Lente in rood-zwarte pyjamaatjes

Vuurwantsen

Foto: Lestat (Jan Mehlich) – Eigen werk, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=2826829

Deze eerste column van mij voor het Schrijvertje wil ik graag wijden aan de lente. Een mooi onderwerp om mee te beginnen, lijkt me – want al begint elk jaar met de winter, de lente is vanuit de natuur gezien eigenlijk een logischer begin van het jaar.

Of het nu de klimaatverandering is of niet, vast staat dat de seizoenen niet meer zijn wat ze nog niet zo heel lang geleden waren. Afgelopen herfst was zomers, na een herfstige zomer. November: een recorddroogte. December: veel regen. Het was al eind januari toen pas de echte winterkou doorbrak, en dan ook weer net wat kouder dan normaal…

Niet raar dus dat het ‘groene’ nieuws bol stond van de vreemde natuurverschijnselen (kijk maar eens op de nieuwspagina van natuurkalender.nl) – planten en dieren blijven in de war door deze atypische seizoenen: lentekriebels bij vogel en insect al vóór de winter goed en wel is begonnen, vroege hooikoorts door te vroeg bloeiende bomen…

 

Maar toch, maar toch: ondanks dit alles beleef ik elk jaar weer die eerste lentedag. Ik bedoel niet de meteorologische of astronomische eerste lentedag, ik bedoel de Eerste Lentedag. Wellicht is die dag niet voor iedereen hetzelfde, maar ik denk dat de lezer begrijpt wat ik bedoel. Voor mij is de eerste lentedag de dag waarop ik ga wandelen en alles zich opeens van binnen naar buiten keert. Niet alleen bromvliegtuigjes en de mensen zelf gaan weer meer naar buiten. Ook gaat het niet per se om de eerste bloemetjes die hun kopje boven de grond uitsteken (dat doen ze al als het voor mij nog geen lente is). Nee, het lijkt alsof de lucht lichter wordt, het geluid verder draagt, de drukkende kou wordt strekkende warmte, de koele winterzon wordt een krolse zon-op-het-bolletje. In de herfst keert alles in zichzelf, in de lente ontvouwt alles zich weer.

 

Meestal gaat mijn Eerste Lentedag ook gepaard met een wandeling langs linden, waar die dan ook staan. Meestal staan die linden in een rij en dragen ze onderaan een kroon van waterloten. Het nest van takjes draagt nog geen bladeren: de linden zijn nog in slaap – het zijn over het algemeen noordelijke soorten die wachten tot het lekker zomer is voor ze actief worden. En tussen die waterloten en tegen de onderkant van de stam zitten ze dan: de vuurwantsen (Pyrrhocoris apterus). Deze diertjes met hun fel rood-zwarte pyjamaatjes kiezen altijd mijn Eerste Lentedag uit om uit de grond te kruipen en te paren. Ze staan er bij entomologen trouwens bekend om, om hun lange paring: vaak twaalf uur, maar soms wel zeven dagen (!). Dit doen de mannetjes om te voorkomen dat andere mannetjes met ‘hun’ wijfje paren. Met hun hoekige vormen, abstracte kleurvlakken en symmetrische paarhouding, doen ze me wel aan origamifiguurtjes denken.

Gedurende de zomer en de lente zijn regelmatig de nimfen in meerdere stadia te zien: van petieterig en geheel oranjerood tot al wat zwart gevlekt en bijna volgroeid. Ook wordt het slagveld van geplette wantsen op de stoep steeds groter. Raar is dat niet, aangezien de eerst-geplettenen worden opgepeuzeld door hun soortgenoten, die vervolgens ook worden geplet, et cetera. Overigens drinken ze ook plantensap en eten ze ook levende prooien, waaronder hun nog levende neefjes en nichtjes.

 

De tweede generatie vuurwantsen kruipt ongeveer een half jaar later uit de grond. Maar dit keer geven ze mij niet echt een herfstgevoel. Vreemd.

En het volgende seizoen? Is er een Eerste Zomerdag? Daar moet ik nog even over nadenken…

(Het Schrijvertje, 2012-2)

Geen reacties mogelijk