Natuurdenken (2015-3)

kind in regenplas

Foto: Pieter Brouwer

Mijn vader was bij ons op bezoek. Een grote regenbui was net voorbij, en de zon scheen weer. Mijn kinderen zaten te popelen om naar de speeltuin achter ons huis te gaan, en met laarzen bewapend, gingen we er met z’n allen naartoe. De speeltuin bestaat uit een zandgedeelte met speeltoestellen en een groot hobbelig grasveld. Op het diepste punt van dat grasveld staat bijna altijd een grote regenplas. Alleen als het langere tijd warm is en niet regent, droogt de plas langzaam op. Er ligt vaak wat zwerfafval in, en kinderen met laarzen, zoals mijn zoontje, banjeren er lekker doorheen. De bedding van dit minimeertje bestaat uit slib.

Ik ben altijd nieuwsgierig naar onverwacht en klein dierlijk leven op vreemde plekken. Ik heb dan ook vaak in die waterplas getuurd, maar ben nooit wat levends tegengekomen; daarvoor is de dynamiek wellicht te groot door te grote schommelingen van regen, droogte, tred, warmte en kou.

 

Terwijl de kinderen speelden, tuurde ik samen met mijn vader – een bioloog met een voorliefde voor slakjes, parasieten en minutieuze plantjes – in de waterplas. ‘Kijk!’ riep ik opeens uit, ‘daar zwemt wat.’ Een zwart puntje schoot het slib in. Toch zichtbaar leven in de waterplas? We bleven kijken en zagen meer zwarte stipjes die steeds weg waren voor we ze goed en wel hadden kunnen zien. In eerste instantie dachten we aan insectenlarven – wat kon er anders in zo’n tijdelijke plas leven? Maar het gedrag van de stipjes leek anders. Toen ik ze eindelijk iets beter zag, dacht ik aan mosselkreeftjes of watervlooien, maar dat zou toch gek zijn op zo’n plek. En toen pas viel het gedrag ons echt goed op: de stipjes kwamen uit het slib omhoog zwemmen, tikten de waterspiegel aan, en verdwenen meteen weer in het slib – het was een waterplas vol minuscule jojootjes. Mijn vader en ik keken elkaar aan: ‘ze happen lucht!’. Gezien het gedrag en hun uiterlijk moesten het dus wel volwassen insecten zijn. Onze nieuwsgierigheid werd er alleen groter op.

 

Gewapend met een loeppotje kwam ik weer naar de plas en schepte snel in het slib, waar ik zojuist een puntje had zien verdwijnen. En nadat het slib wat bezonken was, kon ik eindelijk zien wat het was: een piepklein zwart kevertje met een luchtbelletje aan zijn achterste. Na nog beter kijken, zag ik dat het een soort lichtbruine schrapjes op zijn dekschildjes had, een beetje zoals een taptijtkevertje. Maar ja, zelfs mijn vader heeft niet alle kennis paraat over de veel te grote groep van de miniwaterkevertjes, en ik ontbeer een boek daarover. Als iemand weet wat het is, hoor ik het graag – maar al kom ik er nooit achter, ik ben blij dat ik toch weer eens werd beloond voor mijn eeuwige gezoek naar onverwachte diertjes, waar de meeste mensen toch onwetend overheen- en aan voorbijlopen, of met hun regenboogkleurige regenlaarsjes maatje 25 vrolijk doorheen stampen.

(Het Schrijvertje, 2015-3)

Geen reacties mogelijk