Orewoet (Emy Koopman) – een recensie

Orewoet is een Middelnederlands woord dat vooral door Hadewijch bekend is geworden als een begrip dat staat voor zoiets als de spanning tussen hoop en wanhoop, ‘hartstochtelijke liefdesbrand’, iets dat aanleunt tegen de waanzin (zie hier). Orewoet is ook de titel van het goed ontvangen debuut van Emy Koopman (zie onder andere hebban.nl en de NRC), en moet misschien ook wel gezien worden als het thema van dit boek. Het is immers ‘een indrukwekkende roman over de vloeibare scheidslijn tussen begeerte en waanzin,’ volgens de achterkant van het boek.

Psychologische roman

Orewoet gaat in eerste instantie over de zestienjarige Alex die pas bij de dood van zijn vader erachter komt wie zijn vader was, over de moeder van deze jongen (Agatha of ‘May’) en over de vroegere vriend van zijn ouders (Diederik of ‘Dirk’). De kunstenaar Lucas Brandmeester zet met zijn dood een wervelstorm van gedachten, herinneringen en gebeurtenissen in gang, die de lezer meeneemt naar het verleden van de volwassenen en de gevolgen die het heeft voor alle drie de personages in het heden. Dan blijkt hoe de drie nabestaanden via bedrog, verborgen geheimen, liefde, haat en mislukkingen aan elkaar gebonden zijn met in het middelpunt Lucas. Voor hen is Lucas in eerste instantie een geïdealiseerd personage: voor de jongen een onbereikbare vader, voor May een onbereikbare god, voor Lucas iemand om jaloers op te zijn. De lezer komt echter nooit in het hoofd van Lucas, maar moet het, net als de personages, doen met de gegeven informatie – en zo is Lucas ook voor de lezer een ‘abstract’ ongrijpbaar personage. Verafgoding, vertwijfeling en (voor wie het wil) catharsis hebben alles te maken met het eerdergenoemde begrip orewoet: ‘[Alex, Dirk en May] proberen de wereld naar hun hand te zetten, maar controle en beheersing leggen het af tegen het soort verlangen dat je binnenstebuiten keert’ staat, wederom, op de achterflap.

De roman is dus duidelijk een psychologische roman. En vreemd is dat niet, als we de achtergrond van de auteur kennen, die afgestudeerd klinisch psychologe is. Dit boek laat echter duidelijk zien dat een goede psychologische roman niet bestaat uit louter toepassing van psychologische kennis, maar dat deze – goed doordacht – moet worden verweven met een literaire diepgang. Het doet het boek zeker goed: perspectief, plot, timing, setting en andere aspecten sluiten naadloos bij elkaar aan en versterken het geheel. Een vaardig letterkundige (de auteur is ook gepromoveerd letterkundige) is niet per se een goede schrijver, maar de combinatie psychologie en letterkunde heeft in dit geval zijn bewonderenswaardige vruchten afgeworpen.

Perspectief en timing

Het verhaal begint in de ik-vorm. We volgen de gedachten van de adolescent Alex terwijl hij met zijn moeder aan tafel zit. Hij geeft niet alleen weer wat er gebeurt, wat er is gebeurd en hoe hij zich voelt, maar geeft, gelukkig voor de lezer, ook altijd heel goed de sfeer weer. ‘De enige hoorbare geluiden (…) zijn het getik en geschraap van vorken en lepels op borden, het geklik en gemaal van tanden en kiezen, de peristaltische bewegingen van de slokdarm.’ Dit is geen gezellig avondmaal.

Binnen hetzelfde eerste hoofdstuk begint ook de stem van Dirk (in een ander lettertype). Als personage was hij al aanwezig in het stuk van Alex, maar nu treedt hijzelf naar voren. Toch is het contact met de lezer dit keer minder intiem. Dirks stem is namelijk één wel erg lange brief, die verdeeld over het boek wordt gepresenteerd, en gericht is aan May. We weten dus niet wat hij daadwerkelijk denkt. Zijn brief aan May kan niet anders dan gekleurd zijn en misschien zelfs deels onwaar: de lezer komt er al snel achter dat Dirk niet de meest betrouwbare persoon is. Toch komen we in deze brief het dichtst bij Dirks levensverhaal en drijfveren. Het is ook één van de twee vensters naar het gezamenlijke verleden van Dirk, May en Lucas.

De lezer is al over de helft van de roman wanneer er opeens een derde stem (in een derde lettertype) opduikt: die van May. We kennen haar tot nu toe alleen als falende moeder (vanuit Alex’ perspectief) en als geheim ‘liefdesobject’ (vanuit Dirks perspectief). Het is een opmerkelijke keuze van Koopman May pas zo laat een eigen stem te geven, maar het werkt wonderwel. Het zorgt ervoor dat de eerste helft van het boek leesbaar blijft, zodat de lezer goed in het verhaal komt, zonder gestoord te worden door een te grote mate van fragmentatie. Bovendien heeft de lezer (onbewust) een beeld gevormd van deze vrouw via twee subjectieve perspectieven, en is het bijna een shock als hij/zij merkt dat dit ook gewoon een vrouw van vlees en bloed is, die net als haar zoon in gevecht is met zichzelf.

We volgen May op twee manieren: via tekstdelen waarin we – net als bij haar zoon – in haar hoofd zitten, en via stukken dagboek uit het verleden – een dagboek dat ook daadwerkelijk door haarzelf en haar zoon wordt gelezen. Het dagboek is vreemd genoeg afstandelijker, en dient vooral als tweede venster naar het verleden en haar opvattingen en gevoelens van toen.

Overigens zijn de andere personages in het boek zeker geen flat characters. Lucas’ zus Esther komt bijvoorbeeld over als een sterke persoonlijkheid, die veel minder een puinhoop van het leven maakt dan de drie hoofdpersonages.

Realisme en geloofwaardigheid

Koopman heeft zich duidelijk verdiept in de setting (of eigenlijk: settingen) van het verhaal. Studentenprotesten, Dolle Mina en de antipsychiatrische beweging in de jaren ’70 vormen de achtergrond van de gebeurtenissen rond Lucas, May en Dirk in het verleden. Het is niet zomaar een toevallige achtergrond: met name May wordt in haar denken en handelen beïnvloed door deze stromingen en komt er, in haar orewoet, ook mee in conflict. Deze tijdsgeest (waarin de hoop uit de jaren ’60 verandert in een meer agressieve, opstandige en steeds meer gedesillusioneerde sfeer) beïnvloed het ‘spel’ tussen Dirk, May en Lucas in zo’n mate, dat het doorwerkt in de jaren ’00 en de gebeurtenissen rond Alex in gang zet.

Het verhaalheden speelt zich af in het 2002 van Alex. Alex is een grunger – hij voelt zich aangetrokken tot de zelfhaat en het pessimisme van Nirvana en andere opzwepende muziek, voelt zich niet thuis tussen zijn (veronderstelde) burgerlijke leeftijdsgenoten, worstelt met zichzelf en natuurlijk met zijn nieuwe, dode vader. De ‘kunstzinnige’ waanzin van zijn vader lijkt bij Alex terug te keren.

Ikzelf was in de jaren ’90 een echte grunger en herken me (als kind) in veel van Alex. Alex wordt voor mijn gevoel zo realistisch weergegeven – nog net wat meer dan de fragiele May – dat het bijna niet anders dan dat Koopman er iets van haarzelf in heeft gestopt. Wat daar verder voor spreekt is haar artikel in Hard//Hoofd uit 2015, waarin ze zich herinnert hoe ze als kind van Kurt Cobain hield: ‘Het voelde slecht en het voelde goed, medelijden hebben met die mooie dode jongen, en daardoor ook zelfmedelijden kunnen hebben. Kurt en ik, wij waren allebei eenzaam, anders.’ Orewoet staat overigens vol met Nirvana-citaten, die aandoen als een ode aan Cobain.

Alles bij elkaar is het subliem hoe Koopman het voor elkaar krijgt om zich zo in te leven in zulke verschillende personages en ze zo realistisch tot leven te brengen in haar roman.

De falende mens

Zoals eerder gezegd, een goede psychologische roman is meer dan alleen (psychologisch) realisme. Van een literair werk wordt verwacht dat er ook diepgang in zit, een ‘idee’. De personages en gebeurtenissen én literaire stijlmiddelen kunnen gezien worden als de instrumenten om dit over te brengen. In Orewoet draait het om de strijd tussen controle/beheersing en het verlangen (naar Lucas) – het willen krijgen van iets dat onbereikbaar is, orewoet. Droom en daad, wetten en (innerlijke) bezwaren. Alex, May en Dirk zijn elk op hun eigen manier te koppig om toe te geven dat de werkelijkheid anders is dan hoe ze die graag zouden zien, waardoor hun innerlijke leven steeds meer ontspoort met alle gevolgen van dien. De falende mens dus, hoewel het einde van het boek gelezen kan worden als een glorende hoop op berusting.

Behalve perspectief, tijd en timing, historische context en psychologische geloofwaardigheid en diepgang van de personages, zet Koopman nog veel meer in om de lezer het boek in te sleuren, om de lezer zelf na te laten denken. Rake vergelijkingen, mooi taalgebruik, ‘gaps’ in het verhaal, symboliek, motieven (zoals Hadewijch en vervalsing) – het werkt allemaal mee, en zorgt ervoor dat de lezer ook als het boek uit is, erover blijft nadenken.

Lijden lezen

Koopman heeft in 2016 eigenlijk twee boeken geschreven: Orewoet en haar proefschrift, met een iets langere titel: Reading suffering: An empirical inquiry into empathic and reflective responses to literary narratives. Het promotieonderzoek probeert een antwoord te geven op de vraag of het lezen van literatuur, en dan met name fictieve literatuur over lijden, inderdaad empathie opwekt bij de lezer en deze tot reflectie aanzet, zoals onder meer Martha Nussbaum en Susan Sontag hebben beweerd. (Het is overigens geen toeval dat de ethiek van vrijheid en gelijkheid en het feminisme waar deze twee vrouwen beroemd om zijn geworden een rol spelen in Orewoet). Het voert te ver om in te gaan op de uitgebreide conclusie, maar kort door de bocht kan worden gezegd dat de vraag grotendeels met een ‘ja’ kan worden beantwoord. Opvallend was dat vooral zogenaamde foregrounding leidde tot meer reflectie na het lezen. Dat wil zeggen dat typisch literaire kenmerken als vergelijkingen, ‘gaps’ in het verhaal en symboliek de lezer meer laten nadenken over de personages, dan als dezelfde verhaalpersoon in een niet literaire tekst aan de lezer zou worden gepresenteerd.

Dit lijkt een geschenk uit de hemel voor hen die met lede ogen de (al dan niet veronderstelde) ontliterarisering en ontlezing van de maatschappij aanzien: ‘kijk, literatuur is echt nuttig!’ Maar al in de introductie van haar proefschrift waarschuwt Koopman ons: ‘However, narrowing literature to its ability to foster empathy may not be the smartest move for bibliophiles. There may, namely, be other ways to make people empathize with out-groups that might be more direct, more effective, like writing an essay from another’s perspective or simply talking to one another.’

In de laatste alinea van haar proefschrift (pag. 355) is Koopmans visie op literatuur te vinden:

‘De betekenisvolle en esthetische effecten van literatuur liggen (…) in de meerduidigheid van de literaire tekst, in het feit dat elke leeservaring weer net iets anders is, en ons daardoor ook zelf kan verrassen bij het lezen. Het is wel degelijk de moeite waard om te kijken wat literatuur voor wie kan doen (…) maar het is niet verstandig om literatuur te reduceren tot haar sociale nut. Het lezen van literatuur leidt er immers niet automatisch toe dat we ‘betere’ mensen worden; literatuur kan juist verontrustend en schandalig zijn, een vrije speelruimte voor onze gedachten en gevoelens, en het is van groot belang dat dat zo mag blijven.’

Nawoord

Orewoet is een boek over lijden, over psychische vertwijfeling, over een gevecht met de eigen identiteit en over de gevolgen die dit allemaal kan hebben. Het is ook een literair werk dat langer blijft doorwerken dan de waargebeurde woensdagavondfilm. Maar het is vooral een mooi debuut dat hopelijk wordt gevolgd door nog meer moois van Emy Koopman.

Meer over Emy Koopman: https://emykoopman.wordpress.com/

(Tekstbureau de Letterzetter, 2017)

Geen reacties mogelijk