Kinderdroomsprookje

Morpheus staart mij aan – net echt: van inkt en verloopkleurtjes en papiervezels. Het twinkelingetje in zijn zwarte ogen beweegt en hijzelf ook.
‘Cavia Magistra,’ zegt hij, ‘wat doe je in mijn Droomkasteel?’ Ik kijk om me heen en zie het interieur – precies zoals in de strip.
‘Uhm… ik droom, niet?’ zeg ik.
Morpheus staart mij aan, maar zegt niks.
En dan schiet mij te binnen waarom ik daar ben. Met een soepele beweging haal ik een 25-delige Brittanica-encyclopedie uit mijn tas.
‘Kijk, hier staat alles in wat u wilt weten, meester. Wacht, ik zal u eens opzoeken.’
Ik blader naar de M, en dan naar MO, en dan naar MOR, maar verder dan MORFOLOGIE gaat de eerste Nederlandstalige uitgave van de Brittanica niet.
Met zijn bleke kin in zijn langvingerige hand staart de Droommeester mij aan, zijn ogen schieten vuur. Ik weet dat hij boos zal worden.
‘Uhm… uh… U staat er – uh.’
Snel blader ik door naar NACHTMERRIE.
‘Kijkt u eens: een heel artikel over uh nachtmerries. Met aanbevolen literatuur.’ Ik zeg er niet bij dat de boeken en artikelen die staan genoemd lopen tot het jaar 1954.
Oneiron groeit en zijn zwarte, vlammende mantel golft om hem heen. Ikzelf word kleiner en zie dat ik nu even hoog ben als de nu wel 250-delige encyclopedie.
Ik begin het boek in te rennen en klim over woorden en illustraties. En dan pats! slaat de koning van de dromen het boek dicht.

Ik word wakker – de stripbundel is uit mijn handen op de grond gevallen. Ik raap het op en ga verder waar ik gebleven was.

(Caviazwerm, 2008)

Geen reacties mogelijk