De straat

… die man daar, die voor het raam staat en naar beneden tuurt. Beneden lopen mensen op straat. Ze denken dat ze meer doen dan lopen, maar dat doen ze niet. Doelloos laten ze zich voorttrekken, geanimeerd pratend met de ander. Maar geanimeerd zijn ze niet. De man haat hen: dwazen – hoe kunnen ze niet in elkaar krimpen voor de zon, die hen reduceert tot niets? Ze denken dat de zon voor hen schijnt. Lafaards die niet in de zon durven kijken. Hypocriet.

De straat is koud en donker en van steen. Het maakt niet uit of de straat waarover hij loopt vol winkelend publiek is of uitgestorven met voortrollend plastic, een omwaaiend vat, een kat, zoals in een film. Hij wil hen gewoon niet zien. Het geluid is gedoofd – hij wil hen niet horen.

‘Zoekt u iets?’
Waar liggen de messen?
‘Keukenaccessoires zijn op de eerste verdieping.’
Dank u wel.
Hij loopt tot aan de roltrap. Een stap. De schoenen zijn bruin, de veters niet los.

Weer bij zijn huis. Heel moeilijk was het niet. Goed om zich heen kijken. Dan een doek om haar mond en voor ze verder iets realiseert het mes gebruiken. Hij heeft het gedaan en voelt een soort triomf. Iets dichter bij de zon. Het lichaam sleept hij snel naar binnen. Daar is niemand en is het veilig.

Hij zit op een bank. Het is warm en de muziek staat aan. Het is gezellig – en thee hoort daar bij. Hij praat.
Hoe is het om dood te zijn? Is het anders dan eerst?
Hij tuurt openhartig naar de andere bank. Ze is zwijgzaam. Ze zit met een mond vol tanden.
Lekker weer niet? Zal ik je eens wat vertellen? Ik mag mensen best wel – dat wil zeggen, als ze dood zijn. Dan kloppen ze met zichzelf – de casting klopt, zogezegd. Ik hou van films. Jij ook?

Voor de deur staat een agent.
Wat zal er nu gebeuren?
Komt u binnen. U komt vast voor mijn vrouw.
De agent kijkt met een vragende blik. Vanwaar die blik? Ergerlijk – is niet alles een vraag? Een onnodige blik.

Ik heb altijd zin gehad om een boek te schrijven. En moet je nu zien: ze hebben me een pen gegeven en schriften. En ze beschermen me tegen de boze mensen op straat. Ze zeggen dat de familie van de vrouw erg verdrietig is. En boos. Ja, ik zou ook boos zijn. Zij leven opeens in de hel. Maar ik leef in de hemel.
Het is warm, er staat muziek op. En natuurlijk is er thee.
Gezellig.

(Caviazwerm, 2008)

Geen reacties mogelijk