Dreumes m/v

Foto: Pieter Brouwer

‘Wil Karel mooie sandaaltjes? Maat 22. Ik ben aan het opruimen,’ tweette een vriendin mij.
‘Graag!’ antwoordde ik meteen, milieu- en geldbewust als ik ben.
‘O ja, ze zijn wel roze,’ kwam er nog achteraan.

Ach, wat maakt het uit. Wij zijn niet zo van het jongetjesblauw en meisjesroze. In andere landen, zoals Polen en België is het trouwens omgekeerd: roze is voor jongens en blauw voor meisjes (en denk ook maar eens aan het blauwe kleed van de Maagd Maria).

‘Goh, ze groeit al flink zeg.’
‘Mag ze een broodje?’
‘Hoe oud is ze?’
‘Volgens mij is ze moe’
‘Dag dametje!’
‘Kijk Lotte, dat meisje heeft ook een muis’

Ik ben er al lang aan gewend dat mensen die ons niet (goed) kennen, denken dat Karel een meisje is. Ik zit dan wel altijd in een tweestrijd: moet ik zeggen dat Karel een jongen is, of juist niet? Eerst denk ik: ‘hij heeft vandaag zelfs blauwe kleertjes aan – waarom gaan ze er toch vanuit dat alleen een meisje lange krullen kan hebben? Wat een vooroordelen!’ Daarna bedenk ik me dat het me niks uit zou moeten maken: als Karel er als een meisje uitziet, is dat gewoon zo, het geeft niet als mensen dat denken.
Toegegeven: we knippen Karels haren niet, we doen hem soms een haarspeldje in zodat het haar niet in zijn ogen valt – en we laten hem roze schoentjes dragen. Maar dat doen we niet omdat we per se willen dat hij er als een meisje uitziet. Wel proberen we hem in elk geval niet stereotiep op te voeden, dat wil zeggen: we laten hem er niet per se als een jongen óf als een meisje uitzien. En hij mag doen en laten wat hij wil als het gaat om een keuze die maatschappelijk gezien als typisch mannelijk of juist vrouwelijk wordt gezien. Blijkbaar worden jongetjes nog steeds zo vaak expliciet jongensachtig (lees: stoer) gemaakt, en meisjes meisjesachtig (lees: prinsesserig), dat het opvalt als je dat niet doet. Dat speelgoedwinkels en kledingwinkels nog steeds een gescheiden jongens- en meisjesafdeling hebben, is ook een symptoom van een maatschappij die helaas nog steeds gepolariseerd wordt naar de twee seksen.
Begrijp me goed: als Karel bezig is met autootjes houd ik dat niet tegen. Als hij het zelf leuk vindt, vind ik het alleen maar leuk dat hij lekker speelt. Anders wordt het als ouders een pop uit de handen van hun zoontje rukken en hem een autootje in de handen drukken. En ik heb het idee dat zulke dingen nog steeds vaak (al dan niet bewust) gebeuren.

Toen Karel nog in zijn moeders buik zat, wilden we niet weten of het een jongen of meisje werd. Sommige mensen reageerden daar negatief op: ‘hoe weet ik nou wat ik als kraamcadeau moet geven / wat voor kaartje moet ik kopen?’. Maar het ging erom dat wij een kind kregen niet een zoon of een dochter. Ik heb dat altijd raar gevonden, die kaartjes: ‘hoera een zoon’ – was het dan erg geweest als het niet een zoon was geweest? Karels geboortekaartje was overigens groen.

Als kind ben ik de langste tijd opgevoed door mijn vader. Mijn ouders waren gescheiden: ik woonde met mijn zus en broers bij mijn vader. Hij was 100% huisvader. In die tijd (de jaren ’80) was dat natuurlijk iets zeer ongewoons. Ik heb nooit gehoord of mijn vader opmerkingen erover kreeg. Zelf heb ik gemerkt dat het ook nu nog niet echt wordt geaccepteerd dat je als vader huisvader bent. Een vrouw die geheel voor de kinderen zorgt (en niet werkt) is moeder; een man die voor de kinderen zorgt en niet werkt is werkloos. Vaders hebben ‘papadagen’; ‘mamadagen’ bestaan niet. Zelfs toen ik al een eigen tekstbureau had naast het huisvaderschap, kreeg ik wel eens de vraag ‘of ik al werk had gevonden’.

Ach, misschien maak ik me er te druk over. Alles blijkt uiteindelijk trouwens relatief te zijn. Zo bleken de roze sandaaltjes een heel mannelijke uitstraling te hebben. De vriendin, bij wie ik de sandaaltjes zou gaan ophalen zei: ‘ik kan mijn dochtertje aandoen wat ik wil, iedereen op straat denkt dat ze een jongetje is!’

(Origineel: Tips Werkende Ouders, 2012)

Geen reacties mogelijk