Natuurdenken (2017-1)

Foto: Pieter Brouwer

Onlangs kreeg ik een berichtje van mijn moeder: ‘Het wordt nu wel een dierentuin bij jullie!’ met een linkje naar het bericht van de door Lisa en Olaf op den Kamp gevonden wilde kat in Nijswiller. Exotisch aandoende dieren als wasberen, bijeneters, wilde katten en bevers rukken steeds meer op in Limburg; dat is wellicht wat mijn moeder bedoelde. Vooral de warmteminnende soorten komen nu nog niet verder dan Zuid-Limburg. Maar ook buiten (Zuid-)Limburg betreden ‘exotische’ dieren uit andere windstreken ons land, zoals wasbeerhonden en wolven meer naar het noorden, en een nieuwe thermofiele waterfauna in onze zee. Toch stond ik wel even verbaasd te kijken toen ik aan de rand van de vijver in het park beversporen vond. Ik wist natuurlijk wel dat het in Roermond stikt van de bevers, ook stadinwaarts, maar in Maasniel? Hoe komen ze hier? Ik kan geen natte, groene verbindingen naar de Hambeek of Roer vinden, ze moeten haast wel over tegels en straten hierheen zijn gekomen. Sinds enige jaren zitten er in het park ook ijsvogels. Die kunnen natuurlijk vliegen, maar het blijft ook in dat geval bijzonder dat ze een ‘betonnen’ barrière toch durven te doorkruisen.

Diersoorten die gewend raken aan een sterk menselijke omgeving, zoals de stad, en er zelfs gebruik van maken voor bijvoorbeeld foerageren, nestelen en schuilen, worden ‘cultuurvolgers’ genoemd. Merels, futen en blauwe reigers kwamen vroeger alleen buiten bewoonde gebieden voor, maar we zijn eraan gewend dat ze nu onze tuinen en parken sieren. De combinatie van klimaatverandering en de nog steeds voortgaande expansie van de menselijke omgeving zet dieren (en planten) voor het blok: zich aanpassen (cultuurvolgers) of zich terugtrekken naar de steeds kleinere eilandjes natuur (cultuurvlieders).

Het is natuurlijk interessant en hoopvol hoe bepaalde soorten zich kunnen aanpassen, maar er zijn twee keerzijden. Ten eerste zijn er natuurlijk de verliezers, de talloze soorten die de strijd om leefgebied en aanpassing verliezen – de cultuurvlieders die worden opgeslokt door de menselijke expansie; en helaas gaat het hier om het grootste deel van de soorten. Ten tweede kunnen cultuurvolgers een plaag gaan vormen wanneer hun gedrag botst met de menselijke maatschappij (knagers, holengravers, veevangers) of wanneer hun aantallen dermate hoog oplopen dat ze andere soorten verdrijven.

Biologisch gezien is de mens het grootste plaagdier op aarde: het verandert zijn milieu, zijn omgeving zo drastisch, en het neemt in aantal dermate toe, dat het op den duur steeds meer andere soorten zal verdringen. Maar anders dan andere dieren kunnen wij nadenken. Onze hersenen zorgden er tot nu toe vooral voor dat we ons tot een (antropocentrische) plaag hebben ontwikkeld. Bewezen is dat een grotere mate van biodiversiteit bijdraagt aan een flexibelere en draagkrachtigere ecologie. En aangezien wij deel uitmaken van die ecologie is het ook niet onverstandig voor de mensheid als geheel om ecocentrischer te gaan denken en handelen. Het zou mooi zijn als we diezelfde hersenen nu gebruiken om na te denken over een samenleving waarin ook plaats is voor andere soorten.

Tip: de zesde aflevering van de nieuwe documentaireserie Planet Earth 2 (‘cities’) is gewijd aan het mechanisme, de successen en de problemen rond cultuurvolgers en -vlieders.

(Het Schrijvertje, 2017-1)

Geen reacties mogelijk