Het gebreide dekentje

Wat was dat?
Patricia schrikt op en rent naar de woonkamer, de plek waar het stommelende lawaai vandaan kwam. Onderaan de spiralende trap ligt haar moeder. Terwijl ze zich zwijgend probeert op te richten, komt ook Huub naar binnen rennen. Haar moeder kijkt nog met een verwilderde blik om zich heen wanneer Patricia op haar toeloopt en neerknielt.
‘Gaat het?’
‘Ik – ik struikelde.’
Huub, de klusjesman pakt een klein gebreid dekentje op, dat vlak achter moeder op de trap ligt. Patricia kan zich niet herinneren dat dekentje eerder te hebben gezien.
‘Mama,’ zegt ze, ‘je moet ook geen dingen op de trap laten slingeren.’
De kamer staat vol dozen, losse spullen, uit elkaar gehaalde meubels, plastic bekertjes met resten opgedroogde koffie. De oude plankenvloer en kale wanden zijn weer zichtbaar geworden. Lichtere, vierkante plekken op de muren, en nagels en haakjes vertellen dat dit huis nu is uitgekleed, ontzield. Het behang, de muurverf en het pleister bladderen hier en daar als een vervellende huid.
‘Heb je je pijn gedaan, Carla?’ Huub legt het dekentje op een verhuisdoos en veegt zijn handen af aan zijn stoffige marineblauwe overall.
Moeder richt zich verder op en kreunt, terwijl ze haar linkerhand op haar linkerzij drukt. Haar dochter maakt aanstalten om de wond te bekijken, maar moeder weert haar af. ‘Nee, nee, het is niks. Alleen een blauwe plek.’
De rest van de middag probeert moeder behulpzaam te zijn, maar ze loopt eerder in de weg. Ze gedraagt zich als een koffiedame, terwijl ze bekertjes verzamelt, in de keuken rommelt, terug komt met weer thee of koffie of met alleen de vraag of iemand iets wil. Soms loopt ze de krakende trap op en af met kleine dingen in haar hand, wat weinig toevoegt aan het echte verhuiswerk.
Patricia denkt aan die keer dat zijzelf van deze trap was gevallen. Ze weet het eigenlijk voornamelijk omdat haar moeder het wel eens heeft verteld. (‘Je liet altijd alles slingeren – het was eigenlijk je eigen schuld.’) Ze kan zich wel nog vaag herinneren dat ze ergens van schrok, alsof er opeens een masker voor haar gezicht werd gehouden. Een eng masker. Ook ziet ze nog haar moeder onderaan de trap staan. En ze weet dat het litteken bij haar schouder door die val is veroorzaakt.

Als ze met z’n drietjes met hete soep aan de keukentafel zitten, lijkt haar moeder eindelijk wat tot rust te zijn gekomen. Buiten waait het koud, maar binnen heerst een kunstmatige warmte. Het huis kreunt en knapt en kraakt. Moeder vertelt Huub hoe blij ze is met haar nieuwe woning, slechts twee straten verderop.
‘Als ik hier straks weg ben, heb ik mijn eigen huisje. Het lijkt wel of ik weer op kamers ga.’ Ze glimlacht ondeugend.
Dat huisje was hier, denkt Patricia, een verlaten mezennest van lagen oud, muf dons en een lang vergeten skeletje verborgen in de takjes. Moeder heeft het nooit meer over haar vader. Ze huilde drie weken zonder veel te zeggen, en ging toen verder alsof vader er nooit geweest was. Maar zijn spullen stonden nog overal. Ook nu nog staan vaders spullen her en der in dozen of los in een hoek. Nadat vader stierf, woonde Patricia nog maar een jaartje in huis. Ze was blij toen ze eindelijk mocht studeren en weg was van haar moeder. Eén keer kwam ze langs op haar studentenkamer. Ze had dingen gezegd als: ‘Nu weet jij dus ook hoe het is om weinig geld te hebben.’ En: ‘Je zult vanzelf wel merken dat je… dat je lesbisch denkt te zijn, dat dat maar een fase is.’ Ze had ‘lesbisch’ uitgesproken alsof ze het woord voor het eerst in haar leven zei, en misschien was dat ook wel zo. Toen Patricia met haar vriendin over haar moeder had gepraat, en zich steeds bozer had zitten maken, had ze besloten haar moeder nooit meer te zien. Het was een lange tijd gelukt. Maar de tijd heelt wonden, ook die waarvan je het liefst had dat ze open bleven. Toen ze haar moeder weer had gezien leek het alsof ze in de tussentijd had opgegeven nog moeder te zijn. De tijd had haar versleten tot een warm en vriendelijk, wat naïef mens, maar ook gemaakt tot een vreemde. Ze zagen elkaar sindsdien één of twee keer per jaar en belden elkaar af en toe plichtmatig.
Toen moeder had aangekondigd dat ze ging verhuizen (‘dit huis is inmiddels te groot en vol geworden voor één oude weduwe’) en had gevraagd of Patricia wilde helpen, had zij haar moeder gezegd dat ze dat best wilde, maar dat ze geen zware dingen kon tillen nu ze zwanger was. Haar moeder was stil geworden aan de andere kant van de lijn, leek na te denken terwijl ze aan een nagel beet, en had toen gezegd: ‘Maar je bent toch…’. Na nog een stilte had ze gestameld: ‘Ik ben heel blij voor je, schat’.

Patricia hoopte snel met de verhuizing klaar te zijn, maar het huis is inderdaad groot en vol met spullen. Een nutteloos lichaam dat nog steeds kunstmatig in leven wordt gehouden en smeekt om een einde. Patricia wil zo snel mogelijk weg uit deze cocon, maar nu de avond nadert, haar moeder nog steeds last heeft van haar zij en de dozen nog lang niet allemaal gevuld zijn, ziet ze in dat ze het niet kan maken op dit moment te vertrekken.
‘Mama, ik blijf hier wel slapen. Dan doen we de verhuizing zelf morgen wel. Het busje hoef ik toch pas morgenavond terug te brengen.’
Even lijkt het of moeder ergens van schrikt. Ze kijkt peinzend uit het raam, lijkt zich weer te herstellen en zegt zacht: ‘Ja, ja natuurlijk.’ En na een korte pauze voegt ze eraan toe: ‘Bedankt, Patricia.’
Huub helpt nog met het weer in elkaar zetten van het tweepersoonsbed, dat boven op de slaapkamer al in onderdelen lag, en gaat dan naar huis. Patricia en haar moeder vullen de dozen verder, brengen spullen naar beneden en eten uiteindelijk onder een kaal peertje ieder een thuisbezorgde pizza. Ze gaan vroeg naar bed.

Iets in het huis kraakt.
Patricia draait zich in het grote bed om naar haar moeder. Haar moeder snikt.
Patricia knipt het lampje aan dat provisorisch naast het bed op de koude vloer is gezet, en ziet haar moeder rechtop naast haar zitten, haar handen begraven in dat kleine gebreide dekentje, haar gezicht nat van de tranen.
‘Je vader en ik hadden net dit huis gekocht. Jij was twee.’ Haar stemt is krakerig, lijkt ouder. Ze zucht, kijkt Patricia even aan en richt dan haar ogen naar boven. ‘Op een houten tuinbankje in de voortuin van dat huis, dat huis aan het einde van de Priemweg, je weet wel – daar zag ik haar voor het eerst. Op dat bankje zat ze, al was het al herfst en waaide er een koude wind. Ik had steeds gedacht dat het huis leegstond, zo vervallen als het was, en met zo’n overwoekerde tuin.
‘Ik knoopte een praatje aan met deze oude vrouw en vertelde ook dat we verhuisd waren en waar we nu woonden, een straat verder van haar. De oude vrouw zei dat zij daar ook had gewoond, vroeger, toen haar man nog leefde. Ze zei ook dat ze van kinderen hield en dat ze er zelf helaas geen had kunnen krijgen. Ik nodigde haar thuis uit en twee dagen later zat ze hier. Ze wilde geen koffie, maar leek verrukt dat ze weer in dit huis kon zijn. Ze was ook heel lief voor jou. Ik vroeg daarom of ze je babysit wilde worden. Ze stemde toe.
‘Ik was destijds bezig met het breien van een dekentje voor jou, voor op de bank. Ook toen Aat – zo heette de oude vrouw – hier op bezoek was, was ik daarmee bezig. Ik weet nog goed dat je steeds probeerde de wollen draad te grijpen. Aat keek er met interesse naar en zei op een gegeven moment: “nu is het af,” en knipte de draad door. Ze had trouwens gelijk: het dekentje was precies groot genoeg.
‘Elke week, op vrijdagavond, paste ze op. Ik betaalde haar er niet voor – ze vroeg niet om geld. Ik vond het heerlijk om elke vrijdagavond voor mezelf en mijn vriendinnen te hebben – je vader was dan naar zijn filmclub. En elke vrijdagmiddag smeekte je: “Niet Aat! Niet Aat!” Ik zag dat je die weken niet goed in je vel zat, bleek zag… Maar hoe moest ik weten dat dat aan haar lag? Je stelde je wel vaker aan en was wel vaker ziek.’
Weer kraakt er iets in het huis. De kou doet de oude trap kraken, denkt Patricia.
‘Op een vrijdagavond liep ik terug naar huis. Ik besloot binnendoor te gaan via een bospaadje dat uitkwam naast het huis van Aat op de Priemweg. Ik was nogal aangeschoten, had wat meer gedronken dan anders, en bleef nieuwsgierig naar haar huis kijken. Ik liep het tuinpad op en gluurde naar binnen. Hoewel het al donker was, viel er licht van een bijna-volle maan naar binnen en kon ik redelijk goed het interieur zien. Ik schrok: hoe kon Aat hier wonen? De kamer zag er even verwaarloosd uit als de buitenkant van het huis. Dikke lagen stof, spinrag – resten van eten op de tafel van een lang vervlogen maal. Ik gilde toen ik iets zag bewegen in een hoek van de kamer, maar waarschijnlijk was het maar een muis of een rat. En het zal de alcohol geweest zijn, of de verwondering dat hier iemand kon leven, dat ik een stap naar de voordeur deed en duwde. Heel even leek iets weerstand te bieden. Toen hoorde ik een klik en ging de deur langzaam naar binnen open.’
Alsof ze een verhaal vertelt bij een kampvuur, denkt Patricia. Zoiets deed moeder nooit. En wat is dit voor verhaal?
‘Een onverwachte stank deed me onmiddellijk kokhalzen en bijna tegelijkertijd zag ik op de vloer van de overloop een gezicht dat in het maanlicht oplichtte. Het gezicht was duidelijk van Aat en even duidelijk al een tijdje dood. Voor haar gezicht lag haar hand, verwrongen en knoestig, met doorgegroeide nagels en een kromme wijsvinger die leek te wijzen. Een duizeling overviel me, en het volgende moment was ik aan het rennen. Ik weet niet of ik huilde of gilde – ik denk geen van beide. Alleen die ene gedachte bleef hameren in mijn nuchter geslagen hoofd: wie is er dan nu bij Patricia? Achteraf zou een rationele geest kunnen zeggen: iemand anders, misschien wel een tweelingzus. Maar ik wist dat dat niet zo was. In mijn gedachten werden alle beelden van Aat versneld teruggespeeld. Waarom besefte ik pas op dat moment hoe gelig en ziek ze er altijd uitzag?’
Opnieuw kraakt de trap. En dan verhardt Patricia’s buik zich. ‘Mama…?’ zegt ze benauwd. Maar moeder hoort haar niet.
‘Toen ik eindelijk binnenstormde, merkte ik eerst niet eens dat de lampen allemaal uit waren. Zij zat daar en gaf je de borst, terwijl het dekentje om je heen was gewikkeld. Haar gezicht was begraven in je nek alsof ze je daar kusjes gaf. Ze keek op en trok een brede glimlach die haar scherpe, verbrokkelde tanden toonde. Een rode gloed omgaf haar en maakte haar silhouet waziger dan wat normaal had moeten zijn.’
‘Mama…?’
‘Ik schreeuwde van woede! Terwijl ik op haar afrende – ja woede. Woedend op mezelf dat ik je ooit had kunnen toevertrouwen aan deze heks. Ze leek verbaasd door mijn reactie. Haar lach veranderde in een blik vol haat. Ze klemde je hard tegen zich aan en stoof op. Even bleef ze twijfelend onderaan de trap staan. Door haar haat heen scheen ook angst in haar ogen. Toen rende ze de trap op.’
‘Mama! Mijn buik!’ Patricia gilde. Het ongeboren kind leek tekeer te gaan. Een voetje tekende zich af op de harde buik.
‘Stil!’ commandeerde moeder, ‘Ik moet dit vertellen. Ik moet dit vertellen! Toen die heks de trap oprende, rende ik ook. Maar ik viel over een speeltje van jou en bleef onderaan de trap liggen. Toen ik opkeek zag ik hoe Aat je opeens met gestrekte armen voor zich hield en je aankeek. Ze krijste in je gezicht en gooide je toen van de trap. Even dacht ik dat je dood was. Ik nam je in mijn armen en huilde, terwijl Aat langzaam de trap afkwam. Ik keek niet, maar hoorde de krakende treden en merkte dat ze over ons heen stapte. Toen ik wel weer opkeek, stond ze in de deuropening. Het maanlicht leek door haar heen te sijpelen. Ze hield het gebreide dekentje vast met één hand en sprak. Ik leek haar stem te dromen – of misschien droomde ik al. Toen ik later bijkwam, was dat omdat jij huilde en je je kleine handjes tegen je zij drukte. De woorden van Aat droom ik nog steeds: Goed, dát kind is van jou. Maar ik heb ook het bloed in haar buik gevoed met mijn melk, zoals ik mijzelf heb gevoed met het bloed van haar moeder. Dat wat van mij is, zal ik halen wanneer het dit huis betreedt.
Moeders stem lijkt veranderd, alsof iemand haar laat praten. Dan kijkt ze Patricia aan en lijkt weer te landen. ‘Het dekentje… Het lag vandaag opeens boven aan de trap. Ik raapte het op en zag toen pas wat het was. Ik schrok. Ik viel.’ In haar ogen neemt de paniek toe. Ze trekt wit weg. Een pijnscheut schiet door Patricia’s buik. En dan kraakt de trap een laatste keer. De deur gaat open en een wijsvinger met een nagel als een scalpel klemt zich om de rand.
‘Sorry! Sorry! Sorry!’ fluistert moeder, en begraaft haar gezicht in het dekentje om de geboorte niet te hoeven zien.

(De woordenbrouwerij, 2018)

Geen reacties mogelijk