Mijn geheime fantasie

stunts 1

Illustratie: screenshot Stunts 1

Ik doe mij graag voor als geëmancipeerde man, als autohater en milieuactivist, en als pacifist. Zo probeer ik ook te zijn: huisvader die niks-maar-dan-ook-niks weet en begrijpt van voetbal, fietser en wandelaar zonder rijbewijs, tegenstander van agressieve ‘burgerwachten’ en niet in bezit van een vuurwapen (ja, dat laatste is wel wat makkelijk).

Maar diep in mij zit een duivel, een psychopaat. Nee, erger nog: een autocoureur.

Eergisteren heb ik de wereld geschokt. Daar stond hij op Facebook, voor iedereen te zien: mijn eerste auto van Real Racing 3. Door enkele leden van mijn leesclub in de verleiding gebracht. En hoewel ik nooit veel snap van dat gaming geld, niet het verschil zie tussen de reclames, bonussen, races en alle andere honderden schermen – eigenlijk niks snap van de interfaces van mobiele games – ik heb het gedownload, geïnstalleerd en ben als een bezetene maar op al die schermpjes gaan drukken, waar af en toe de olijke avatargezichtjes van mijn vrienden uit oprezen. Net zo lang, tot ik mij in een race bevond. Wat er na die race op het scherm gebeurde, daar snapte ik weer geen hout van, maar – mijn god – ik had weer geracet! Mijn vrouw gilde en krijste bij het zien van al mijn agressieve mannelijkheid en andere psychopathie die naar buiten kwam. ‘Ons kind! Ons kind’ riep ze nog, maar ik duwde haar weg, zodat mijn ellebogen plaats hadden voor dat duivelse, virtuele stuur…

Het begon allemaal in mijn jeugd.

Mijn broers waren al als kind ware programmeurs op de MSX 1 die wij thuis hadden. Ze maakten zelf spellen, maar er zaten ook al spellen op (op cassettebandjes); een van die spellen was Stunts. Je kon je auto samenstellen en dan voorgemaakte of zelfgemaakte stuntparcours berijden. Ook was er het spel Roadfighter, een soort snelwegrace (vooral het eeuwige zoemgeluid kan ik me goed herinneren). Van alle spellen vond ik die racespellen het leukst, vooral wanneer je kon botsen, anderen vernietigen en halsbrekende en totaal onrealistische stunts kon uithalen. Het waren de enige spellen waarin ik beter was dan mijn broers en zus. Het was mijn sterkste kracht.

En toen kwam het beruchte Carmageddon uit. Terwijl op tv en radio de gehele maatschappij tierde en huilde om dit gewelddadige spel dat kinderen omvormden tot kleine Mad Maxen, togen mijn broer en ik op de Nederlandse release-dag naar de winkel. En de dag erna waren we er al aan verslaafd. Vooral ik. Wat een genot: salto’s maken in je auto over een flat heen! Met een sliding landen in vaten olie die de belendende koeien deden ontploffen! Surrealistische vaten innemen, die de auto deed zweven, stuiteren of hem van graniet deed maken! Racen, hard racen, en je tegenstander zo hard rammen, dat hij als een verschrompeld blikje zo hoog de lucht in vloog, dat hij op het dak van de fabriek waar je net doorheen was gekomen neerkwam…

Toen ik mijn vrouw leerde kennen, ben ik met veel moeite en in het geheim afgekickt. Maar het bleef smeulen, diep van binnen. Terwijl ik mensen schokte met het feit dat ik geen rijbewijs heb en wil, keek ik stiekem jaloers naar hun auto’s – fantaserend dat ik er zelf in reed: over de daken, schoorstenen omwerpend als hordes, dakstenen rondvliegend als grit, en met welk een snelheid! Racen, racen, racen!

Zo. Het is eruit.

Mijn diepste geheim.

(De webspinner, 2013)

Geen reacties mogelijk