Momo

Momo

‘Even een dunne Boektopper als tussendoortje,’ dacht ik toen ik Momo van de Nederlandse schrijver Hafid Bouazza uit de kast viste. Boektoppers zijn toch in de eerste plaats bedoeld voor scholieren, en dus verwachtte ik niet wat ik vervolgens te lezen kreeg: een boek dat misschien leuk is voor een slag mensen dat zelf onleesbare taal in elkaar tovert, zoals filosofen, maar toch zeker niet voor scholieren.

Het ís wel interessant, een taal die voor de helft bestaat uit neologismen, archaïsche woorden, en woorden die om onbekende redenen in woordenboeken terecht zijn gekomen, en die allitereren, assoneren en rijmen. Het is begrijpelijk dat veel lezers het boek na drie pagina’s wegleggen – zeker als je normaal proza verwacht. Had Bouazza het verhaal verdeeld in strofen, de regels in het midden afgekapt en de rest op de volgende regel gezet, dan was het gewoon poëzie, en was er waarschijnlijk niemand over gevallen. Lees Momo als een gedicht en het valt over het algemeen wel mee. Bij een zin als ‘een bus glansde als in schitterende morsecodes achter de bomen over de dijk’ krijg ik inderdaad meteen een goed visueel beeld, wat met meer alledaagse zinnen wellicht niet was gelukt, maar ‘zachtzwatelend lommer’ gaat ook mij wat te ver.
En net zomin als er ‘verhaal’ in een gedicht zit, zit er in Momo weinig plot. Volgens sommigen is het een impressionistisch boek, en ik denk dat dat wel kan worden gezegd. Momo is een jongen die kijkt door de ogen en luistert met de oren van zijn demonen. Beter gezegd: ‘daimonen’, het woord dat volgens Plato verwijst naar ‘weten en wijzen’ in de vorm van goedwillende bovennatuurlijke wezens, en etymologisch teruggaat naar het toewijzen van de lotsbestemming. In elk geval bestaan Momo’s daimonen uit het ritselen van de bladeren en het daarbij behorende twinkelen van het zonlicht dat door het loof wordt gefilterd. Hij ziet hier daadwerkelijke wezens in waarin hij kan wegvluchten uit de werkelijkheid – hij wordt gepest en heeft pech met zijn moeder. Maar het zijn wezens die uiteindelijk zijn noodlot worden.

Het thema ‘fantasie’ (van een kind) is duidelijk aanwezig in het boek. Samen met de titel moest ik daarom ook meteen denken aan een ander boek: Momo en de tijdspaarders van mijn favoriete Duitse schrijver Michael Ende, en met de fantastische Duitse titel Momo, oder: Die seltsame Geschichte von den Zeit-Dieben und von dem Kind, das den Menschen die gestohlene Zeit zurückbrachte. Eigenlijk zegt deze titel al genoeg: ook in dit boek is het hoofdthema de waarde van de fantasie van een kind: de Zeit staat namelijk voor de tijd die door volwassenen niet wordt ‘geleefd’, maar wordt omgezet in grijs, fantasieloos afwachten. In Endes boek behoedt Momo de volwassenen voor hun ondergang in fantasieloosheid – de Momo van Bouazza gaat juist aan die fantasie ten onder, maar dat komt omdat hij zich via zijn daimonen van de wereld afsluit, terwijl Endes Momo diezelfde fantasie gebruikt om de werkelijke wereld om hem heen als het ware te openen voor anderen.

Zou Bouazza Endes boek hebben gekend? Ik heb geen idee – ik kan zo snel geen commentaren of recensies vinden waarin deze link wordt gelegd. Waarschijnlijk is deze overeenkomst gewoon toevallig en heb ikzelf te veel fantasie.

Momo   door Hafid Bouazza

(Boektoppers, Malmberg, Den Bosch, 2005; oorspr. Uitgeverij PBO, Amsterdam, 1998)

(Lezen-kijken-luisteren, 2011)

Geen reacties mogelijk