Glad

Elke dinsdag ben ik op reis – eerst met de trein, dan te voet. Mijn doel is een gebouw waar ik mijn hersenen behoor te vergroten om vervolgens eventueel een baan met geld te vinden.
In nachtelijk (nou ja, eng-vroege) Limburg over de gesmolten sneeuw stappend naar het treinstation, waar al enkele andere reizigers zich nog slapend staande houden. En dan de trits lichtjes die van ver naar je toe komen. Instappen, zitten en je weer in bed wanen. In slaap wiegelend door de roffelende bewegingen van de trein…

En nog steeds donker als de trein tegen de stuwwal tot stilstand komt. Ik stap uit – en kan me nog net op de been houden. Voor me: een land bedekt met een laagje doorzichtig ijs. Op de straat, op de stoep, op de hondenpoep. Voorzichtig schuifelend als kleine kinderen op een schaatsbaan, of als bejaarde heren, zoeken wij, de reizigers en voorbijgangers, een weg naar onze doelen.
En dan volgt de weg de contouren van onder het asfalt verdwenen stuifduinen. Een fietsster schuift als een ware kunstschaatsster met haar linkertrapper over de weg, waarbij ze enkele pirouetten maakt. Een mevrouw maakt een sliding alsof ze altijd al voetballer heeft willen zijn. Een auto rijdt plots over zijn breedte naar de stoeprand toe – de gerichtheid van de wielen negerend. Ik ga op mijn buik liggen en laat me naar beneden roetsjen. Eerst naar beneden, dan weer naar boven en dan word ik gelanceerd. Over de huizen en de bomen, recht op mijn doel af. Zachtjes land ik in een overgebleven berg sneeuw. Ik sta op, sla de sneeuwkristallen van me af, en loop het gebouw binnen.
‘Wat ben je vroeg.’ Verbaasd kijkt een medestudent mij aan.
‘Het was glad,’ zeg ik.

(Caviazwerm, 2008)

Geen reacties mogelijk