Natuurdenken (2016-1)

geelbuikvuurpadje

Foto: Christian Fischer, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=184528

In februari van dit jaar werden de soortbeschermingsplannen van provincie Limburg gepresenteerd. Deze plannen lijken op het eerste gezicht wat onlogisch in het ecologische kader van natuurbescherming. Onder meer de Habitatrichtlijn, de EHS, Natura 2000 en de Flora- en Faunawet richten zich op het geheel of een groot deel van ecologische factoren die samen een ecosysteem vormen. Zelfs de Rode Lijsten bestaan als onderdeel van dit ecosysteemdenken. Dieren, planten en het landschap vormen immers een onontwarbaar geheel dat eigenlijk alleen als geheel kan worden beschermd. Een futiel aantal van negen soortbeschermingsplannen die zich richten op negen losse soorten lijkt dan wat vreemd: één soort maakt namelijk nog geen ecosysteem. Extreem gezegd is het uitsterven van één soort in een ecosysteem in ecologisch, financieel of veiligheidsopzicht niet per se een probleem.

 

Er zijn redenen waarom er toch voor gekozen wordt soortbeschermingsplannen te maken. Ten eerste gaat het om kritische soorten. Deze soorten zijn gevoelig voor uitsterven omdat ze hoge ecologische eisen stellen. Als het lukt dergelijke soorten te behouden, zijn de strenge ecologische voorwaarden dus aanwezig en liften als het goed is alle andere soorten van het bijbehorende ecosysteem mee. In dit opzicht zijn de plannen vergelijkbaar met de Rode Lijst. Van deze laatste soorten is het echter niet altijd helder waarom ze achteruit gaan of zeldzaam zijn, in tegenstelling tot de soortbeschermingssoorten.

 

Als bovenstaande de enige reden was om soortbeschermingsplannen op te stellen, blijft de vraag waarom er maar negen zijn (in het geval van Limburg). Het zal een praktische kant hebben (het is haalbaarder negen soorten te redden dan vierhonderd). Maar waarom juist deze soorten worden gekozen, blijkt al snel als wordt gekeken naar de betreffende dieren: wespendief, wilde kat, wolf, geelbuikvuurpad, knoflookpad, kraanvogel, oehoe, hazelmuis en oeros. Het zijn allemaal coole dieren met een hoog dierentuingehalte. Het zal makkelijker zijn animo te verkrijgen om zulke dieren te beschermen dan voor, zeg, het vaak gediscrimineerde zeggekorfslakje. Overigens valt het oerrund (Tauros) een beetje uit het rijtje, omdat het misschien wel cool, maar niet wild is, wordt gefokt en uitgezet. De reden voor het beschermen van deze soort is zijn ecologische functie van een (geharde!) grote grazer.

 

Is er reden om de soortbeschermingsplannen te zien als pure symboolpolitiek, de panda van de Nederlandse natuurbescherming? Ik denk het niet. Zoals gezegd is er zeker ook een ecologisch (neven)doel aanwezig. Maar belangrijker: is het erg om aandacht te schenken aan zogenaamde ‘inherente natuurwaarde’ tegenover de ‘functionele natuurwaarde’? In deze tijd hebben allerlei waarden volgens de overheersende politiek en een groot deel van de samenleving alleen nog bestaansrecht als ze vallen uit te drukken in kwantificeerbaar nut (het liefst als financieel gewin op de korte termijn). Wij hebben als mensheid zowel de verwaande macht het wonder van miljarden jaren evolutie in een handomdraai de nek om te draaien als de macht om het te beschermen en te behouden. Als we mensen eerst warm krijgen voor de Limburgse ‘panda’s’ is het een stuk makkelijker de inherente natuurwaarde verder te propageren en de mensen het wonder van het hele ecosysteem te laten zien (via kleinere systemen naar ‘biomen’ en uiteindelijk de hele aarde). Echte bescherming lukt pas als er genoeg ogen geopend zijn.

(Het Schrijvertje, 2016-1)

Geen reacties mogelijk