Gevonden voorwerpen

[Lees/print als pdf]

Ter gelegenheid van Kinderboekenweek 2018 – thema Vriendschap

Gevonden Voorwerpen

Illustratie: Pieter Brouwer

Myra

Myra had geen moeder. Die was gestorven in een verkeersongeval toen Myra een half jaar was. Myra kon zich haar natuurlijk niet meer herinneren, maar een foto van haar moeder hing op haar slaapkamer. Als ze boos was op papa, ging ze naar haar kamer en vertelde aan haar moeder waarom papa gemeen was. Haar moeder was het altijd met haar eens.

Volgens papa was het buiten nog te koud, maar Myra kon de lente al ruiken. Ze hoorde een motorvliegtuigje in de blauwe lucht. Zonder jas liep ze de trappen af, de flat uit en het plein op. De lage zon scheen heerlijk op haar gezicht. Het plein was leeg en stil. Er liepen geen mensen, want het was nog te vroeg en bovendien was het zondag, maar een grote groep duiven liep gezellig te kletsen en te eten. ‘De duivenmarkt’ noemde Myra dat altijd.

Myra liep voorzichtig naar de duiven.

‘Dag allemaal, goede morgen!’ Een paar duiven kwamen naar Myra toe en koerden.

‘Sorry, ik heb geen brood bij me. Maar daar verderop ligt nog wat.’

Myra bleef nog even praten en kijken naar de duiven, totdat er een scooter het plein op knalde en de duiven verschrikt in één grote wolk opstoven. Daarna kwamen er al snel meer voetgangers, en Myra liep verder naar een stillere straat. Daar kwam ze langs het museum.

Robots – onze vrienden van morgen

las ze op een spandoek boven de ingang. Het was de nieuwste tentoonstelling die vanwege het succes steeds weer werd verlengd. Papa zei bijna elke dag dat hij er nog heen wilde met Myra, maar ze dacht niet dat ze er ooit heen zouden gaan. Ze vroeg zich af wat ze zou doen als ze een robot vond. Zou ze die opnemen in haar verzameling van Gevonden Voorwerpen?

 

Gevonden Voorwerpen

Papa wilde altijd dat Myra na school ging afspreken met vriendjes en vriendinnetjes. Maar Myra vond het niet leuk om te spelen met andere kinderen. Die wilden altijd spelen met poppen, voetballen of op de Nintendo. Als Myra dan haar verzameling Gevonden Voorwerpen wilde laten zien, keken de kinderen haar vreemd aan. Sommige lachten haar uit en pestten er haar mee op school. De wat aardigere kinderen zeiden dat ze het stom of saai vonden en vroegen daarna of ze met de lego gingen spelen.

Myra’s verzameling Gevonden Voorwerpen lag op een tafel in de hoek van haar slaapkamer. Boven de verzameling hing de foto van haar moeder. De verzameling bestond uit dingen waarvan ze niet wist wat ze waren, zoals:

  • drie vreemde plaatjes van zacht, grijs metaal
  • een soort plankje met een plastic geel dingetje erop
  • een brokje van iets dat niet echt van hout was, maar ook niet van steen maar van iets daartussenin
  • een rafelig stuk touw met een ijzeren ring eraan
  • een pootje van een dier (maar van welk dier wist ze niet)

Elk voorwerp had een nummer. In een boekje, dat in een laatje van de tafel lag, noemde ze bij elk nummer:

  • hoe het Gevonden Voorwerp volgens haar heette, zoals ‘Alexander’ of ‘Emma’,
  • wat het volgens haar was, bijvoorbeeld een klepjes die op een helm van een maanwezen had gezeten, en de drie ogen van het maanwezen af konden schermen (als de zon op de maan scheen),
  • en als laatste: op welke dag het Voorwerp bij haar in bed mocht slapen.

Vooral dat laatste vonden andere kinderen maar raar. De kinderen zagen dan ook dat een paar Voorwerpen al naast het kussen in het bed van Myra lagen. Myra durfde dan niet te zeggen dat haar moeder vanuit haar foto bij elk voorwerp had gezegd op welke dag ze bij haar in bed mochten slapen, en dat de Voorwerpen Myra’s echte vriendjes en vriendinnetjes waren, en dat ze het zielig vond als ze voor altijd op de tafel zouden moeten liggen.

Al snel wilde Myra geen kinderen meer meenemen of bij kinderen gaan spelen. Ze wilde het liefst in haar eentje naar buiten om op zoek te gaan naar nog meer Voorwerpen die Gevonden wilde worden en bij haar mochten slapen.

 

Betsy

Op een dag vond ze Betsy. Betsy lag in een greppel aan de rand van de stad, bij een weilandje met één mager schaap. Betsy was een glazen bol van één meter hoog. Het was nog vroeg en niemand zag hoe Myra de bol uit de greppel omhoog duwde, en door de straten naar huis rolde. Betsy paste nog maar net in de lift. Gelukkig hoefde ze voor haar slaapkamer niet een trap op en paste Betsy door haar deur.

‘Dit is Betsy,’ zei Myra tegen haar moeder in de foto, ‘en ik denk dat ze een versteend slijmmonster is van onder de grond. Toen hier eeuwen geleden mensen kwamen wonen, ging ze in een soort winterslaap door zichzelf te verstenen. Nu wacht ze tot de mensen weer weg zijn. Maar ze zegt dat ze niet bang is voor mij, en dat ze graag als nummer 42 bij de Gevonden Voorwerpen wil.’

‘Dan mag ze op dinsdag bij jou in bed,’ zei haar moeder.

‘Maar ze past niet in mijn bed! En ze past trouwens ook niet op de tafel.’ Myra dacht even na.

‘Ze mag wel naast de tafel staan,’ besloot ze, en rolde Betsy naar haar plek.

Papa vroeg na een paar dagen wat dat voor grote bol op Myra’s kamer was, en of dat soms de nieuwste rage op school was. Myra zei dat ze haar zelf gevonden had. Daarna zei ze dat ze nooit meedeed met de rages op school. Voor haar geen spinners, spaarkaartjes, rainbow strings of ander hip speelgoed. Dat waren ook wel Voorwerpen, maar iedereen wist waar ze voor waren en iedereen wilde ze hebben, dus het waren Verwende en Verwaande Voorwerpen. Sam, een jongetje uit haar klas, had eens een Glitter Troll tussen haar Gevonden Voorwerpen gezet en gezegd dat ze beter Glitter Trolls kon sparen, want ‘daar had je in elk geval wat aan’. De Troll had de andere voorwerpen gepest en uitgescholden, en Betsy had haar Voorwerpen wel drie dagen moeten troosten, zo erg waren ze van het Verwaande Voorwerp geschrokken.

Elke dinsdag rolde Myra Betsy naar de rand van haar bed, en legde een deel van haar deken over Betsy heen. Zo ging het weken lang goed, tot de dag dat de robots kwamen.

 

De dag van de robots

De mensen hadden jarenlang de robots steeds slimmer gemaakt. En nu waren ze té slim. Een paar robots van de tentoonstelling ‘Robots – onze vrienden van morgen’ hadden ’s nachts stiekem een machine gebouwd waarmee ze nog veel meer robots konden maken, en waren toen losgebroken. Ze liepen en reden over de straten en drongen huizen binnen. Ze knepen alle mensen in de billen en jaagden hen zo de stad uit. Sommige mensen probeerden de robots kapot te maken, maar ze waren te stevig. Andere mensen probeerden met de robots te praten, maar ze gaven alleen gezoem als antwoord en trokken zich niks aan van de smeekbeden en argumenten.

En zo kwam het, dat op een dinsdag een robot de flat van Myra en papa binnenkwam. ‘Niet in mijn billen knijpen!’ riep papa. Myra werd wakker van het geschreeuw en ze sprong op uit bed. Ze wilde naar papa snellen, maar haar slaapkamerdeur ging al open en er verscheen een dunne, mensachtige robot. Net toen de robot een slangachtige arm met een knijphand naar Myra’s billen begon uit te schuiven, begon Betsy te bewegen…

Betsy rolde eerst naar voren, maar veranderde ook van vorm. Het leek wel of ze smolt. Ze was niet meer van glas, maar van doorzichtig slijm! De robot bleef even verbaasd staan en hield zijn arm in. Hoe slim de robot ook was, dit Voorwerp kende hij niet. Nog voor de robot kon bedenken wat hij moest doen, flitste een soort zwarte bliksem uit Betsy’s slijmerige buik. De robot werd vol geraakt en zag er opeens grijzig uit. Toen spatte hij in wel een miljoen stukjes uit elkaar.

Myra stond eerst even met open mond te kijken. Toen riep ze: ‘Betsy!’, maakte een vreugdesprong en omarmde haar slijmerige vriendin. Ze vond het niet erg dat ze zelf onder het plakkerige, doorzichtige slijm kwam. Betsy drilde vrolijk en begon roze te gloeien. Zo stonden ze een tijdje het ontwaken van Betsy te vieren, totdat Myra de geluiden van buiten hoorde: gillende mensen en zoemende robots! Papa! Waar was papa!

 

Een lege stad

Toen Myra met Betsy de gang van de flat oprende, zagen ze tot hun schrik dat er overal robots in de flat waren. Met moeite lukte het hen zich een weg te banen naar de uitgang van de flat. Betsy kon wel de zwarte bliksem gebruiken, maar steeds moest ze blijkbaar even opladen voor ze een nieuwe bliksem kon afschieten. Eén keer kneep een robotarm in Myra’s billen, maar gelukkig was Betsy’s bliksem net opgeladen en spatte ook deze robot uit elkaar.

Toen ze eindelijk buiten waren, merkten ze dat de straten en pleinen er verlaten bij lagen. In de verte zagen ze nog net de laatste robots die mensen voor zich uitdreven verdwijnen. Blijkbaar waren Myra en Betsy de enigen die de robots niet te pakken hadden gekregen. Ze probeerden nog de robots en mensen in te halen, maar dat lukte niet. Ze wisten niet door welke straten ze waren gegaan en hoorden nergens meer schreeuwen en robotgezoem.

Myra en Betsy zwierven door de lege stad en wisten niet waar ze heen moesten en wat ze moesten doen. Steeds meer duiven en andere vogels landden op de pleinen en straten, alsof het een zondagochtend was. Eigenlijk vond Myra het wel fijn dat het zo rustig was en er geen mensen waren. Nu had ze de hele stad voor haarzelf – voor haarzelf en voor de dieren en de voorwerpen. Maar ze miste papa wel. Ze zag voor zich hoe hij samen met de andere mensen als slaaf van de robots moest werken om machines in elkaar te zetten of voedsel voor de robots te brouwen. De robots kregen zo een vrij leven en konden dan naar het strand of de dierentuin gaan, zo vaak ze wilden.

Het was al middag toen Myra en haar vriendin langs het museum kwamen. Myra wist al wel dat de robots hiervandaan moesten zijn gekomen, maar nu pas kwam ze op het idee dat ze in het museum misschien wel aanwijzingen konden vinden voor wat de robots verder van plan waren, of waar ze heen gingen.

 

De knop

In het museum was het een enorme bende. Overal lagen smeerolieblikjes, stukjes metaal en schroeven. Paaltjes met zware touwen ertussen waren neergehaald, en glazen vitrinekasten waren kapot geslagen. Midden in de grootste zaal, stond een enorme machine te zoemen. Het was de machine die de robots had gebouwd. Op een groot scherm zag Myra een plattegrond van de stad. Op die plattegrond bewoog, helemaal aan de rand, een enorme groep stipjes door de lijnen die de straten moesten voorstellen. De mensen die door de robots werden voortgejaagd! Het enige andere stipje stond in het blokje dat de plek van het museum aangaf: dat moest Myra zijn! Betsy werd door deze radar niet weergegeven, omdat zij natuurlijk geen mens was. De robots hadden dit scherm vast gebruikt om een plan te maken hoe zij het beste alle mensen uit de stad konden verjagen.

Betsy was intussen naar een ander deel van de machine gelopen en stond daar groen te gloeien. Toen Myra naar haar toeliep, wees Betsy met een slijmerige tentakel die uit haar kwam naar een grote knop met een blauw lampje erin. Hoewel Betsy bliksems kon afschieten, had ze blijkbaar niet de kracht om knoppen in te drukken.

‘Moet ik deze indrukken?’ vroeg Myra haar. Betsy flitste oranje op – iets dat Myra intussen als een ‘ja’ herkende. Ze drukte de knop in en het lampje ging uit. ‘Waarom moest ik daar op drukken?’ vroeg Myra. Betsy glibberde terug naar het grote scherm en bleef daar staan. Samen tuurden ze een tijd naar het scherm, waar nu alleen Myra nog als stipje te zien was.

Maar opeens kwam er nog een stipje op de kaart! Het liep van rechts de plattegrond weer op. En niet veel later volgde er nog een stipje, en nog een. Al snel vulden de straten zich weer met stipjes. Waren het de mensen die weer terug kwamen? Maar hoe kon dat? Had het iets te maken met de knop? Er was maar één manier om daar achter te komen: naar buiten gaan en de stipjes voorzichtig tegemoet te lopen.

 

De terugkeer van de mensen

Buiten hoorden Myra en Betsy de mensen al aankomen. Want het waren inderdaad de mensen van de stad die terugkeerden. Ze schreeuwden niet meer van angst, maar leken te praten. Sommigen joelden en juichten. En toen zag Myra papa de hoek om komen.

‘Myra!’ riep papa, rende naar haar toe, tilde haar op en gaf haar een knuffel. ‘Was je nog hier? Hoe kan dat?’

Toen merkte papa Betsy op. ‘Is – is dat B-B-B…’ stamelde hij vol verbazing.

‘Ja, dat is Betsy,’ antwoordde Myra. ‘Ze is mijn beste vriendin.’ Papa begon te knikken. ‘Je vriendin… Ach, weet je, waarom ook niet?’

Weer thuis vertelde papa wat er was gebeurd. De robots hadden hem en alle andere mensen dus de stad uitgejaagd. Niemand wist waar ze heen werden gedreven. En toen, toen ze over de weilanden bij Nattebroek liepen, stopten de robots opeens met bewegen en zoemen. De mensen kwamen er al snel achter dat de robots echt niks meer deden. Maar de mensen waren toch nog bang voor ze. Niemand durfde iets met de robots te doen. Ze hadden ze laten staan en waren terug naar de stad gegaan.

‘Dus de knop werkte toch!’ Riep Myra blij.

‘Knop? Welke knop?’ vroeg papa.

‘De knop op de machine in het museum!’

Myra en haar vader gingen diezelfde dag nog naar het museum. Eindelijk waren ze er dan, al was de tentoonstelling er niet meer, en was het ook niet meer zo’n succes. Om de machine stonden medewerkers van het museum met vragende blikken te kijken. Anderen betastten de machine en probeerde uit te vinden hoe het werkte. Voor iemand op het idee kwam de knop weer aan te zetten, vertelde Myra en haar vader hoe de vork aan de steel zat. De dagen daarna haalde een speciaal politieteam, dat normaal bommen onschadelijk maakt, de machine uit elkaar.

 

De terugkeer van de robots

Het leven ging weer verder zoals het was vóór de robots er waren. Maar voor Myra waren er twee dingen veranderd. Ten eerste: papa leek haar opeens te begrijpen. Ze deden vaker leuke dingen samen, zoals samen zonder te praten langs de rivier wandelen en samen praten over de Gevonden Voorwerpen. Papa keek dan vaak naar de foto van haar moeder. De eerste paar keren kreeg hij dan steeds tranen in zijn ogen en zweeg dan lang, maar op een gegeven moment begon hij met haar te praten en zelfs te lachen.

Het tweede dat was veranderd was Betsy: zij was meteen toen ze weer thuis waren gekomen na de dag van de robots terug veranderd in een glazen bol. Nooit meer had ze gegloeid, gebliksemd of gedrild. Myra dacht dat het kwam omdat de mensen weer terug in de stad waren. Maar het gaf niet: Myra wist dat Betsy haar kon horen, kon zien en kon voelen. Elke dinsdag stond Betsy naast haar bed en legde Myra een hoek van haar deken over Betsy heen.

Aan de rand van de stad stonden de robots: stil en onbeweeglijk. Nog steeds durfde niemand ze er weg te halen of te slopen. Het leek of ze stonden te wachten op een volgende aanval. Maar op een dag kwam er een meisje naar ze toe. Ze liep naar de eerste robot die ze zag en sleepte hem mee, terug naar de stad.

*

In de kelder van Myra’s flat staan nu al twintig robots. Papa vindt het maar raar, net als de kinderen uit haar klas. Maar ja, zegt Myra, robots zijn ook maar Voorwerpen – en deze robots heb ik zelf Gevonden. Ze waren misschien niet aardig, maar ze kunnen nu niets meer, ook geen lol meer maken met hun robotvriendjes en -vriendinnetjes.

Soms neemt ze haar moeder mee naar de kelder. Moeder vertelt haar dan welke robot die dag mee mag naar haar kamer. Het is een heel gedoe om ze naar boven te krijgen, maar inmiddels zijn de flatbewoners eraan gewend naast een robot in de lift te staan.

*

Myra ligt in bed.

‘Welterusten allemaal. Jullie zijn allemaal mijn vrienden.’

Ze doet haar nachtlampje uit en valt tevreden in slaap.

Geen reacties mogelijk