De teen

[lees/print als pdf]

Hieronder volgt het verhaal ‘De teen’.

‘And the motto?’
‘Nemo me impune lacessit.’
‘Good!’ he said.

(The Cask of Amontillado – Edgar Allan Poe)

De hoofdpersoon van ons verhaal tuurt door het oculair van zijn Bresser Biolux naar de amoeben. Het gaat om een nieuwe soort: Acanthamoeba xenofagus. De vakpers had er vol van gestaan, maar ook de grote dagbladen en het tv-journaal ruimde er ruimte en tijd voor in, en onze hoofdpersoon – de ontdekker van de soort – mocht als tafelgast aanschuiven bij een populaire, links-elitaire avondshow. Daar omschreef hij de amoebe als een klein, stromend en langarmig diertje dat zich bovendien voedde met plastic (en water uitscheidde). Vóór de ontdekking was het diertje wellicht steeds aangezien voor een Acanthamoeba astronyxis, en onze hoofdpersoon had het zelf voor het eerst onderscheiden in de plastic soep van de Grote Oceaan.
Op 16 april 2018 vond hij het organisme ook in Nijmegen; in zoet water, op land en zelfs hoog in de lucht op aerosole plastics. Een onderzoeksbeurs, uitgegeven door Unilever, moest hem nu in staat stellen om samen met enkele aangewezen medewerkers uit te zoeken hoe de amoeben efficiënt en goedkoop ingezet konden worden om de massa’s overtollige macro-, micro- en nanoplastics op onze planeet op te ruimen.

We hebben nu de hoofdpersoon in de voorgaande introductie in een heldere maar bondige setting geplaatst, waarna nu tal van mogelijke ontwikkelingen kunnen gaan plaatsvinden. Daarbij zal blijken of het hier gaat om een ecologische thriller, een postmodern verhaal of – geheel onverwachts – een coming-of-ageroman. Hoe dan ook, de hoofdpersoon ziet op dit moment iets vreemds en trekt weer onze aandacht. Hij keert zijn blik van de microscoop, kijkt even door het raam naar buiten, wrijft in zijn ogen en gaat na of hij misschien oververmoeid is. Dan kijkt hij weer en schrikt dit keer heftig. De amoeben vormen inderdaad letters – romein, zonder schreef, Arial-achtig – en, wanneer hij uitzoomt, woorden en zinnen. Hij gaat met een plotselinge beweging staan, waarbij zijn stoel naar achteren schiet, achter een matrand blijft haken, kantelt en met een knal op de houten vloer belandt. Voor het eerst in zijn leven twijfelt ons hoofdpersoon aan zijn gezonde verstand. En nu we ook een eerste gebeurtenis hebben toegevoegd, wordt het tijd de hoofdpersoon een naam te geven.
Jacob, Jean en Johan zijn te neutraal en tegenwoordig ook te ouderwets. Sef, Jahino en Mohammed te nieuwerwets dan wel te geëngageerd. Lortar, Quihindala en Snork te fantastisch. Frederik Godlos te Max Havelaar. We gebruiken mijn eigen naam maar, Pieter, ook al zal het spoedig duidelijk worden dat het hier niet om een autobiografisch verhaal gaat. We rekenen ook maar meteen af met dat hautaine ‘we’. Ik zal dus vervolgen met ‘ik’ en hoop dat te kunnen vasthouden. Ik ben toch niet schizofreen – in elk geval niet meer dan jij. Ben je soms bang voor jezelf?
Na de ergste schrik kijk je nog eens door het oculair. Waarom ben je eigenlijk bang? Voor iets dat onmogelijk is of voor iets dat vreemd is? In het eerste geval ben je waanzinnig of is de wereld waanzinnig. Maar je gaat ervanuit dat de wereld stabieler is dan je hoofd. Ben je bang voor je eigen waanzinnigheid? Schaam je je ervoor of ben je bang dat je niet meer kunt functioneren als je waarheid en leugen niet meer van elkaar kunt onderscheiden? Ben je bang voor wat er allemaal kan gebeuren? Een totaal onbekende onberekenbare onbetrouwbare toekomst? Wie zegt dat het verleden niet even onscherp is? En wat is tijd nou helemaal? Misschien heb je het allemaal al eens beleefd. Het vreemde. Het onbekende. Het xenofobe. Het maakt niet uit. De amoeben hebben het nu voor het zeggen en het is jouw taak hun verhaal over te dragen.

Dit is het verhaal dat Pieter van de amoeben overschrijft. Letter voor letter, waarbij we uitgaan van een bijna onmogelijke alwetendheid en intelligentie van deze kleine dieren, haast als die van een schrijver. Pieters angst had in eerste instantie de vorm van een droom. Een nachtmerrie. Een slaapverlamming. Hij lag wakker en verlamd in bed en keek naar de oude eikenhouten kast. Het was de inbouwkast die op slot was en waarvan de sleutel kwijt was. Achter het groene behang zou nog de deur van die kast moeten zijn. Pieter weet best dat er iets vervelends in die kast zit, dat heeft iemand hem eens verteld. De vorige bewoners hadden verteld dat het wellicht te maken had met een verdwenen meisje dat door een buurman het huis was ingelokt. Niemand wist meer waar dat meisje was, de vorige bewoners ook niet – al hadden ze een vermoeden, maar ze durfden de kast niet te openen. Ze hadden het ding weleens verplaatst om een schilderij op te kunnen hangen aan de broze muur, maar hadden geveinsd dat er ook best kleren in konden zitten. Bovendien stonk het niet. En nu staart Pieter er vol onrust naar. Wanneer de nacht zich verdiept, staat het meisje naast Pieters bed. Ze staart terug naar zijn slapende lichaam. Elke nacht weer.
Dan, op 10 augustus, wordt Pieter wakker door een misselijkmakende, magnetische kracht die zijn hoofd doet oprichten en hem laat kijken in dat afschrikwekkende gezicht van te open ogen, te open mond, te rotte tanden, te dradige haren en te oude nagels op twee centimeter afstand van zijn gezicht. Er komt geluid uit en stank en haat en het lijkt of Pieter uit bed valt en wentelt en blijft vallen en wentelen naar iets dat een christen de Hel zou noemen, maar wat Pieter misschien eerder zou beschrijven als een oneindig zich verdichtende en uitstrekkende punt die hem eeuwig zal doen naderen en verschrompelen, naderen en uitrekken naar een onbereikbaar heerlijk doel, een eeuwig gekmakend opdraaien van het volume en verlichten van het licht, het kwijtraken van enige houvast en het oneindig uitdijen van zijn angst en waanzin als een fobische katalysator. Kortom, Pieter heeft weer last van een nachtangst, waaruit hij zwetend en hartkloppend ontwaakt met de moeite van het voortduwen van een enorme rots. Voor zijn gevoel schreeuwt hij en stuipt hij als een actieve epilepticus, maar het is stil, en hij ligt bewegingsloos terwijl een zacht kreunend ‘ah’ aan zijn lippen ontsnapt.
Pieter kijkt de slaapkamer rond. De wandklok tikt. Zijn kleine bed slaapt nog. De wanden zijn sereen wit. Zijn Ikeakasten staan op een rij – er is geen houten kast, zelfs geen muurkast, alleen pleisterwerk met daarachter een moderne binnenmuur, waarachter op dit moment luidruchtig burengesnurk te horen is. Even flikkert een herinnering aan een andere droom op in zijn hoofd – hij ziet iets ontstellends door een microscoop. Maar het volgende moment twijfelt hij en dan is de gedachte voorgoed uitgedoofd. Er stroomt nog steeds adrenaline door zijn lichaam, waardoor hij sneller dan normaal is gewassen en aangekleed. Met een kop goedkope koffie overpeinst hij zijn leven als vrijgezel.

Dan volgt nu een intermezzo.

Een agent neemt de telefoon op en hoort wanhopig, haast schreeuwend gepraat. Het is een melding. Ze handelt de melding professioneel af en is benieuwd naar de uitkomst. Een uur later komt de uitkomst binnen in de vorm van een tweede agent die een vreemd verhaal vertelt. Van alle verwachtingen waarmee ze rekening had gehouden, was dit er niet een. Het is vreemd en unheimisch. Maar uiteindelijk blijft de politie niets anders over dan de zaak te sluiten en het voorval te vergeten.

En nu gaan we weer verder.

Pieter is pretentieus en ijdel. Bovendien is hij lui, laf, schijnheilig, inconsequent, amicaal, hoogmoedig en bij tijd en wijle lomp. Kortom, een onaangenaam mens. Op de wereld leven te veel mensen en Pieter is er zo een. Toch kan hij er niet veel aan doen. Had de maatschappij hem soms niet zo gemaakt, met zijn hoge doelen, individualisering, nadruk op originaliteit, sociale druk, overinformatisering en -stimulering, globalisering, popularisering en haat? Nee, daar lag het niet aan. Maar hij was wie hij was, zelfbewust en dierlijk tegelijk. We zijn niet minder dan de sterren, maar de sterren stellen niks voor. Pieter is Pieter. Geen antiheld, maar een gewoon gemiddeld mens. Hij heeft een baan die lastig aan anderen te beschrijven is en grotendeels onnuttig lijkt en die hij ook betreurt maar hem wel voorziet van een redelijk luxueus vrijgezellenbestaan. Waarschijnlijk is Pieter heteroseksueel, al vindt hij slanke, Aziatische mannen ook best aantrekkelijk. Pieter heeft in elk geval geen baard, maar van zijn kleren weten we niet veel (en bovendien wisselen die vaak en waarom zou dat belangrijk zijn voor dit verhaal?). Pieter houdt van de zon, maar ook van harde regen, waarbij hij spottend alle rennende en halfzachte voorbijgangers nakijkt, alhoewel de meeste in een auto zitten. Hij heeft een hekel aan auto’s en honden. Ze stinken, vervuilen, zijn potentieel gevaarlijk en getuigen van een slechte smaak.

Mieke ziet dat er gebeld is. Ze wil al bijna terugbellen, maar ziet dat er ook een voicemail is ingesproken. Ze luistert. De stem is wanhopig, haast schreeuwend. Geschrokken luistert ze tot het bericht is afgelopen, rent de gang op, plukt haar jas van de kapstok en racet weg met de fiets. Als ze bij Pieter aanbelt, wordt er niet opengedaan. Ze haalt een sleutel uit haar zak en opent het appartement. Er is niemand thuis.

Als Pieter thuiskomt en zijn slaapkamer inloopt, ziet hij dat een van de plinten heeft losgelaten. Hij geeft er een welgemikte schop tegen, maar de strook hout wordt door iets tegengehouden, veert wat terug en is nu nog losser geraakt. Pieter bukt zich en trekt de plint los. De obstructie blijkt een flink dode teen te zijn die uit de muur steekt. Pieter heeft wel vaker gefantaseerd hoe het is om een lijk te vinden – in een greppel, container of vuilniszak – en in hoeverre hij dan door angst zou worden overweldigd. De praktijk is dat hij twee seconden verbaasd is, dan hevig schrikt en ten slotte automatisch en pragmatisch handelt door de politie te bellen. Wanneer de politie opneemt, raakt Pieter alsnog in paniek, maar hij krijgt de verzekering dat ze direct zullen komen.
Pieter probeert de tijd te verdrijven met een cryptogram, maar de omschrijvingen dringen niet goed tot hem door. Dan bedenkt hij dat de politie koffie moet en koekjes en dat hij moet opruimen. Er is eigenlijk te weinig rommel om op te ruimen, maar hij zet wel het raam open voor frisse lucht. Hij zet een koekblik in het centrum van het lage tafeltje, kijkt er ontevreden naar en verschuift het blik naar een guldensnedepositie. Dan zet hij er mokken omheen (drie: één rechercheur, één hulpagent en één zo’n man of vrouw in een wit pak die veel van lijken weet – of nee: één die het lijk opruimt en één thanatopracticus of hoe heet ook alweer zo’n persoon die alles weet over ontbinding en rigor mortis, dus vier) en haalt een extra mok. Hij zet koffie.
Wanneer zijn ze er eigenlijk? Pieter tuurt uit het raam. Misschien duurt het nog wel even.
Pieter pakt de cryptogrammen, en het lukt hem één woord in te vullen: ananas.
Pieter staat op en tuurt naar buiten.
Pieter gaat weer zitten. Wat als de koffie te oud wordt? Misschien duurt het een stuk langer – het slachtoffer is immers al dood? Maar ze hebben gezegd dat ze direct zouden komen. Moet hij bellen? Dan komt dat misschien ongeduldig over. De politie heeft het vast heel druk en doet z’n best om snel hier te zijn. Dan gaat de telefoon. Pieter neemt op. ‘Met Pieter.’ ‘Spreek ik met Pieter Brouwers op Stieltjesweg 28 in Nijmegen?’ ‘Daar spreekt u mee.’ ‘Dan moet u mij eens uitleggen waar u bent en waar die vermeende teen is.’ Pieter staart ongelovig naar de teen. ‘Hoe bedoelt u? Ik ben gewoon thuis. Bent u niet op het verkeerde adres?’ ‘Is er een andere Stieltjesweg 28 in Nijmegen?’ Pieter heeft niet het idee dat de agent hem serieus neemt. ‘Denkt u dat ik een grap maak?’ zegt Pieter, nu ook geïrriteerd. ‘Ik vind het in elk geval niet grappig,’ zegt de agent, ‘maar met deze melding kunnen we niks, dat zult u toch begrijpen.’ Pieter is woest, maar zijn Broca is tijdelijk uitgeschakeld. ‘Maar. Ik. Hoe.’ ‘Meneer, ik sluit dit gesprek af. Als u zich in uw eigen adres hebt vergist, komt u maar in eigen persoon naar het bureau. Een teen loopt niet weg. Nou ja, een dode teen in elk geval niet.’
In Pieters gedachte was het lijk al opgeruimd en afgevoerd, maar nu was het weer terug en lachte hem uit in de vorm van een nawijzende teen.

In het kleinste café van Nijmegen zitten Pieter en Petra met hun rechtervingers om de steel van hun eigen glas, gevuld met het nieuwste speciaalbier. Pieter geniet van de rust, van het samenzijn, van de ambiance, van het bier en van de samenballing van dit alles in hun geklets over de verschillende culinaire mogelijkheden van de ananas, met zijn schurftige buitenkant en vezelige binnenkant vol etterend sap en de harde cilindervormige vezelconcentratie in de kern.
Petra’s blik geeft aan dat haar iets te binnen schiet. ‘Iets heel anders, ik wilde je nog vragen hoe het nu is afgelopen met die teen.’ ‘Teen?’ Met zijn tenen is nooit iets aan de hand geweest, behalve de aanwezigheid van wat voetschimmel af en toe. ‘Ja, je begon vorige week over iets dat je vroeger was overkomen: dat er een dode teen uit je muur stak en dat je de politie belde, maar dat ze niet kwamen. Je wilde nog verder vertellen, maar er kwam iets tussen – ik weet niet meer…’ ‘Dóde teen? Ik denk dat je in de war bent met iemand anders. Ik ken dat verhaal niet. Ik vind het wel iets voor Ino om zoiets mee te maken.’ ‘Nee, nee, jíj had het verteld – hoe kun je dat nou zijn vergeten?’ ‘Ik was het niet.’ ‘Nou, kom op.’ ‘Nee echt niet.’ Petra wordt boos. ‘Ik weet niet waarom je het opeens niet meer wilt vertellen. Het zal dus wel niet echt gebeurd zijn.’ Pieter zwijgt. ‘En stak die teen uit de muur?’ vraagt hij dan. Maar Petra negeert de vraag en neemt een slok van haar bier. ‘Heb je wel eens ananassoep met rode peper en mango geprobeerd?’

Luister! Luister! Er klinkt gefluister in het disteldonkerduister (artisjok). Het klinkt in alle spleten alle voegen alle regels door. Fluister! Fluister! Er linkt gekluister en gekerm ergens in het huis (druiven).
Het klinkt infantiel en pretentieus, zo’n Grieks dramatisch koor. En met een geïrriteerd en vreemd gevoel kijkt Pieter op naar zijn moderne, gepleisterde muur, naar de Ikeakasten en naar de plint. Natuurlijk is er niets te zien. Hij pulkt aan een plint, maar die zit stevig vast. Hij haalt een mes en wrikt de plint los. Achter de plint is een minder mooi afgewerkte laag pleisterkalk. Er steekt niks uit (perzik). Ook de volgende plint trekt hij los en ook daarachter ziet hij niks. Het is geen droom, geen verhaal. Wel ziet hij daar een haar in het pleisterwerk die eraan moet zijn blijven hangen tijdens het stuccen. Hij trekt de zwarte haar los maar er komt een brokje wit mee, waardoor er een gat ontstaat en een teen zichtbaar wordt. Pieter richt zich wild op en zet een stap naar achteren, waarbij hij hard en pijnlijk zijn enkel tegen de bedrand stoot (mispel). Hij voelt een duizeling en stapt struikelend naar de telefoon. In paniek belt hij Mieke, maar ze neemt niet op. Met onvaste stem spreekt hij de voicemail in. Een half uur verstrijkt. Pieters paniek is afgenomen nu hij Miekes voicemail heeft ingesproken. Ze zal terugbellen of hierheen komen en dan zullen ze naar de politie gaan. Met een voyeuristische perversiteit betast Pieter het muurvlak boven de teen. Ongeveer op ooghoogte ziet hij een witgekalkte haar. Hij pulkt eraan en de haar laat aan één kant los waardoor ze haar zwarte kleur blootgeeft. Pieter trekt en meer kalk laat los en valt als gruis op de grond. De haar is lang en leidt naar binnen, zit vast. Pieter laat de haar los. Hij gaat op de bedrand zitten en wacht. Luister! Luister! (Ze roept één keer, dan nog eens, en is dan vergaan, maar een vrucht is opgestaan – 6 letters)

Pieter schrikt wakker. Het is nacht. Hij ligt met zijn kleren aan op bed. Wat doet hij daar? Waarom ligt hij niet in zijn pyjama onder het dekbed? Hij herinnert zich vaag de droom waarin hij belde, in paniek was en op iemand wachtte. De lucht is beklemmend. Langzaam komen de herinneringen aan gisteren terug. De microscoop. De amoeben. De letters. Was dat laatste echt?
Pieter komt niet meer in slaap, trekt zijn ochtendjas aan, schuift zijn voeten in zijn teenslippers en loopt de trap af naar zijn werkkamer. De Bresser Biolux staat betekenisloos op het bureau en baadt in het maanlicht dat schuin door de ramen valt. Pieter knipt het licht aan en nadert het apparaat. De stapel papieren ernaast zijn niet beschreven met een verhaal. Hij knipt nu ook het licht van de microscoop aan, neemt plaats op de bureaustoel, druppelt vocht met amoeben op een objectglaasje, legt er een dekglaasje op en schuift dit onder het oculair. De amoeben slijmen vormloos rond. Pieter zucht diep en voelt de angst wegebben, al blijft een weeë hoofdpijn aanwezig. Hij gaat op de bank liggen, dekt zichzelf af met een fleecedeken en valt in slaap.
De deurbel gaat. Pieter wordt wakker en ziet een grote teen onder het fleecedeken vandaan steken. Een blik op de klok verontrust hem. Hij heeft zich verslapen. Voor de deur staan twee agenten. Verbaasd en nog slaapdronken staart Pieter naar de rijzige man en vrouw. ‘U hebt gebeld. De teen.’ De droom is weer terug in zijn herinnering – helemaal dit keer. Pieter trekt wit weg, mompelt wat, keert zich om en rent naar boven. Tegelijkertijd ziet hij dat er geen microscoop is en geen werkkamer. Boven is een kleine slaapkamer en onderaan de muur wijst een schilferige teen naar buiten. Pieter loopt naar de muur en bonst ertegenaan. ‘Er is geen teen! Er is geen teen! Ik heb niet gebeld!’ Een van de agenten grijpt hem en houdt hem in een houdgreep. Pieter stopt met wringen en worstelen wanneer hij een jonge vrouw in de deuropening ziet. Het is Petra. ‘Ik ben er,’ zegt ze. Pieter rukt zich los, klauwt met zijn nagels in de muur; witte kruimels laten los en zwart haar komt tevoorschijn. Het licht knippert stroboscopisch. En dan is alles duister.
En alles stil.
De nacht is verlucht met het trage licht van straatlantaarns. Pieters geklauwde vingers rusten bewegingsloos tegen de open muur. Hij is alleen. Een laatste brokje gruis valt onder zijn handen uit elkaar en komt rizzelend op zijn blote tenen terecht. Het hoofd met de zwarte haren vóór hem is van hem afgewend. Een ondraaglijke stank hangt in zijn neus. Pieters handen ontspannen zich, komen rustig in beweging en strelen dan de haren. ‘Dag Mieke,’ zegt hij, ‘ik ben er weer. Ik miste je te veel, ik werd er gek van, ik heb spijt. Kun je me vergeven?’

Mieke gaat op de rand van het bed zitten. Waar is Pieter? De deur van de inbouwkast gaat langzaam open en daar komt Pieter tevoorschijn, bijna als een illegale vrijer. Maar zijn blik is niet die van de betrapte vrijer (er is ook geen object voor een vrijage) maar eerder die van een waanzinnige met wijd opengesperde ogen en krachtig opeengeklemde kaken. Zijn rechterhand omklemt een scalpel. Voordat de situatie bij Mieke doordringt, heeft Pieter haar de kast ingeduwd met het mes op haar keel. Hij tapet haar vast en pakt dan de emmer met pleisterkalk.
Als Pieter klaar is, ziet hij dat haar teen nog uitsteekt. Daar vindt hij nog wel een oplossing voor. Hij eet zijn lunch en belt dan Petra op. ‘Mieke en ik zijn uit elkaar. Kan ik even naar je toe?’

‘De noodzaak tot een teenamputatie vloeit voort uit diverse oorzaken.’

(www.pendersvoetzorg.nl)

Geen reacties mogelijk