Driedelig paard

Driedelig paard

Ted van Lieshout heeft een hele berg aan prijzen gewonnen, waaronder de Theo Thijssenprijs voor zijn hele oeuvre. Hij staat vooral bekend om zijn (kinder)gedichten, maar is oorspronkelijk grafisch ontwerper en illustrator. Mijn vrouw kreeg een van zijn laatste werken, Driedelig paard, te leen – en dat was meteen ook mijn eerste bewuste kennismaking met het werk van Van Lieshout.

Het grafische element is waarschijnlijk het eerste dat opvalt. Vorm is waarschijnlijk ook het belangrijkste kenmerk van deze dichtbundel. Van Lieshout legt zelf de technische aspecten uit van zijn ‘blokgedichten’ en ‘beeldsonnetten’. Over het derde waarmee de bundel is gevuld, de tekeningen, zegt hij niks.
Kort gezegd zijn blokgedichten ‘prozaïsche’ brieven, toespraken en dergelijke die bladspiegelvullend en doorlopend zijn vormgegeven. Inhoudelijk zijn ze wel ‘verdicht’. De beeldsonnetten zijn sonnetten met in plaats van woorden een patroon van een steeds herhaald en minimaal afwijkend, gefotografeerd dingetje, zoals lepels of radijsjes. Voor meer hierover verwijs ik graag naar onderstaande link en naar het nawoord van Van Lieshout zelf.

Wat ik het leukste vind van de bundel is de lichte en vaak grappige inhoud van de blokgedichten. Zo wordt door de geprobeerd-hoogdravende stijl van een deel van de gedichten duidelijk dat de ik-figuren kinderen zijn. Dit is erg treffend gedaan, waardoor je als lezer je bijna weer kind voelt, of wellicht de belevingswereld van je eigen kinderen erin terugziet. Ook het hoge ‘ik ben een kerstbal’-gehalte maakt veel gedichten komisch (ik hou zelf nogal van ik-figuren die voorwerpen blijken te zijn). Maar er zijn tal van andere manieren waarop Ted van Lieshout de gedichten inhoudelijk tot een klein feestje maakt: soms is de benaderingswijze van de ik-figuur absurd (een moeder die een klacht aan haar kind schrijft over zijn lelijke tekening voor moederdag: ‘papa heeft helemaal geen stekeltjeshaar en ik heb krullen, dus waarom jij steil haar hebt getekend is een raadsel.’), een andere keer is de hele situatie absurd (zo heeft de hond een kabouter doodgebeten en vinden de kinderen een zeemeermin op het strand) terwijl de ik-figuur overdreven nuchter blijft. Soms eindigt het gedicht met een twist, en soms – ook dat komt voor – is het eigenlijk een heel serieus en droevig gedicht.

De tekeningen zijn sterk gestileerd van aard – het gaat om silhouetten die corresponderen met het gedicht waar ze naast of doorheen zijn geplaatst. Ze zijn monochroom, sterk vereenvoudigd en met een onvaste rand. Er zijn twee uitzonderingen: de gedetailleerde silhouetten in twee kleuren van kale bomen op pagina 58, en de driekleurige tekening op de voorkant, van het driekleurige paard. Dit paard is ook terug te vinden aan het begin van elk van de drie delen waaruit de bundel bestaat – in drie stukken wel te verstaan. Ted van Lieshout heeft hier ongetwijfeld iets mee bedoelt. Zo zou het kunnen gaan om drie levensfasen, zoals de recensent van onderstaande link beweert.
In elk geval komt het paard terug in het gedicht Ik wilde een paard. Het gaat over een meisje dat een paard wil, maar omdat het zo duur is, wil ze het best verdelen over drie verjaardagen. Haar vader insinueert dat ze dan elk jaar een stuk paard zou krijgen, maar dat vindt het meisje natuurlijk raar. Vervolgens gaat de vader met haar een gesprek aan over waarom ze een paard wil hebben en gaat het gesprek over de aard van een eigendom, verantwoordelijkheid, leeftijd, enzovoorts. Het is een opvallend gedicht omdat er in dit lange gedicht zo expliciet en serieus met een kind wordt gesproken. De vader besluit het gesprek met de opmerking dat zij, zijn dochter, hem ook in drie delen zal verlaten: eerst brengen haar benen haar de wijde wereld in, dan zal haar hoofd aanwezig zijn bij de jongen waarop ze verliefd zal worden, en ten slotte zal haar hart aan hem toebehoren.
Zou de bundel ook vanuit dit gedicht gelezen kunnen worden? Het eerste deel bestaat dan uit het ontdekken van de wereld door kinderen. Maar het tweede deel is zo divers, dat daar moeilijk een thema aan kan worden verbonden zoals ‘eigendom’ of ‘de groei van verantwoordelijkheid’ of ‘rijping (van de identiteit)’ – al kunnen enkele losse gedichten best bij zulke thema’s worden geplaatst. Het derde deel gaat wel weer duidelijk over oude mensen, en dus impliciet over afscheid. Een driedelig paard als een beeld van de drie levensfasen is dus toch wel waarschijnlijk, waarbij het tweede deel misschien nog het beste kan worden opgevat als ‘het leven’.
Een expliciete verwijzing naar Ik wilde een paard is het gedicht Ik zag een paard in drie kleuren, waarin het meisje van het eerste gedicht oud is geworden en door het zien van een driekleurig paard terugdenkt aan haar jeugd. Ze aait het paard en kan haast niet geloven dat het bestaat. Staat dit paard voor haar verloren jeugd?

Wellicht geeft de titel en de driedeling van de bundel dus nog wel de meeste diepgang aan het werk, en maakt het haast tot een gedichtencyclus – maar wel één met gedichten waar je vrolijk van wordt, of op zijn minst melancholisch.

Driedelig paard   door Ted van Lieshout

(Leopold, Amsterdam, 2011)

(Lezen-kijken-luisteren, 2011)

Geen reacties mogelijk