon worden voor beter functionerende woordenboeken.

In de praktijk heeft dit geleid tot bepaalde aanpassingen en aanvullingen in het meer wetenschappelijk bedoelde Algemeen Nederlands Woordenboek (ANW). Daarnaast heb ik als studentassistent meegewerkt aan het eveneens voor wetenschappelijke doeleinden bedoelde Corpus Gesproken Nederlands (CGN).

Weer jaren later heb ik mijn taalkundige kennis ingezet voor het ontwikkelen van de toenmalige cursussen Taalkunde van het Nederlands en Schoolgrammatica van de Open Universiteit.

Thans ben ik niet met een taalkundige opdracht of taalkundig project bezig. Maar als ik denk dat ik een goede bijdrage kan leveren op een taaldiscussie op internet (fora, LinkedIn, Facebook…) zal ik dat niet nalaten. In veel gevallen komt dat neer op: ‘vanuit de taalkunde gezien zijn beide keuzes goed’ met soms een nuancering betreffende de consensus op dit moment.

Daarnaast probeer ik mensen ook bewust te maken van de maatschappelijke werking van taal. Het is mijns inziens belangrijk dat mensen zich realiseren dat de taal geen bewust door mensen gemaakt systeem is, maar een evoluerend, organisch geheel. Tegelijkertijd kunnen in bepaalde gevallen spelling, (school)grammatica en andere opgelegde systemen wel zorgen voor een betere communicatie. Maar wat door taalpuristen als ‘juiste taal’ wordt beschouwd, kan worden misbruikt als middel om zich af te zetten tegen vermeende ‘taalverloederaars’. Dit kan leiden tot discriminatie en sociale isolatie van groepen en individuen die simpelweg niet de middelen hebben om de Nederlandse taal te leren volgens de normen van taalpuristen. En het kan leiden tot oneerlijke bejegening van jongeren, die op dit moment het slachtoffer zijn van ondermaatse educatie. Dat de ‘taalverloederden’, de ‘hun-hebben’zeggers, niet per se taalonvaardig zijn, mag wel blijken uit de zeer creatieve taalvondsten in de nederhop.

De functie van taal

Hiervoor ben ik steeds ingegaan op de communicatieve functie van de taal. Goede taal betekent dan goede communicatie, wat veel narigheid kan voorkomen. Maar taal is meer: het is ook voor boeken wat de verf is voor schilderkunst en muziekinstrumenten voor de muziek. Taal zorgt ook voor vermaak. En via dit vermaak wellicht ook weer tot mooie inzichten en bewustwording. Hier heb ik het over taal als cultureel instrument, en dat is waar ik verder ga in de volgende artikelen: over lezen, en over schrijven en denken.

(Tekstbureau de Letterzetter, 2016)

Het gebreide dekentje

Wat was dat?
Patricia schrikt op en rent naar de woonkamer, de plek waar het stommelende lawaai vandaan kwam. Onderaan de spiralende trap ligt haar moeder. Terwijl ze zich zwijgend probeert op te richten, komt ook Huub naar binnen rennen. Haar moeder kijkt nog met een verwilderde blik om zich heen wanneer Patricia op haar toeloopt en neerknielt.
‘Gaat het?’
‘Ik – ik struikelde.’
Huub, de klusjesman pakt een klein gebreid dekentje op, dat vlak achter moeder op de trap ligt. Patricia kan zich niet herinneren dat dekentje eerder te hebben gezien.
‘Mama,’ zegt ze, ‘je moet ook geen dingen op de trap laten slingeren.’
De kamer staat vol dozen, losse spullen, uit elkaar gehaalde meubels, plastic bekertjes met resten opgedroogde koffie. De oude plankenvloer en kale wanden zijn weer zichtbaar geworden. Lichtere, vierkante plekken op de muren, en nagels en haakjes vertellen dat dit huis nu is uitgekleed, ontzield. Het behang, de muurverf en het pleister bladderen hier en daar als een vervellende huid.
‘Heb je je pijn gedaan, Carla?’ Huub legt het dekentje op een verhuisdoos en veegt zijn handen af aan zijn stoffige marineblauwe overall.
Moeder richt zich verder op en kreunt, terwijl ze haar linkerhand op haar linkerzij drukt. Haar dochter maakt aanstalten om de wond te bekijken, maar moeder weert haar af. ‘Nee, nee, het is niks. Alleen een blauwe plek.’
De rest van de middag probeert moeder behulpzaam te zijn, maar ze loopt eerder in de weg. Ze gedraagt zich als een koffiedame, terwijl ze bekertjes verzamelt, in de keuken rommelt, terug komt met weer thee of koffie of met alleen de vraag of iemand iets wil. Soms loopt ze de krakende trap op en af met kleine dingen in haar hand, wat weinig toevoegt aan het echte verhuiswerk.
Patricia denkt aan die keer dat zijzelf van deze trap was gevallen. Ze weet het eigenlijk voornamelijk omdat haar moeder het wel eens heeft verteld. (‘Je liet altijd alles slingeren – het was eigenlijk je eigen schuld.’) Ze kan zich wel nog vaag herinneren dat ze ergens van schrok, alsof er opeens een masker voor haar gezicht werd gehouden. Een eng masker. Ook ziet ze nog haar moeder onderaan de trap staan. En ze weet dat het litteken bij haar schouder door die val is veroorzaakt.

Als ze met z’n drietjes met hete soep aan de keukentafel zitten, lijkt haar moeder eindelijk wat tot rust te zijn gekomen. Buiten waait het koud, maar binnen heerst een kunstmatige warmte. Het huis kreunt en knapt en kraakt. Moeder vertelt Huub hoe blij ze is met haar nieuwe woning, slechts twee straten verderop.
‘Als ik hier straks weg ben, heb ik mijn eigen huisje. Het lijkt wel of ik weer op kamers ga.’ Ze glimlacht ondeugend.
Dat huisje was hier, denkt Patricia, een verlaten mezennest van lagen oud, muf dons en een lang vergeten skeletje verborgen in de takjes. Moeder heeft het nooit meer over haar vader. Ze huilde drie weken zonder veel te zeggen, en ging toen verder alsof vader er nooit geweest was. Maar zijn spullen stonden nog overal. Ook nu nog staan vaders spullen her en der in dozen of los in een hoek. Nadat vader stierf, woonde Patricia nog maar een jaartje in huis. Ze was blij toen ze eindelijk mocht studeren en weg was van haar moeder. Eén keer kwam ze langs op haar studentenkamer. Ze had dingen gezegd als: ‘Nu weet jij dus ook hoe het is om weinig geld te hebben.’ En: ‘Je zult vanzelf wel merken dat je… dat je lesbisch denkt te zijn, dat dat maar een fase is.’ Ze had ‘lesbisch’ uitgesproken alsof ze het woord voor het eerst in haar leven zei, en misschien was dat ook wel zo. Toen Patricia met haar vriendin over haar moeder had gepraat, en zich steeds bozer had zitten maken, had ze besloten haar moeder nooit meer te zien. Het was een lange tijd gelukt. Maar de tijd heelt wonden, ook die waarvan je het liefst had dat ze open bleven. Toen ze haar moeder weer had gezien leek het alsof ze in de tussentijd had opgegeven nog moeder te zijn. De tijd had haar versleten tot een warm en vriendelijk, wat naïef mens, maar ook gemaakt tot een vreemde. Ze zagen elkaar sindsdien één of twee keer per jaar en belden elkaar af en toe plichtmatig.
Toen moeder had aangekondigd dat ze ging verhuizen (‘dit huis is inmiddels te groot en vol geworden voor één oude weduwe’) en had gevraagd of Patricia wilde helpen, had zij haar moeder gezegd dat ze dat best wilde, maar dat ze geen zware dingen kon tillen nu ze zwanger was. Haar moeder was stil geworden aan de andere kant van de lijn, leek na te denken terwijl ze aan een nagel beet, en had toen gezegd: ‘Maar je bent toch…’. Na nog een stilte had ze gestameld: ‘Ik ben heel blij voor je, schat’.

Patricia hoopte snel met de verhuizing klaar te zijn, maar het huis is inderdaad groot en vol met spullen. Een nutteloos lichaam dat nog steeds kunstmatig in leven wordt gehouden en smeekt om een einde. Patricia wil zo snel mogelijk weg uit deze cocon, maar nu de avond nadert, haar moeder nog steeds last heeft van haar zij en de dozen nog lang niet allemaal gevuld zijn, ziet ze in dat ze het niet kan maken op dit moment te vertrekken.
‘Mama, ik blijf hier wel slapen. Dan doen we de verhuizing zelf morgen wel. Het busje hoef ik toch pas morgenavond terug te brengen.’
Even lijkt het of moeder ergens van schrikt. Ze kijkt peinzend uit het raam, lijkt zich weer te herstellen en zegt zacht: ‘Ja, ja natuurlijk.’ En na een korte pauze voegt ze eraan toe: ‘Bedankt, Patricia.’
Huub helpt nog met het weer in elkaar zetten van het tweepersoonsbed, dat boven op de slaapkamer al in onderdelen lag, en gaat dan naar huis. Patricia en haar moeder vullen de dozen verder, brengen spullen naar beneden en eten uiteindelijk onder een kaal peertje ieder een thuisbezorgde pizza. Ze gaan vroeg naar bed.

Iets in het huis kraakt.
Patricia draait zich in het grote bed om naar haar moeder. Haar moeder snikt.
Patricia knipt het lampje aan dat provisorisch naast het bed op de koude vloer is gezet, en ziet haar moeder rechtop naast haar zitten, haar handen begraven in dat kleine gebreide dekentje, haar gezicht nat van de tranen.
‘Je vader en ik hadden net dit huis gekocht. Jij was twee.’ Haar stemt is krakerig, lijkt ouder. Ze zucht, kijkt Patricia even aan en richt dan haar ogen naar boven. ‘Op een houten tuinbankje in de voortuin van dat huis, dat huis aan het einde van de Priemweg, je weet wel – daar zag ik haar voor het eerst. Op dat bankje zat ze, al was het al herfst en waaide er een koude wind. Ik had steeds gedacht dat het huis leegstond, zo vervallen als het was, en met zo’n overwoekerde tuin.
‘Ik knoopte een praatje aan met deze oude vrouw en vertelde ook dat we verhuisd waren en waar we nu woonden, een straat verder van haar. De oude vrouw zei dat zij daar ook had gewoond, vroeger, toen haar man nog leefde. Ze zei ook dat ze van kinderen hield en dat ze er zelf helaas geen had kunnen krijgen. Ik nodigde haar thuis uit en twee dagen later zat ze hier. Ze wilde geen koffie, maar leek verrukt dat ze weer in dit huis kon zijn. Ze was ook heel lief voor jou. Ik vroeg daarom of ze je babysit wilde worden. Ze stemde toe.
‘Ik was destijds bezig met het breien van een dekentje voor jou, voor op de bank. Ook toen Aat – zo heette de oude vrouw – hier op bezoek was, was ik daarmee bezig. Ik weet nog goed dat je steeds probeerde de wollen draad te grijpen. Aat keek er met interesse naar en zei op een gegeven moment: “nu is het af,” en knipte de draad door. Ze had trouwens gelijk: het dekentje was precies groot genoeg.
‘Elke week, op vrijdagavond, paste ze op. Ik betaalde haar er niet voor – ze vroeg niet om geld. Ik vond het heerlijk om elke vrijdagavond voor mezelf en mijn vriendinnen te hebben – je vader was dan naar zijn filmclub. En elke vrijdagmiddag smeekte je: “Niet Aat! Niet Aat!” Ik zag dat je die weken niet goed in je vel zat, bleek zag… Maar hoe moest ik weten dat dat aan haar lag? Je stelde je wel vaker aan en was wel vaker ziek.’
Weer kraakt er iets in het huis. De kou doet de oude trap kraken, denkt Patricia.
‘Op een vrijdagavond liep ik terug naar huis. Ik besloot binnendoor te gaan via een bospaadje dat uitkwam naast het huis van Aat op de Priemweg. Ik was nogal aangeschoten, had wat meer gedronken dan anders, en bleef nieuwsgierig naar haar huis kijken. Ik liep het tuinpad op en gluurde naar binnen. Hoewel het al donker was, viel er licht van een bijna-volle maan naar binnen en kon ik redelijk goed het interieur zien. Ik schrok: hoe kon Aat hier wonen? De kamer zag er even verwaarloosd uit als de buitenkant van het huis. Dikke lagen stof, spinrag – resten van eten op de tafel van een lang vervlogen maal. Ik gilde toen ik iets zag bewegen in een hoek van de kamer, maar waarschijnlijk was het maar een muis of een rat. En het zal de alcohol geweest zijn, of de verwondering dat hier iemand kon leven, dat ik een stap naar de voordeur deed en duwde. Heel even leek iets weerstand te bieden. Toen hoorde ik een klik en ging de deur langzaam naar binnen open.’
Alsof ze een verhaal vertelt bij een kampvuur, denkt Patricia. Zoiets deed moeder nooit. En wat is dit voor verhaal?
‘Een onverwachte stank deed me onmiddellijk kokhalzen en bijna tegelijkertijd zag ik op de vloer van de overloop een gezicht dat in het maanlicht oplichtte. Het gezicht was duidelijk van Aat en even duidelijk al een tijdje dood. Voor haar gezicht lag haar hand, verwrongen en knoestig, met doorgegroeide nagels en een kromme wijsvinger die leek te wijzen. Een duizeling overviel me, en het volgende moment was ik aan het rennen. Ik weet niet of ik huilde of gilde – ik denk geen van beide. Alleen die ene gedachte bleef hameren in mijn nuchter geslagen hoofd: wie is er dan nu bij Patricia? Achteraf zou een rationele geest kunnen zeggen: iemand anders, misschien wel een tweelingzus. Maar ik wist dat dat niet zo was. In mijn gedachten werden alle beelden van Aat versneld teruggespeeld. Waarom besefte ik pas op dat moment hoe gelig en ziek ze er altijd uitzag?’
Opnieuw kraakt de trap. En dan verhardt Patricia’s buik zich. ‘Mama…?’ zegt ze benauwd. Maar moeder hoort haar niet.
‘Toen ik eindelijk binnenstormde, merkte ik eerst niet eens dat de lampen allemaal uit waren. Zij zat daar en gaf je de borst, terwijl het dekentje om je heen was gewikkeld. Haar gezicht was begraven in je nek alsof ze je daar kusjes gaf. Ze keek op en trok een brede glimlach die haar scherpe, verbrokkelde tanden toonde. Een rode gloed omgaf haar en maakte haar silhouet waziger dan wat normaal had moeten zijn.’
‘Mama…?’
‘Ik schreeuwde van woede! Terwijl ik op haar afrende – ja woede. Woedend op mezelf dat ik je ooit had kunnen toevertrouwen aan deze heks. Ze leek verbaasd door mijn reactie. Haar lach veranderde in een blik vol haat. Ze klemde je hard tegen zich aan en stoof op. Even bleef ze twijfelend onderaan de trap staan. Door haar haat heen scheen ook angst in haar ogen. Toen rende ze de trap op.’
‘Mama! Mijn buik!’ Patricia gilde. Het ongeboren kind leek tekeer te gaan. Een voetje tekende zich af op de harde buik.
‘Stil!’ commandeerde moeder, ‘Ik moet dit vertellen. Ik moet dit vertellen! Toen die heks de trap oprende, rende ik ook. Maar ik viel over een speeltje van jou en bleef onderaan de trap liggen. Toen ik opkeek zag ik hoe Aat je opeens met gestrekte armen voor zich hield en je aankeek. Ze krijste in je gezicht en gooide je toen van de trap. Even dacht ik dat je dood was. Ik nam je in mijn armen en huilde, terwijl Aat langzaam de trap afkwam. Ik keek niet, maar hoorde de krakende treden en merkte dat ze over ons heen stapte. Toen ik wel weer opkeek, stond ze in de deuropening. Het maanlicht leek door haar heen te sijpelen. Ze hield het gebreide dekentje vast met één hand en sprak. Ik leek haar stem te dromen – of misschien droomde ik al. Toen ik later bijkwam, was dat omdat jij huilde en je je kleine handjes tegen je zij drukte. De woorden van Aat droom ik nog steeds: Goed, dát kind is van jou. Maar ik heb ook het bloed in haar buik gevoed met mijn melk, zoals ik mijzelf heb gevoed met het bloed van haar moeder. Dat wat van mij is, zal ik halen wanneer het dit huis betreedt.
Moeders stem lijkt veranderd, alsof iemand haar laat praten. Dan kijkt ze Patricia aan en lijkt weer te landen. ‘Het dekentje… Het lag vandaag opeens boven aan de trap. Ik raapte het op en zag toen pas wat het was. Ik schrok. Ik viel.’ In haar ogen neemt de paniek toe. Ze trekt wit weg. Een pijnscheut schiet door Patricia’s buik. En dan kraakt de trap een laatste keer. De deur gaat open en een wijsvinger met een nagel als een scalpel klemt zich om de rand.
‘Sorry! Sorry! Sorry!’ fluistert moeder, en begraaft haar gezicht in het dekentje om de geboorte niet te hoeven zien.

(De woordenbrouwerij, 2018)

De doden als muzen

Père-Lachaise

Afbeelding: Christophe Civeton (Public Domain)

Een vrouw leest haar partner voor, zoals ze elke avond doet. Onbewust plukt ze een pluisje van zijn trui of streelt hem over het hoofd. Die indruk krijgen we als we in stilte een vrouw voor een graf op een stoel zien zitten. Ze leest voor, en veegt af en toe wat stof van de tombe. Het is zomaar een van de vele scènes in Forever.

Ook de striptekenaar Heuet is een van de bezoekers van de Parijse kunstenaarsbegraafplaats Père-Lachaise. Hij haalt Proust aan, die laat zien dat een mens door een toevallige gewaarwording zich opeens weer een kind of een ander mens kan voelen, en dat daar de eeuwigmakende kracht van de kunst in ligt. De indrukwekkende documentaire van de veel geprezen documentairemaakster Heddy Honigmann zelf is het bewijs van een dergelijk eeuwigheidsgevoel.

Forever gaat over hoe de doden voor de levenden zorgen. Het gaat over hoe kunst mensen kan obsederen en inspireren. Het gaat over de helende rust van een kerkhof, over mensen en hun emoties en over de beroemde kunstenaarsbegraafplaats in Parijs. Het gaat ook over dood, verdriet, liefde en alledaagsheid.

Allereerst is er de caleidoscopische werking van de verhalen van de mensen die de graven bezoeken: soms licht en alledaags, soms triest en aangrijpend, soms vurig en geïnspireerd. Dan is er de uit de graven geplukte muziek: van bekende musici als Chopin tot een ontroerend lied van een vergeten zangeres. En tenslotte de prachtige beeldimpressies van de begraafplaats en de mensen. Dit alles tot één aangrijpend genuanceerd geheel gemaakt.

Het is dan ook onbegrijpelijk hoe Ronald Ockhuysen in zijn vernietigende recensie Esthetische Valkuil op Cinema.nl deze film afdoet als slechts een simpele niet-spontane op de sentimenten van mensen inwerkende documentaire. De verhalen zijn echt, de mensen zijn echt, de gevoelens zijn echt. Steeds weer werd ik betoverd door de shots, zoals die van de Chinese pianiste die leek te refereren aan de in de film genoemde kracht van Mona Lisa, of die van de bezielde oratie van Stephane Heuet.

Het is een film die je aanzet tot denken en tot creativiteit, tot het lezen van Proust, het kijken naar portretten van Modigliani, het luisteren naar Chopin en eigenlijk alles wat je ooit nog zo graag wilde lezen, horen of zien – voor het niet meer kan.

(Oude weblog, 2006)

Metropolis

metropolis

Foto: Jiuguang Wang from Pittsburgh, Pennsylvania, United States – Maria from the film Metropolis, on display at the Robot Hall of Fame, CC BY-SA 2.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=27508212

Vanaf de tweede helft van de 20e eeuw wordt Metropolis erkend als een van de hoogtepunten van de Duitse, expressionistische en nieuw-zakelijke films van de jaren ’20 en ’30, naast films als Der Golem, Faust en Das Kabinett des Doktor Caligari. Op het IMDb staat het nog steeds in de top 100 van beste films ooit. Toch werd het in 1927 neergezet als oppervlakkige actiefilm, waarbij het niet al te grote publiek dan ook niet kon verhinderen dat hij grote verliezen draaide. De kosten (5 miljoen mark) kwamen dan ook ver boven het bedoelde budget uit en brachten de UFA (destijds de belangrijkste filmstudio van Duitsland) aan de rand van een faillissement.

In deze film van Fritz Lang valt direct aan het begin al de nieuw-zakelijke sfeer op: machines, rechte lijnen, soberheid, kale gebouwen (denk aan Blokken en Knorrende beesten van Bordewijk). Daarbij komt nog de expressionistische inslag door de fantastische decors (met name de stadsgezichten), de dynamiek en de nachtmerrieachtige voorstellingen. Het wordt vaak gezien als de laatste expressionistische Duitse film. De latere films van Lang zijn dan ook minder fantastisch en meer realistisch.

Freder Fredersen (Gustav Fröhlich), de hoofdpersoon, leeft te midden van de rijken in de kubistische wolkenkrabbers. De rijken hoeven in deze antiutopie alleen na te denken, niks te doen. Ze mogen genieten, zoals Freder, van paradijselijke tuinen vol guitig giechelende meisjes, pauwen en fonteintjes. Deze Freder belandt echter al direct door zijn nieuwsgierigheid bij ‘profeet’ Maria (Brigitte Helm) in de onderaardse wereld van de arbeiders. Deze arbeiders werken als robots met grote helse machines. Waar deze machines voor dienen, is volstrekt onduidelijk, maar het gaat Lang dan ook slechts om de beelden, de analogie. De mensen gebruikt hij als compositie-elementen – ze zijn vaak nog niet eens flat character te noemen, laat staan psychologisch uitgewerkte karakters. Dit mensbeeld sprak de nazi’s blijkbaar aan, die Lang een contract aanboden à la Riefenstahl. Hij moest hier echter niets van hebben, en vluchtte niet veel later dan ook via Frankrijk naar Amerika. Met deze film klaagde hij de mens als massadier aan, en dat is dan ook iets wat duidelijk uit de film naar voren komt.

Opvallend zijn natuurlijk de scènes die aan de wieg stonden van ontelbare SF-, fantasy- en horrorfilms, waaronder Frankenstein. De arbeider die als een gek de wijzers van een machineklok met zijn hele lichaam blijft verstellen, de gekke professor die een mens probeert te maken van een robot (die vervolgens de zeven zonden predikt en verderf zaait), de molochfiguur in het visioen van Freder, et cetera. Het pessimisme en de kafkaëske agora-claustrofobie is echter Langs bekendste signatuur: de figuren worden verkleind door grote ruimtes en tegelijk vaak door het scherm opgesloten. In zijn latere Mabuse-films is het aspect van opgeslotenheid door kleine ruimtes en kadrering door leuningen en dergelijke nog duidelijker.

Het motto van de film: ‘There can be no understanding between the hands and the brain unless the heart acts as mediator’, wordt aan het einde van de film mierzoet en dan ook totaal buiten de rest van de film vallend, verbeeld. Dit moet toegeschreven worden aan Langs vrouw, Thea von Harbou, die wél voor de nazi’s ging schrijven, en verantwoordelijk is voor meer verpestende melodramatische scènes in Langs films. Ondanks dat is de film zeker de moeite van het kijken waard, al is het omdat het een van de grootste monumenten is van de filmgeschiedenis.

(Oude weblog, 2006)

Land of the Dead

land of the dead

Foto: filmstill uit Land of the Dead

Was Night of the Living Dead (1968) nog een cult-pulpfilm, Dawn of the Dead (1978) een tweede cultfilm en Day of the Dead (1985) een mijns inziens onterecht miskende veel serieuzere film – de vierde zombiefilm van Romero Land of the Dead (2005) is gewoon een standaard horror-actiefilm. Een forse tegenvaller dus, zeker als je bedenkt dat Romero toch twintig jaar de tijd voor heeft gehad om erover na te denken.

In 2004 maakte Zack Snyder een remake van Romero’s tweede en tevens bekendste zombiefilm, Dawn of the Dead. Deze film kreeg vooral kritiek om de manier waarop Snyder Romero’s film had ontdaan van de filosofische en kritische kantjes: ‘film over de mens als consumerende zombie’ was vervangen door ‘consumeerbare splatter met rennende zombies en weinig verhaal’. In datzelfde jaar maakte Edgar Wright Shaun of the Dead, een parodie op Dawn of the Dead. Ik vraag me dan ook af hoe het kan dat Land of the Dead meer lijkt op Snyders platte film dan op Romero’s eigen drie zombiefilms. En waarom geeft Romero de makers van Shaun of the Dead (Simon Pegg en Edgar Wright) gastrollen in zijn film?

Alles lijkt erop te wijzen dat Romero zijn eigen film niet serieus neemt, en meegaat in de massastroom van makkelijk te consumeren films zonder verhaal en met vooral veel special effects. Iets waar zijn beroemdste film nou juist tegen ageerde. Het verhaal is volgens Romero een vervolg op Night of the Living Dead (dat, ondanks de reddende soldaten aan het eind, dus blijkbaar toch slecht was afgelopen). Midden in de door zombies beheerste wereld ligt een versterkte stad waar nog mensen leven en wonen, met een grote kloof tussen arm en rijk. De zombies buiten de stad lijken onder leiding van de zombie Big Daddy echter iets te intelligent te worden. De ‘mad maxen’ onder de bevolking, waaronder de good guy Riley (Simon Baker) en de asociale Cholo (John Leguizamo) zorgen vervolgens voor een regen van special effects met hun stoerejongetjestank Dead Reckoning, als het de zombies lukt de stad binnen te dringen.

In het begin van de film vindt er een Romerische dialoog plaats, wanneer Mike en Riley de zombies, waaronder Big Daddy, vanachter een struikje observeren: ‘They’re pretending to be alive…’ ‘Isn’t that what we’re doing? Pretending to be alive?’. Is dit een verwijzing naar de mens als zombie, zoals in Dawn of the Dead? Als dat zo is, is het jammer dat het in de film bij deze dialoog blijft. Toch zijn er ook inbrengen van Romero die ik wél kan appreciëren. Hoe je het ook wendt of keert, de door hem in 1968 en 1978 uitgevonden splattereffecten worden met de (voor hem voor het eerst digitale) special effects er zeker niet slechter op. Verder blijft het karakter van Big Daddy (Eugene Clark) intrigerend, ondanks de verder slechte plot. Deze zombie is het brein en de leider van de plaatselijke zombiegemeenschap. Je ziet dat hij wraak wil, gefrustreerd is als hij andere zombies gedood ziet worden. Maar hoe komt het dat hij anders is dan de andere zombies? Nergens in de film wordt dit verklaard – en dat is goed. Zo heeft de kijker toch nog iets om over te reflecteren. Ik zie er zelf een kleine verwijzing in naar de emoties voelende zombie Bub, in Day of the Dead, een prachtige (en zeer zeker miskende) rol van Sherman Howard. Ten slotte wil ik, zonder te spoilen, nog opmerken dat het einde van de film ook typisch Romero is, en wat Romero dan ook anders maakt dan de meeste andere filmmakers van Hollywood.

(Eerste weblog, 2005)

Zombies

night of the living dead

Foto: filmstill uit The night of the Living Dead

Tijdens het hoogtepunt van de eerste horrorgolf, vooral beheerst door de als paddenstoelen uit de grond schietende Hammer-films bevolkt door het monster van Frankenstein, vampiers, mummies en zombies, maakte George A. Romero zijn eerste ‘Living Dead’-film. Waren de Hammer-films al low-budget, Romero had nog veel minder geld nodig om deze zwart-witfilm uit de grond te stampen. De mensenetende zombies in Night of the Living Dead (1968) waren ontstaan door gevaarlijke kosmische straling en leken op normale mensen in trance. De film was bedoeld voor (morbide) amusement en de maatschappijkritiek bestond hooguit uit een vleugje anti-racisme, terwijl de vrouwen nog werden neergezet als hysterische, domme wezens. Soldaten leken aan het einde van de film alle zombies gedood te hebben: eind goed al goed.

Heel anders was de tweede film uit Romero’s cyclus, Dawn of the Dead (1978), die wordt gezien als de beste uit de cyclus. De zombies, nu niet meer zwart-wit maar smurfblauw, zorgen voor zowel nog gruwelijker vermaak – het gaf het startschot voor een ware splatter-rage – als stevige maatschappijkritiek. Vaag wordt verwezen naar een virus dat de zombie-epidemie zou hebben veroorzaakt, maar het citaat van één van de overlevenden (en tevens tagline) is veel belangrijker dan de ware oorzaak: ‘When there’s no more room in hell, the dead will walk the earth’. Er wordt stevig verwezen naar de zonden van de mensen. Mensen zijn volgens Romero als de winkelende zombies in de film: consumentalisme en materialisme vieren hoogtij, mensen denken niet meer na en volgen blindelings hun hebberigheid. Oorspronkelijk eindigde de film dan ook negatief: de winkelende zombies hadden overwonnen, alle mensen waren dood. Waarschijnlijk vanwege het Amerikaanse ‘feel good’-gebod, heeft de film uiteindelijk een open einde gekregen: twee mensen overleven de ramp en gaan op zoek naar andere overlevenden.

In 1985 verscheen de derde zombiefilm van Romero: Day of the Dead. Over de oorzaak van de zombie-epidemie wordt in deze film helemaal niks meer gezegd. Het is dan ook niet van belang, omdat de kern van deze film mijns inziens nog meer dan de vorige film de kritische kijk op mensen is. De film wordt door velen als het dieptepunt van Romero’s cyclus gezien en zelfs als geheel niet kritisch. Waarschijnlijk heeft de lage populariteit te maken met de grimmigheid en soberheid van de film; waarom deze film als niet-geëngageerd gezien wordt is mij een raadsel. De kritiek is hier eigenlijk meer menskritiek dan maatschappijkritiek: de mensen gaan ten onder aan hun eigen grofheid, hun gebrek aan samenwerking en hun onethische gruwelijkheid (in de film wetenschap à la dokter Mengele). De zombie Bub, een van de zombies waar proeven mee worden gedaan, blijkt uiteindelijk geciviliseerder te zijn dan de meeste mensen in de film, maar de andere zombies lijken een symbool te zijn voor de mens als monster. Toch heeft ook deze film een einde open: enkele mensen overleven en vluchten. Moet dit gezien worden als uitkomst van het ‘feel good’-gebod, of als het sprankje hoop dat de mens nog wordt gelaten om zich weer ethischer te ontwikkelen?

Bijna twintig jaar later, in 2004, is de zombiecyclus van Romero cult geworden, en wordt er door Zack Snyder een remake gemaakt van Dawn of the Dead. De film is ontdaan van zijn kritische kant en de zombies en special effects zijn sneller geworden. Een makkelijk te consumeren film dus, waar niet bij nagedacht hoeft te worden en vooral met veel splatter. De media is enthousiast en de kijkers ook. Een enkeling roept dat de film niet in Romero’s kritische lijn ligt, maar daar wordt meestal niet naar geluisterd. Wel loopt de film slecht af: de zombies overwinnen de mens. Maar is dit kritiek of is dit omdat we na afloop kunnen zeggen ‘gelukkig, het was maar een droom’?
Zijn we nu zelf film kijkende zombies geworden? We zullen nu in elk geval Romero’s antwoord hierop zien in zijn comeback Land of the Dead, dat nu in de bioscoop draait. Ik ga er in elk geval heen. Lekker genieten…

(Eerste weblog, 2005)