Natuurdenken (herfst 2015)

kind en pony

Foto: Pieter Brouwer

Misschien heeft u dat ook wel eens, het gevoel dat de natuur ‘onaanraakbaar’ is en voor ons onbegrijpelijk. Het gevoel dat we wellicht onomkeerbaar te ver van de natuur verwijderd zijn geraakt. Soms ben ik jaloers op de vanzelfsprekendheid en zorgeloosheid die de natuur uitstraalt, en die niet anders kan dan haar ‘vernietiger’ de mens accepteren.

 

Een van mijn favoriete schrijvers, H.P. Lovecraft (1890-1937), heeft het filosofische idee van het ‘cosmicisme’ uitgewerkt. Dit gaat ervanuit dat er geen bovennatuurlijke macht is, zoals een god; dat mensen onbeduidend zijn in het grotere plan van het intergalactische bestaan, en dat zij hun eigen ‘mentale afgoderij’ projecteren op de kosmos, onwetend dat zij nietig zijn in de tijd, de ruimte én in betekenis. Zij zijn niet meer of minder belangrijk dan bijvoorbeeld insecten en planten.

 

Lovecraft was echter niet de eerste die zo dacht. Een van zijn literaire voorbeelden, Lord Dunsany (1878-1957), schreef al tal van verhalen gezien door de ogen van dieren, om zo de verwaande en hypocriete houding van de mensen aan de kaak te stellen en tegelijkertijd de natuur te verheffen tot even goed, zo niet beter, dan de mens. In zijn toneelstuk The Use of Man wordt een mens naar een droom getransporteerd, waarin hij moet verschijnen voor een raad van ‘spirits of animals’, die erachter wil komen wat het nut van de mensen is, want zij kunnen er geen bedenken. Nadat allerlei dieren (behalve de hond) allerlei slechte dingen hebben genoemd over de mens, komt uiteindelijk de mug voor hem op: de mens is zijn voedsel. Uiteraard wilde Dunsany met deze satire laten zien hoe hypocriet de mensen gewoonlijk tegenover het ‘nut’ van de natuur staat – iets wat alleen maar actueler wordt in deze tijd waarin bij wijze van spreken elk diertje en plantje alleen nog bestaansrecht geniet als het economisch genoeg kwantificeerbaar is.

 

Ook ná Lovecraft zijn er schrijvers en filosofen geweest die het cosmicistische thema hebben opgepakt en het hebben verwerkt in hun werk. Zo verklaart de Noorse filosoof Peter Wessel Zapffe (1899-1990) de kloof tussen de mens en de natuur als volgt: de mens zit opgezadeld met ‘overontwikkelde’ kwaliteiten, zoals begrip en zelfkennis, waardoor hij niet meer past in het patroon van de natuur. Hierdoor blijft de mens eeuwig gefrustreerd door bijvoorbeeld het bestaan van de dood. De mens wil uitleg en genoegdoening die hij niet uit de natuur kan halen. Volgens deze theorie is de mensheid een tragedie en een paradox, omdat de mens zijn hele leven probeert niet mens te zijn. De Amerikaanse filosofische horrorschrijver Thomas Ligotti (geb. 1953) is een aanhanger van Zapffes werk en heeft zijn ideeën verwerkt in zijn pessimistische en nihilistische verhalen.

 

Nietzsche, ten slotte, erkende ook dat de manier waarop de mens zichzelf in de natuur zag, een illusie was, maar koppelde daar ook zijn esthetiek aan: de mens wordt soms nog steeds overrompeld door het spel van apollinische krachten (orde en regelmaat) en dionysische krachten (roes en chaos) in de natuur, waarin hij zich terecht ‘op zijn plaats gezet’ voelt worden: de storm, de bergen, de zee… dan voelt hij zich weer het nietige wezen dat hij eigenlijk is.

(Het Schrijvertje, herfst 2015)

Geen reacties mogelijk