Reizend haardvuur

De vrouw knikt vriendelijk naar me. Ze gaat tegenover me zitten. ‘Zo,’ zegt ze met een soort opluchting; haar gewicht rust nu op de nep-roodleren bank. Tevreden strijkt ze haar soepjurk recht. Ze kijkt geïnteresseerd naar me. Ik verwacht elk moment dat ze zal zeggen: ‘Goh, wat gezellig hier in de trein hè?’, maar ze blijft alleen kijken en zwijgt.

Aan de andere kant van het gangpad zitten twee studenten tegenover elkaar. Hoewel ze beiden slordige kleren aan hebben, denk ik niet dat ze bij elkaar horen. De ene kijkt verveeld naar het raam dat door de donkerte zijn gezicht weerspiegelt. Hij kijkt via die spiegel naar de gezette vrouw tegenover mij. De andere jongen slaapt met een vermoeid en ontevreden gezicht.

Ik kijk weer naar de vrouw voor mij, voor wie geen verveling lijkt te bestaan. Nu kijkt ze vrolijk naar die zombies aan de andere kant (gezellig hè?).

De trein gaat verder. Het is een intercity geworden. Kleine plaatsen flitsen voorbij als sombere oases van licht in een woestijn van duisternis.

 

We staan stil.

Ik schrik als ik merk dat de trein al bijna bij mijn plaats van bestemming is. Ik kijk snel op mijn horloge. Jezus, al zo laat! Buiten lopen mensen voorbij, op weg naar huis, een andere trein, de hoeren. Achter de mensen, achter het station, ligt een kerkhof. De doodsbedden worden spaarzaam belicht door natriumlampen. De doden slapen. Op een van de graven zit een kraai. Hij weet niet dat hij op een dag dood zal zijn. Ik wel.

De trein komt weer in beweging. Mijn ogen vinden weer rust op het gezicht van de vrouw tegenover mij. Het is de enige plek in deze trein, waar de drukkende duisternis geen invloed op lijkt te hebben. Ze geeft me het gevoel alsof ik voor een open haard zit. Om die gedachte moet ik lachen.

‘Een snoepje?’ Haar harde stem doorbreekt de stilte. Ze steekt een grote plastic zak naar me uit. ‘Ja, lekker.’ Mijn hele onderarm verdwijnt in de kleverige zak en komt er met een snoepje weer uit. ‘Bedankt.’ Ik knik haar nog eens vriendelijk toe en krijg de neiging om te zeggen: ‘Gezellig hè?’, maar deze trein is niet gezellig, dus houd ik mijn mond.

De vrouw draait zich een kwartslag om in haar bank en vraagt aan de twee studenten: ‘Snoepje?’ De nog niet slapende jongen lijkt uit een roes te zijn wakker geschud, schuift zichzelf moeizaam richting de zak en neemt een snoepje aan. ‘Dank u wel,’ mompelt hij, maar zijn blik klopt niet met wat hij zegt. Dan zoekt hij weer naar zijn oude positie, vindt die en droomt weer weg: de trein uit, de duisternis in. Het is opeens weer een geërfd meubelstuk dat al eeuwenlang slechts aan het existeren is. Snel kijk ik weer naar haar blik waarin ik mijn rust weer vind.

‘Waar gaat de reis heen?’ Ik zeg het voor ik er zelf erg in heb. Mijn stem klinkt tien keer zo hard en het is alsof de trein met zijn ritmisch geluid om stilte vraagt: ‘Ssst… Ssst… Stil… Doorbreek mijn stilte niet!… Ssst…’ Dan zegt de vrouw iets vreemds: ‘Ik reis mijn leven achterna.’ De zombie fronst zijn wenkbrauwen en trekt met zijn linkermondhoek. Dat is ook wat ik het eerst denk; wat een semi-filosofische uitspraak. Toch voel ik, haast beschaamd, dat ik het met haar eens ben. Ze ziet me denken en zegt, alsof het er daardoor duidelijker op wordt: ‘Ik reis om te leven. Te veel mensen reizen om te sterven.’ (De jongen die eerst nog wakker was, slaapt nu ook. Als hij nog wakker was geweest, had hij waarschijnlijk tevergeefs naar een Oosters aforismenboekje in haar schoot gezocht.)

Ik mag die vrouw wel. Opeens flitst er een herinnering aan iemand door mijn hoofd, maar voordat ik het kan bevatten, is het weer weg. Ik voel me tegelijk melancholisch en opgelucht, hoopvol.

Ik word rood als ik opeens zeg: ‘Een trein vreet grote afstanden, maar ook tijd.’ De jongens aan de andere kant slapen nog. ‘Iedereen wil zo snel mogelijk ergens zijn om zo snel mogelijk op de plaats van bestemming alles zo snel mogelijk te doen. Ze werken zich naar het moment waarop ze denken vrij te zijn. En dan, en dan -’

‘Dan gaan ze dood.’ zegt de vrouw met een brede grijns. En het is alsof alles wat ik heb gezegd door die vrouw is gezegd, niet door mij.

 

Dan is er een stilte en in de coupé hangt nog steeds dat woord. Dood. De student die de hele tijd lag te slapen, wordt wakker, kijkt met natte ogen om zich heen, gaapt en vraagt aan mij: ‘Weet u misschien waar we nu zijn?’ Ik zeg het hem. ‘Verdomme,’ mompelt hij en kijkt ongemakkelijk om zich heen. Dan staat hij op en strompelt al zuchtend de coupé uit.

‘Je moet van de tijd snoepen alsof het een dure bonbon is. Ja, het leven is een dure bonbon.’ Ze buldert ineens van het lachen. Op zich is het niet erg als iemand lacht, maar zoals zij lacht – nou ja, ik schaam me voor haar. De andere jongen is nu ook weer wakker geworden. Snel kijk ik naar buiten. Ik kijk om, tref de blik van de jongen en haal mijn schouders lichtjes op.

De vrouw is weer tot rust gekomen en glimlacht alleen nog maar. De trein stopt. Ik stap uit. De frisse buitenlucht doet me goed. Als ik buiten het station ben, heb ik het gevoel alsof ik iets in mijn handen had, wat nu weg is. Vreemd. Een koude rilling loopt over mijn lijf. ik wil snel thuis zijn en loop stevig door.

(Letterlik XII-4, 1998 (pub.))

Geen reacties mogelijk