De wraak van Marten Hill

Lieve zuster, ik schrijf je deze brief met een gevoel van gelatenheid. Ik zal niet meer thuiskomen, en ik wil je bedanken voor je genegenheid. Ik ben niet meer bang voor de onnoembare dood die me te wachten staat, maar ik kan niet de tranen tegenhouden als ik eraan denk dat ik je nooit meer zal zien, o lieve zuster! Wat een kwelling dat mijn cipiers me juist dit als laatste hebben gelaten: een onbeschreven blad, een pen, een potje inkt en de opdracht mijn afscheid in woorden te schrijven. Dat, en dan alleen nog het wachten. Was het niet beter geweest om in vergetelheid te verdwijnen? Dat jij, o mijn zuster, niets had geweten van mijn einde en de gebeurtenissen die daartoe hebben geleid? Maar ik kan het niet – ik kan dit blad niet onbeschreven laten. God zelf verlangt een belijdenis van ieder die sterven gaat. Tyler, waar ben je! Ze staren me weer aan! Laat ze stoppen met lachen! Hun ontblote tanden en hun spot, laat het stoppen!

 

Genadig is de berusting die komt na het besef. Geloof me zuster, als ik zeg dat het schrijven van deze duivelse brief een even grote straf voor mij is als mijn eenzame opsluiting. Na het eerdere schrijven, moet ik op de grond gevallen zijn en de inktpot hebben meegetrokken. De grond is bevlekt met inkt. Maar mijn cipiers moeten de inktpot weer hebben bijgevuld. Toen ik bijkwam stond hij weer gereed op tafel. Ik wil niet de gebeurtenissen beschrijven die ik doormaakte. Ik heb hen bespot, ik heb gespot met hen die God zelf ter ruste gelegd heeft.

Het was mijn vriend Tyler Last die me uiteindelijk bekend maakte met het dorp Marten Hill, in de heuvels bij Lewiston, de plaats waar ik zoals je weet tegenwoordig mijn praktijk heb staan. Als medicijnenstudent had hij door zijn grote interesse in folklore en historie geen tijd meer voor het doornemen van studieboeken, voor het bijwonen van de openbare anatomische lessen en voor het assisteren van zijn professor. Hij verdiende wat geld met tijdelijke klusjes voor lijkbezorgers, rouwcentra en kerken – werk dat niemand wilde doen, maar waar Tyler zijn schouders voor ophaalde. Het geld was net genoeg om van te eten en de goedkoopste kamertjes bij hospita’s te huren. Zo kon hij al zijn tijd besteden aan zijn hobby die steeds meer een obsessie werd. Eigenlijk hadden we geen contact meer nadat ik van de campus was vertrokken en mijn intrek eerst in Lochs en daarna in Lewiston nam.

Het toeval wilde dat ik hem tegenkwam vlak na de dienst in de kerk van Lewiston. Het was niet de mis waarvoor hij kwam, maar enkele familiewapens die in de narthex hingen. Naar bleek onderzocht hij de familiegeschiedenis van de familie Marten en die had hem uiteindelijk naar het dorp Marten Hill gevoerd. De vroegste Martens die Tyler kon vinden waren geboren en getogen in Marten Hill, toen nog Cold Hill geheten. Hoewel ze zich daarna hadden verspreid, werden decennia lang alle Martens begraven op het kerkhof van Marten Hill. De kerk daar moest niet meer dan een kapel geweest zijn en is ooit na een brand niet meer herbouwd, maar het kerkhof wordt nog steeds door enkele nazaten van de eerste Martens in ere gehouden.

Blij om een oude vriend hervonden te hebben, en door hem enthousiast gemaakt over de familiegeschiedenis, bood ik Tyler aan bij mij in te trekken. Dit aanbod nam hij dankbaar in ontvangst, want hij had tot die tijd gewoond in een verlaten stal van een boer, die deze vreemde gast tolereerde zo lang hij geen last van hem had. We bezochten vaak de plaatsen die gekoppeld waren aan de geschiedenis van de Martens: vroegere woonhuizen en boerderijen van de familie, stukken land die lang aan hen hadden toebehoord, en natuurlijk het oude kerkhof van Marten Hill. De Martens waren om de een of andere reden een van de voornaamste bewoners geweest van Marten Hill en Lewiston, zonder dat echt duidelijk was waarom. De familie bestond vooral uit boeren en predikanten, maar hun namen doken vaak op als schenker of wijder van gebouwen, gedenktekens en andere zaken. Alsof hun naam een bepaalde status met zich meebracht. Volgens Tyler waren de Martens wellicht belangrijke leden of zelfs de leiders van een obscure vrijmetselaarsloge. Obscuur, omdat er niks over het bestaan van een dergelijke loge te vinden was.

 

Door mijn eigen enthousiasme over die curieuze familie Marten en hun invloed op de omgeving, zag ik niet hoe Tyler zo sterk door zijn onderzoek naar de Martens werd ingenomen, dat zijn gedachten en plannen veel verder gingen dan een gezonde geest is toegestaan. Overdag was hij vaak moe, iets dat hij verklaarde met zijn nachtelijke onderzoeken. Hoe ben ik zo blind geweest – waarom zag ik niet dat het niet ging om onderzoek van oude archiefstukken en biografieën, maar om veldonderzoek. Dat werd pas duidelijk toen hij op een ochtend in een moeilijk te doorgronden stemming verkeerde, iets tussen hypomanie en berusting in. Hij fluisterde bijna, alsof hij over verboden dingen sprak, maar zijn manier van bewegen en zijn ogen spraken van een soort kinderlijke verheugdheid. Hij sprak tegen mij:

‘Mijn waarde vriend, hoor wat ik te weten ben gekomen – wat een toeval. Of is het het lot? Een document, een rol papier, het lag in een verborgen nis achter de gedenkplaquette van Jan Marten in de kerk van Lewiston. Weet je nog hoe ik gisteren nog sprak over Jan Marten, de laatste Marten die nog in deze omgeving woonde? En dat ik hem nog gesproken heb vlak voor zijn dood, nog geen jaar geleden? Mijn God, wat een koppige schurk was dat! Niks wilde hij zeggen over zijn familie. Waarom? Ik heb hem gesmeekt, maar een hatelijke blik was alles wat ik kon krijgen. Als hij had meegewerkt… Dus moest ik hem ondervragen na zijn dood. Ha! Dood werkte hij een stuk beter mee. De sleutel om zijn nek kwam mij als historisch onderzoeker toe. Hij bood geen weerstand toen ik hem in het mortuarium ervan ontdeed. En eindelijk heb ik het sleutelgat gevonden – vannacht, op de plaquette!

‘Ik heb vanaf het begin toestemming gekregen van de pastoor om de kerk te bezoeken buiten de uren van dienst, doch in zijn bijzijn. Maar het afnemen van een sleutel van een geestelijke bleek nog makkelijker dan het afnemen van een sleutel van een dode, ha. Dus waar wachten we op? Laten we gaan! Ik zocht al die tijd verkeerd – het is hier in Lewiston, niet in Marten Hill!’

Wilde ik niet horen wat ik had kunnen horen in zijn vreemde, verwarde verhaal? Het was toen duidelijk dat hij geen onderzoeker was, maar een maniak. Mijn geest haalde uit zijn woorden echter alleen datgene wat het wilde horen: de sleutel naar een triomf in de onderzoekingen aangaande de familie Marten en hun obscure staat van dienst. Ik ging mee omdat ik er deel van uit wilde maken, omdat ik zo graag wilde weten wat mijn vriend had ontdekt.

 

Het was na zonsondergang toen we arriveerden op de locatie die Tyler als doel had uitgekozen. Dat we pas zo laat deze plaats moesten bezoeken, was volgens Tyler een zaak ‘van praktische aard’. Waarom liet ik het bij een dergelijk vaag antwoord op mijn vraag? En waarom was ik alleen lichtelijk verbaasd toen we vlak voor de kerk niet het pad naar de kerkdeuren opgingen, maar het zijpad naar de kerkhofpoort? Ik was ervan uitgegaan dat hij me naar de nis met het document zou leiden. Op mijn vraag waar het papier was, kreeg ik een verbluffend antwoord: ‘Dat heb ik verbrand.’

Welke duivel maakte mij zo blind, dat ik nog geloofde in het ‘wetenschappelijk nut’ toen Tyler vanachter een grafsteen twee kleine spades tevoorschijn toverde en met een ervan tegen een obelisk tikte met daarop de naam ‘John Peter Marten’? Welke demonische nieuwsgierigheid overkwam mij dat ik bleef optreden in deze faustiaanse scène? Zijn stem was als een professor die tegen zijn studenten sprak – en ik luisterde naar hem als een onnozele student.

‘Nu zullen we zien wat de familie Marten voor de wereld verborgen heeft gehouden, en wat hen zo beroemd heeft gemaakt in dit gebied. Een uniek geval in de sociale geschiedenis. Geniaal hoe zij een dergelijke cultus levend én verborgen hebben kunnen houden! Maar met het overlijden van Jan, de laatste Marten van Marten Hill, is daar een eind aan gekomen, en is het onze taak het geval aan de openbare historie toe te voegen.’

Van het graven in die afschuwelijke grijze bodem kan ik me niet veel meer herinneren. Maar het moment – O, God wees mij genadig! – het moment dat een van onze spades tegen het hout van de kist tikte, het moment dat Tyler het deksel lichtte, het moment dat de laatste Marten mij aanstaarde. Die verwijtende blik! O, zuster ik voel de blikken weer! Zij – Nee, ik moet verder met wat ik moet vertellen. Want Tyler wierp het lijk opzij en lichtte ook de satijnen bodem van de kist. Een opening werd zichtbaar – een opening waar Tyler zich in liet zakken. Was daar een trap? Ik zal het nooit zeker weten, want op dat moment voelde ik een scherpe pijn door mijn hoofd en werd alles zwart.

Toen ik weer bij bewustzijn kwam, lag ik nog op dezelfde plek: de klamme aarde had mijn ledematen verstijfd. Maar, zuster, hoe vertel ik nu verder? Maar het is waar! Het is waar wat ik zag toen ik met moeite ging zitten en de bonzende pijn op mijn achterhoofd voelde. Je moet me geloven! Niemand gelooft me! De politie niet, de getuigen die mij vonden niet. Ze zeggen dat het graf altijd dicht was geweest, dat het niet was verstoord, maar dat is niet zo!

 

Van Tyler was geen spoor meer te bekennen, evenmin als van zijn spade. Mij vonden ze wel, net bijgekomen en in waanzin starend naar het graf, en naast mij een spade. Ik moet geroepen hebben dat Tyler nog in het graf zat, dat er een trap was, dat ze het graf moesten openen en dat Jan Marten mij had aangestaard. Ik werd geboeid meegenomen en beschuldigd van poging tot grafschennis en een reeks daadwerkelijke grafschendingen op de begraafplaats van Marten Hill, en een dag later ook van de verdwijning van Tyler. Nadat ik schuldig werd bevonden, werd ik wederom geboeid. Ze hingen mij een bord om mijn hals: ‘Zie hier de grafschender en moordenaar van Tyler Marten’. Tyler Marten! Tyler, jij verrader! Hoe heb je je echte naam al die tijd verborgen gehouden! Waar was je naar op zoek! Welke afschuwelijke erfenis dacht je dat jou toekwam!

Ze lieten me aan een touw door de straten van Marten Hill lopen, dwars door de joelende menigte heen. Rot eten en stenen werden naar me gegooid, ik werd met ruwe touwen geranseld. Maar erger waren de lachende en grijnzende gezichten, de ontblote tanden, de ogen, de open monden, de wijzende kinderen, de bulderende mannen en de gierende vrouwen – waarom leken ze allemaal op het gezicht dat me had aangestaard vanuit het graf! Snap je het, lieve zuster, welke verlossing ik voelde, toen ik merkte dat ik mij – meer dood dan levend –bevond in de cel waar ik mijn doodvonnis moest afwachten? Eindelijk was ik verlost van de spottende menigte van Marten Hill, eindelijk kon ik in rust mijn dood afwachten. Ik lag gebonden op een smal stenen bed, maar dat deerde mij niet meer. Regelmatig viel ik weer in zwijm of in een onduidelijke slaap.

 

Hoeveel tijd was er voorbij gegaan eer ik merkte dat ik mijn armen en benen weer kon bewegen, niet meer tegengehouden door touw? Uren, dagen, weken? Het zouden maanden kunnen zijn. Nee, het moesten uren geweest zijn, want ik zag ze nog voor de kleine ramen van mijn cel: de spottende menigte van de straten. Grijnzend staarden ze naar binnen. ‘Ga weg!’ riep ik. ‘Zien jullie niet dat ik al ben gestraft en dat de dood mij wacht? Verkneukel je maar in mijn komende lot, maar laat mij nu met rust!’

Op een tafeltje met een stoel erachter stond mijn galgenmaal. Het weinige licht liet me niet duidelijk zien wat het precies was, maar ik had honger en dorst en at en dronk haastig. Na het maal viel ik in slaap. Toen ik ontwaakte waren de resten van het maal weg, en lag het papier, de pen en de inkt op hun plaats. Een fakkel aan de muur verlichtte de kamer. Op de grond lag een briefje.

‘Grafschenner, moordenaar, op de tafel ligt een leeg vel. Maak hier maar je afscheidsbrief van! Schrijf hoe je zo verlangde naar dit huis waar je nu eeuwig zult wonen. Verheug je! Eindelijk heb je dat wat je wilde!’ O lieve zuster, ik belijd, o ja, ik belijd, niet voor mijn cipiers maar voor God, want ik zal sterven.

Zuster, waarom dacht ik dat het voorbij was en de rust mocht genieten! Het licht van de fakkels is genadeloos. Kijk daar! Daar zijn ze, ze staren me aan vanachter de ramen! Laat ze stoppen, de spottende blikken van Marten Hill, hun grijnzende tanden en hun holle ogen, want het zijn niet de levenden, het zijn de schedels in de nissen van deze grafkelder!

(Insomnia, schrijfwedstrijd uitgeverij LetterRijn; opdracht: poëske horror; in longlist opgenomen, 2014)

Geen reacties mogelijk