De doden als muzen

Père-Lachaise

Afbeelding: Christophe Civeton (Public Domain)

Een vrouw leest haar partner voor, zoals ze elke avond doet. Onbewust plukt ze een pluisje van zijn trui of streelt hem over het hoofd. Die indruk krijgen we als we in stilte een vrouw voor een graf op een stoel zien zitten. Ze leest voor, en veegt af en toe wat stof van de tombe. Het is zomaar een van de vele scènes in Forever.

Ook de striptekenaar Heuet is een van de bezoekers van de Parijse kunstenaarsbegraafplaats Père-Lachaise. Hij haalt Proust aan, die laat zien dat een mens door een toevallige gewaarwording zich opeens weer een kind of een ander mens kan voelen, en dat daar de eeuwigmakende kracht van de kunst in ligt. De indrukwekkende documentaire van de veel geprezen documentairemaakster Heddy Honigmann zelf is het bewijs van een dergelijk eeuwigheidsgevoel.

Forever gaat over hoe de doden voor de levenden zorgen. Het gaat over hoe kunst mensen kan obsederen en inspireren. Het gaat over de helende rust van een kerkhof, over mensen en hun emoties en over de beroemde kunstenaarsbegraafplaats in Parijs. Het gaat ook over dood, verdriet, liefde en alledaagsheid.

Allereerst is er de caleidoscopische werking van de verhalen van de mensen die de graven bezoeken: soms licht en alledaags, soms triest en aangrijpend, soms vurig en geïnspireerd. Dan is er de uit de graven geplukte muziek: van bekende musici als Chopin tot een ontroerend lied van een vergeten zangeres. En tenslotte de prachtige beeldimpressies van de begraafplaats en de mensen. Dit alles tot één aangrijpend genuanceerd geheel gemaakt.

Het is dan ook onbegrijpelijk hoe Ronald Ockhuysen in zijn vernietigende recensie Esthetische Valkuil op Cinema.nl deze film afdoet als slechts een simpele niet-spontane op de sentimenten van mensen inwerkende documentaire. De verhalen zijn echt, de mensen zijn echt, de gevoelens zijn echt. Steeds weer werd ik betoverd door de shots, zoals die van de Chinese pianiste die leek te refereren aan de in de film genoemde kracht van Mona Lisa, of die van de bezielde oratie van Stephane Heuet.

Het is een film die je aanzet tot denken en tot creativiteit, tot het lezen van Proust, het kijken naar portretten van Modigliani, het luisteren naar Chopin en eigenlijk alles wat je ooit nog zo graag wilde lezen, horen of zien – voor het niet meer kan.

(Oude weblog, 2006)

Metropolis

metropolis

Foto: Jiuguang Wang from Pittsburgh, Pennsylvania, United States – Maria from the film Metropolis, on display at the Robot Hall of Fame, CC BY-SA 2.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=27508212

Vanaf de tweede helft van de 20e eeuw wordt Metropolis erkend als een van de hoogtepunten van de Duitse, expressionistische en nieuw-zakelijke films van de jaren ’20 en ’30, naast films als Der Golem, Faust en Das Kabinett des Doktor Caligari. Op het IMDb staat het nog steeds in de top 100 van beste films ooit. Toch werd het in 1927 neergezet als oppervlakkige actiefilm, waarbij het niet al te grote publiek dan ook niet kon verhinderen dat hij grote verliezen draaide. De kosten (5 miljoen mark) kwamen dan ook ver boven het bedoelde budget uit en brachten de UFA (destijds de belangrijkste filmstudio van Duitsland) aan de rand van een faillissement.

In deze film van Fritz Lang valt direct aan het begin al de nieuw-zakelijke sfeer op: machines, rechte lijnen, soberheid, kale gebouwen (denk aan Blokken en Knorrende beesten van Bordewijk). Daarbij komt nog de expressionistische inslag door de fantastische decors (met name de stadsgezichten), de dynamiek en de nachtmerrieachtige voorstellingen. Het wordt vaak gezien als de laatste expressionistische Duitse film. De latere films van Lang zijn dan ook minder fantastisch en meer realistisch.

Freder Fredersen (Gustav Fröhlich), de hoofdpersoon, leeft te midden van de rijken in de kubistische wolkenkrabbers. De rijken hoeven in deze antiutopie alleen na te denken, niks te doen. Ze mogen genieten, zoals Freder, van paradijselijke tuinen vol guitig giechelende meisjes, pauwen en fonteintjes. Deze Freder belandt echter al direct door zijn nieuwsgierigheid bij ‘profeet’ Maria (Brigitte Helm) in de onderaardse wereld van de arbeiders. Deze arbeiders werken als robots met grote helse machines. Waar deze machines voor dienen, is volstrekt onduidelijk, maar het gaat Lang dan ook slechts om de beelden, de analogie. De mensen gebruikt hij als compositie-elementen – ze zijn vaak nog niet eens flat character te noemen, laat staan psychologisch uitgewerkte karakters. Dit mensbeeld sprak de nazi’s blijkbaar aan, die Lang een contract aanboden à la Riefenstahl. Hij moest hier echter niets van hebben, en vluchtte niet veel later dan ook via Frankrijk naar Amerika. Met deze film klaagde hij de mens als massadier aan, en dat is dan ook iets wat duidelijk uit de film naar voren komt.

Opvallend zijn natuurlijk de scènes die aan de wieg stonden van ontelbare SF-, fantasy- en horrorfilms, waaronder Frankenstein. De arbeider die als een gek de wijzers van een machineklok met zijn hele lichaam blijft verstellen, de gekke professor die een mens probeert te maken van een robot (die vervolgens de zeven zonden predikt en verderf zaait), de molochfiguur in het visioen van Freder, et cetera. Het pessimisme en de kafkaëske agora-claustrofobie is echter Langs bekendste signatuur: de figuren worden verkleind door grote ruimtes en tegelijk vaak door het scherm opgesloten. In zijn latere Mabuse-films is het aspect van opgeslotenheid door kleine ruimtes en kadrering door leuningen en dergelijke nog duidelijker.

Het motto van de film: ‘There can be no understanding between the hands and the brain unless the heart acts as mediator’, wordt aan het einde van de film mierzoet en dan ook totaal buiten de rest van de film vallend, verbeeld. Dit moet toegeschreven worden aan Langs vrouw, Thea von Harbou, die wél voor de nazi’s ging schrijven, en verantwoordelijk is voor meer verpestende melodramatische scènes in Langs films. Ondanks dat is de film zeker de moeite van het kijken waard, al is het omdat het een van de grootste monumenten is van de filmgeschiedenis.

(Oude weblog, 2006)

Land of the Dead

land of the dead

Foto: filmstill uit Land of the Dead

Was Night of the Living Dead (1968) nog een cult-pulpfilm, Dawn of the Dead (1978) een tweede cultfilm en Day of the Dead (1985) een mijns inziens onterecht miskende veel serieuzere film – de vierde zombiefilm van Romero Land of the Dead (2005) is gewoon een standaard horror-actiefilm. Een forse tegenvaller dus, zeker als je bedenkt dat Romero toch twintig jaar de tijd voor heeft gehad om erover na te denken.

In 2004 maakte Zack Snyder een remake van Romero’s tweede en tevens bekendste zombiefilm, Dawn of the Dead. Deze film kreeg vooral kritiek om de manier waarop Snyder Romero’s film had ontdaan van de filosofische en kritische kantjes: ‘film over de mens als consumerende zombie’ was vervangen door ‘consumeerbare splatter met rennende zombies en weinig verhaal’. In datzelfde jaar maakte Edgar Wright Shaun of the Dead, een parodie op Dawn of the Dead. Ik vraag me dan ook af hoe het kan dat Land of the Dead meer lijkt op Snyders platte film dan op Romero’s eigen drie zombiefilms. En waarom geeft Romero de makers van Shaun of the Dead (Simon Pegg en Edgar Wright) gastrollen in zijn film?

Alles lijkt erop te wijzen dat Romero zijn eigen film niet serieus neemt, en meegaat in de massastroom van makkelijk te consumeren films zonder verhaal en met vooral veel special effects. Iets waar zijn beroemdste film nou juist tegen ageerde. Het verhaal is volgens Romero een vervolg op Night of the Living Dead (dat, ondanks de reddende soldaten aan het eind, dus blijkbaar toch slecht was afgelopen). Midden in de door zombies beheerste wereld ligt een versterkte stad waar nog mensen leven en wonen, met een grote kloof tussen arm en rijk. De zombies buiten de stad lijken onder leiding van de zombie Big Daddy echter iets te intelligent te worden. De ‘mad maxen’ onder de bevolking, waaronder de good guy Riley (Simon Baker) en de asociale Cholo (John Leguizamo) zorgen vervolgens voor een regen van special effects met hun stoerejongetjestank Dead Reckoning, als het de zombies lukt de stad binnen te dringen.

In het begin van de film vindt er een Romerische dialoog plaats, wanneer Mike en Riley de zombies, waaronder Big Daddy, vanachter een struikje observeren: ‘They’re pretending to be alive…’ ‘Isn’t that what we’re doing? Pretending to be alive?’. Is dit een verwijzing naar de mens als zombie, zoals in Dawn of the Dead? Als dat zo is, is het jammer dat het in de film bij deze dialoog blijft. Toch zijn er ook inbrengen van Romero die ik wél kan appreciëren. Hoe je het ook wendt of keert, de door hem in 1968 en 1978 uitgevonden splattereffecten worden met de (voor hem voor het eerst digitale) special effects er zeker niet slechter op. Verder blijft het karakter van Big Daddy (Eugene Clark) intrigerend, ondanks de verder slechte plot. Deze zombie is het brein en de leider van de plaatselijke zombiegemeenschap. Je ziet dat hij wraak wil, gefrustreerd is als hij andere zombies gedood ziet worden. Maar hoe komt het dat hij anders is dan de andere zombies? Nergens in de film wordt dit verklaard – en dat is goed. Zo heeft de kijker toch nog iets om over te reflecteren. Ik zie er zelf een kleine verwijzing in naar de emoties voelende zombie Bub, in Day of the Dead, een prachtige (en zeer zeker miskende) rol van Sherman Howard. Ten slotte wil ik, zonder te spoilen, nog opmerken dat het einde van de film ook typisch Romero is, en wat Romero dan ook anders maakt dan de meeste andere filmmakers van Hollywood.

(Eerste weblog, 2005)

Zombies

night of the living dead

Foto: filmstill uit The night of the Living Dead

Tijdens het hoogtepunt van de eerste horrorgolf, vooral beheerst door de als paddenstoelen uit de grond schietende Hammer-films bevolkt door het monster van Frankenstein, vampiers, mummies en zombies, maakte George A. Romero zijn eerste ‘Living Dead’-film. Waren de Hammer-films al low-budget, Romero had nog veel minder geld nodig om deze zwart-witfilm uit de grond te stampen. De mensenetende zombies in Night of the Living Dead (1968) waren ontstaan door gevaarlijke kosmische straling en leken op normale mensen in trance. De film was bedoeld voor (morbide) amusement en de maatschappijkritiek bestond hooguit uit een vleugje anti-racisme, terwijl de vrouwen nog werden neergezet als hysterische, domme wezens. Soldaten leken aan het einde van de film alle zombies gedood te hebben: eind goed al goed.

Heel anders was de tweede film uit Romero’s cyclus, Dawn of the Dead (1978), die wordt gezien als de beste uit de cyclus. De zombies, nu niet meer zwart-wit maar smurfblauw, zorgen voor zowel nog gruwelijker vermaak – het gaf het startschot voor een ware splatter-rage – als stevige maatschappijkritiek. Vaag wordt verwezen naar een virus dat de zombie-epidemie zou hebben veroorzaakt, maar het citaat van één van de overlevenden (en tevens tagline) is veel belangrijker dan de ware oorzaak: ‘When there’s no more room in hell, the dead will walk the earth’. Er wordt stevig verwezen naar de zonden van de mensen. Mensen zijn volgens Romero als de winkelende zombies in de film: consumentalisme en materialisme vieren hoogtij, mensen denken niet meer na en volgen blindelings hun hebberigheid. Oorspronkelijk eindigde de film dan ook negatief: de winkelende zombies hadden overwonnen, alle mensen waren dood. Waarschijnlijk vanwege het Amerikaanse ‘feel good’-gebod, heeft de film uiteindelijk een open einde gekregen: twee mensen overleven de ramp en gaan op zoek naar andere overlevenden.

In 1985 verscheen de derde zombiefilm van Romero: Day of the Dead. Over de oorzaak van de zombie-epidemie wordt in deze film helemaal niks meer gezegd. Het is dan ook niet van belang, omdat de kern van deze film mijns inziens nog meer dan de vorige film de kritische kijk op mensen is. De film wordt door velen als het dieptepunt van Romero’s cyclus gezien en zelfs als geheel niet kritisch. Waarschijnlijk heeft de lage populariteit te maken met de grimmigheid en soberheid van de film; waarom deze film als niet-geëngageerd gezien wordt is mij een raadsel. De kritiek is hier eigenlijk meer menskritiek dan maatschappijkritiek: de mensen gaan ten onder aan hun eigen grofheid, hun gebrek aan samenwerking en hun onethische gruwelijkheid (in de film wetenschap à la dokter Mengele). De zombie Bub, een van de zombies waar proeven mee worden gedaan, blijkt uiteindelijk geciviliseerder te zijn dan de meeste mensen in de film, maar de andere zombies lijken een symbool te zijn voor de mens als monster. Toch heeft ook deze film een einde open: enkele mensen overleven en vluchten. Moet dit gezien worden als uitkomst van het ‘feel good’-gebod, of als het sprankje hoop dat de mens nog wordt gelaten om zich weer ethischer te ontwikkelen?

Bijna twintig jaar later, in 2004, is de zombiecyclus van Romero cult geworden, en wordt er door Zack Snyder een remake gemaakt van Dawn of the Dead. De film is ontdaan van zijn kritische kant en de zombies en special effects zijn sneller geworden. Een makkelijk te consumeren film dus, waar niet bij nagedacht hoeft te worden en vooral met veel splatter. De media is enthousiast en de kijkers ook. Een enkeling roept dat de film niet in Romero’s kritische lijn ligt, maar daar wordt meestal niet naar geluisterd. Wel loopt de film slecht af: de zombies overwinnen de mens. Maar is dit kritiek of is dit omdat we na afloop kunnen zeggen ‘gelukkig, het was maar een droom’?
Zijn we nu zelf film kijkende zombies geworden? We zullen nu in elk geval Romero’s antwoord hierop zien in zijn comeback Land of the Dead, dat nu in de bioscoop draait. Ik ga er in elk geval heen. Lekker genieten…

(Eerste weblog, 2005)

Insecten in de winter

wintermug

Foto: Trichocera hiemalis (een wintermug); ©entomart, Attribution, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=684694

Met deze warme winterdagen, vindt mijn zoontje van drie het geen probleem nog lekker in onze tuin te spelen. Vooral de stoep harken vindt hij leuk. Harkend tussen de blaadjes vond hij laatst kleine, roodbruine cilindertjes. Ik legde hem uit dat het poppen van insecten waren, en dat hij ze maar weer lekker moest laten slapen tussen de warme bladeren. Maar niet alle insecten overwinteren als pop.

Waar blijven de insecten in de winter?

Insecten met een volledige gedaanteverwisseling (metamorfose) kennen vier stadia: ei, larve, pop en imago. Het imago is het volwassen insect, meestal met vleugels. De duizenden soorten insecten in Nederland overwinteren elk op hun eigen manier. Wat vlinders betreft: sommige soorten overwinteren als eitje (dikkopjes), andere als larve (zandoogje), weer andere als pop (koolwitjes) en nog weer andere als imago (citroenvlinder). Overigens zijn er ook soorten die net als trekvogels wegtrekken naar warmere gebieden.

Binnen de groep van overwinterende imago’s is er verschil in de mate waarin ze actief zijn. De meeste soorten, zoals de dagpauwoog en de citroenvlinder, gaan in diepe winterslaap. Ze staan dan als het ware op stand-by en verbruiken dan nauwelijks energie. Hun lichaam maakt een soort antivries aan dat ervoor zorgt dat ze flinke kou kunnen weerstaan. Door verstoring of een warme dag kunnen dergelijke insecten ontwaken – dit kost dan veel energie, en de volgende koudegolf wordt hen dan vaak fataal.

Andere imago’s blijven deels of helemaal actief. Bekend zijn de lieveheersbeestjes die in het kozijn bij elkaar kruipen en dan soms ontwaken en in de huiskamer rondlopen. Honingbijen blijven in het nest en houden elkaar daar warm door met hun vleugelspieren warmte op te wekken. De koningin bevindt zich in het midden van deze natuurlijke kachel.

Actieve imago’s

Er zijn niet veel soorten die echt actief zijn in de winter. Toch zal iedereen de wolken dansende mugjes op zonnige winterdagen kennen. Het gaat dan waarschijnlijk om een van de soorten wintermuggen. Maar er zijn meer vliegen en muggen die in de winter actief blijven. Het is geen toeval dat er nogal wat winterbloeiers onder de planten zijn met streepvormige bloemblaadjes, denk aan de toverhazelaar. Streepvormige bloemblaadjes duiden namelijk op een bestuiving door vliegen en muggen die deze streepvorm als teken van voedsel zien.

Nog twee soorten met de naam ‘winter’ in de naam zijn de bruine winterjuffer en de kleine wintervlinder. Bruine winterjuffers zitten als imago stil tussen de vegetatie en kunnen al in maart echt gaan vliegen. De kleine wintervlinder vliegt pas uit in de late herfst, tijdens koude avonden. De mannetjes vliegen rond en zoeken de vleugelloze vrouwtjes, die op takken en stammen zitten. Daarna overwinteren de nakomelingen als ei.

De atalanta heeft geen ‘winter’ in zijn naam, en een groot deel trekt weg naar warmer oorden. Toch blijven steeds meer atalanta’s in Nederland. Deze vlinders zitten verborgen en stil, maar gaan niet in winterslaap. Bij strenge vorst gaan de meeste dan ook dood.

Actieve grond bewonende geleedpotigen, zoals pissebedden, kunnen ook dieper de grond in kruipen, waar de vorst hen niet bereikt. Dit is ook te zien aan de molshopen die bij koud weer hoger worden – de mol moet immers dieper graven om de insecten te vinden en verzet dan meer grond.

Ook in uw tuin!

In alle tuinen overwinteren insecten, dus ook in die van u (als u er een heeft natuurlijk). Wilt u de insecten ook in de winter helpen, dan kunt u een insectenhotel aanschaffen. In de lente en zomer leggen insecten, zoals metselbijtjes, hun eieren in dergelijke ‘hotels’. In de winter kunnen lieveheersbeestjes, diverse soorten vlinders, solitaire bijen en solitaire wespen het gebruiken om te overwinteren. Het niet-winterklaar maken van uw tuin is ook een optie: laat die oude bloemstengels gewoon staan, en laat kale takjes en bladstrooisel gewoon liggen, want daarin overwinteren tal van insecten; vaak als ei of pop.

(Noot: Bovenstaande artikel was bedoeld voor een nieuwe lokale krant, maar deze was al direct weer failliet, waardoor dit artikel niet kon worden gepubliceerd. Ik paste de tekst aan voor De webspinner.)

(De webspinner, 2014)

Het nut van de natuur

de lorax in een protest

Foto: Edward Kimmel from Takoma Park, MD – Climate March 0938 Lorax, CC BY-SA 2.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=58449594

De groene organisaties willen dat de intrinsieke waarde van natuur in de wet [wet Natuurbescherming] wordt opgenomen. Dit betekent erkenning van de zelfstandige waarde van natuur, los van de gebruikswaarde van natuur voor de mens. Voor alle wilde dieren, planten en hun leefomgeving moet een basisbescherming en zorgplicht gaan gelden, zodat onder meer natuurvandalisme als het dumpen van afval en wildcrossen in de natuur kan worden aangepakt.

Dit las ik vandaag in een opiniestuk op natuurbericht.nl en meteen kwam mijn ingedutte strijdvaardigheid even terug. Ik ben ‘groen’ opgevoed: respect voor de natuur, het besef van het wonder dat de natuur is, en de plicht om de natuur te beschermen tegen de boze buitenwereld (uh, wijzelf dus). Helaas ben ik gewoon geen geboren actievoerder. Na een tijdje actief te zijn geweest bij Greenpeace bedacht ik me dat ik maar op een passieve manier mijn natuurdoelen moest nastreven: zelf het goede voorbeeld geven, mensen wijzen op het wonderlijke van de natuur, petities ondertekenen…

Antropocentrische naïviteit

Wat mij raakte in het hierboven geciteerde artikel waren de woorden ‘los van de gebruikswaarde van natuur voor de mens’. Want wie denkt de mens wel dat hij is? Het antropocentrische wereldbeeld, onder andere gepromoot door het christendom, is nog steeds heftig aanwezig in de samenleving – misschien wel meer dan ooit, nu de meeste mensen totaal vervreemd zijn geraakt van de natuur. Toch moeten we onder andere uit de evolutietheorie toch de les trekken dat de mens in de natuur staat, niet erboven. Wij zijn niet meer waard dan de natuur waarin en waarmee wij samenleven. Soms hoor ik mensen zeggen dat wij nu eenmaal mens zijn en daarom voor onszelf opkomen ten nadele van de natuur (de wij-doden-de-leeuw-die-ons-aanvaltredenering). Wat die mensen niet begrijpen is dat wij onderdeel zijn van de natuur waarvan we zelf weer afhankelijk zijn. Zeer simplistisch gezegd: als wij alle bomen omkappen hebben we geen lucht meer.

Complex ecosysteem

De ecologie is helaas niet zo simpel, het is een bouwwerk dat in miljoenen jaren is opgebouwd uit ontelbaar veel factoren en evenwichten. Toegegeven, een bouwwerk met rek – één uitgestorven panda maakt nog geen ecologische ramp. Helaas is de werkelijkheid dat duizenden soorten op het punt staan uit te sterven, waardoor het kaartenhuis wel erg instabiel wordt. Het erg veel voorkomen van sommige soorten duidt overigens ook op eenzelfde instabiliteit van het ecosysteem.

Een samenleving en een overheid die het hebben over ‘nut voor de mens’ (denkend, waarschijnlijk, aan de bestuivende bijen en voedselgewassen) zijn helaas wel erg vervreemd geraakt van hun eigen huis. Ten eerste: het dichten van een gat in de muur is niet hetzelfde als het opmerken en repareren van betonrot. Ten tweede: sinds wanneer is de ‘overige’ natuur onze vijand (we vinden het vies) of op zijn best iets neutraals dat wij verdragen? Respect voor je ouders vinden wij normaal, waarom dan niet respect voor de aarde?

Het nut van de natuur

Wellicht ben ik een hippie, maar ik laat toch een traan als ik zie hoe onze samenleving ontzield is geraakt en alleen nog maar tuurt naar elektronische schermpjes, waarin we vluchten in duizenden likes, private messages en selfies, zonder te zien wat er om ons heen gebeurt. Het nut van de natuur? Het laat je goed voelen, het laat je gezond zijn en het is een spiegel voor een op hol geslagen, antropocentrische wereld.

(De webspinner, 2014)

Mist

‘Ze zeggen dat ik een escapist ben, dat ik wegloop voor de realiteit. Is dat echt zo?’ Ik sta weer in mijn tuin, de platte steen waaronder de kabouter woont, houd ik omhoog. Hij strijkt door zijn baard en kijkt me bedenkelijk aan. ‘Tja,’ zegt hij, ‘ze verwijten mij vaak dat ik een realist ben. Maar ik denk dan: wat is nu eigenlijk het verschil tussen jouw en mijn wereld? Waarom doen sommige kabouters – en eh mensen – daar zo moeilijk over.’ Peinzend staan we daar – ik gebogen, de kabouter staand, maar met de schouders naar beneden. De koude mist dringt door onze kleren heen.

‘Ik ga maar weer naar binnen,’ zeg ik, ‘mijn zoontje is vandaag weer prinses, ik ben de gehoornde koning en hij gaat mij verslaan met het zwaard.’ ‘Succes,’ zegt de kabouter terwijl hij weer in zijn holletje verdwijnt, naar zijn houtkacheltje, zijn vrouw en zijn kinderen.

(De webspinner, 2013)

Mijn geheime fantasie

stunts 1

Illustratie: screenshot Stunts 1

Ik doe mij graag voor als geëmancipeerde man, als autohater en milieuactivist, en als pacifist. Zo probeer ik ook te zijn: huisvader die niks-maar-dan-ook-niks weet en begrijpt van voetbal, fietser en wandelaar zonder rijbewijs, tegenstander van agressieve ‘burgerwachten’ en niet in bezit van een vuurwapen (ja, dat laatste is wel wat makkelijk).

Maar diep in mij zit een duivel, een psychopaat. Nee, erger nog: een autocoureur.

Eergisteren heb ik de wereld geschokt. Daar stond hij op Facebook, voor iedereen te zien: mijn eerste auto van Real Racing 3. Door enkele leden van mijn leesclub in de verleiding gebracht. En hoewel ik nooit veel snap van dat gaming geld, niet het verschil zie tussen de reclames, bonussen, races en alle andere honderden schermen – eigenlijk niks snap van de interfaces van mobiele games – ik heb het gedownload, geïnstalleerd en ben als een bezetene maar op al die schermpjes gaan drukken, waar af en toe de olijke avatargezichtjes van mijn vrienden uit oprezen. Net zo lang, tot ik mij in een race bevond. Wat er na die race op het scherm gebeurde, daar snapte ik weer geen hout van, maar – mijn god – ik had weer geracet! Mijn vrouw gilde en krijste bij het zien van al mijn agressieve mannelijkheid en andere psychopathie die naar buiten kwam. ‘Ons kind! Ons kind’ riep ze nog, maar ik duwde haar weg, zodat mijn ellebogen plaats hadden voor dat duivelse, virtuele stuur…

Het begon allemaal in mijn jeugd.

Mijn broers waren al als kind ware programmeurs op de MSX 1 die wij thuis hadden. Ze maakten zelf spellen, maar er zaten ook al spellen op (op cassettebandjes); een van die spellen was Stunts. Je kon je auto samenstellen en dan voorgemaakte of zelfgemaakte stuntparcours berijden. Ook was er het spel Roadfighter, een soort snelwegrace (vooral het eeuwige zoemgeluid kan ik me goed herinneren). Van alle spellen vond ik die racespellen het leukst, vooral wanneer je kon botsen, anderen vernietigen en halsbrekende en totaal onrealistische stunts kon uithalen. Het waren de enige spellen waarin ik beter was dan mijn broers en zus. Het was mijn sterkste kracht.

En toen kwam het beruchte Carmageddon uit. Terwijl op tv en radio de gehele maatschappij tierde en huilde om dit gewelddadige spel dat kinderen omvormden tot kleine Mad Maxen, togen mijn broer en ik op de Nederlandse release-dag naar de winkel. En de dag erna waren we er al aan verslaafd. Vooral ik. Wat een genot: salto’s maken in je auto over een flat heen! Met een sliding landen in vaten olie die de belendende koeien deden ontploffen! Surrealistische vaten innemen, die de auto deed zweven, stuiteren of hem van graniet deed maken! Racen, hard racen, en je tegenstander zo hard rammen, dat hij als een verschrompeld blikje zo hoog de lucht in vloog, dat hij op het dak van de fabriek waar je net doorheen was gekomen neerkwam…

Toen ik mijn vrouw leerde kennen, ben ik met veel moeite en in het geheim afgekickt. Maar het bleef smeulen, diep van binnen. Terwijl ik mensen schokte met het feit dat ik geen rijbewijs heb en wil, keek ik stiekem jaloers naar hun auto’s – fantaserend dat ik er zelf in reed: over de daken, schoorstenen omwerpend als hordes, dakstenen rondvliegend als grit, en met welk een snelheid! Racen, racen, racen!

Zo. Het is eruit.

Mijn diepste geheim.

(De webspinner, 2013)

Onze rechtse rakker Kuifje

Kuifje

Foto: http://www.bellier.org/petits%20vingtiemes/pv1934/321934page1.htm, https://en.wikipedia.org/w/index.php?curid=17487635

Zoals bekend, hou ik nogal van strips. Vooral als ze vernieuwend zijn, of juist literaire klassiekers waarop is voortgebouwd, en dan vooral de Angelsaksische tak. Maar vroeger als kind las ik helemaal geen strips. Ik las sowieso weinig. Door de anderen thuis werd wel veel gelezen, en mijn moeder had ook nog stripboeken van vroeger, zoals de rood-blauwe Suske en Wiskes, vlekkerige Kuifjes en de boeken van Marten Toonder. Van de eerste vond ik vooral de voorkanten interessant. De laatste vond ik saai en ingewikkeld. Eigenlijk sprak Kuifje me het meest aan – ik vond ze het spannendst. Jammer alleen dat de meeste uit elkaar lagen en pagina’s misten.

Enige tijd geleden dacht ik: kom, ik ga weer eens Kuifje lezen. Vanaf het begin en nu mét de literaire bagage die ik als striplezer heb. Tot nu toe heb ik de eerste drie albums gelezen. En hoewel ik nog wist dat er ‘luie negers’ en dergelijke in voorkwamen, was ik toch nogal geschokt over de rechtse en racistische inhoud van de strip. En ook wat gedesillusioneerd over de kwaliteit van de plots – voorspelbaar, weinig verhaal en flauwe humor (beetje zoals Suske en Wiske dus).

Opvallend is dat het Nederlandse Wikipedia-artikel over Kuifje niet direct spreekt over de rechtse kant van de strip (wel over de anti-Duitse inhoud van een later album). Het ligt wellicht gevoelig voor veel mensen: een jeugdheld blijkt zo ongeveer begonnen als nazi. In de Engelse Wikipedia is gelukkig wat meer te vinden. Kuifje verscheen voor het eerst in het fascistische Le XXe Siècle. De zwart-witstrip Kuifje in het land van de Sovjets was in lijn met het propagandistische fascisme en antisemitisme voor de jeugd. Het is als volwassen lezer uit deze tijd haast lachwekkend hoe onbenullig deze propaganda eraan toegaat: er is bijvoorbeeld een scène waar Kuifje ziet hoe Russen in een fabriekshal met metalen voorwerpen op de grond slaan om het fabrieksgeluid te simuleren en zo te verhullen dat er eigenlijk werkloosheid heerst. Kuifje zelf is steeds niet verbaasd; wanneer er Russen zijn die aardig lijken te zijn is zijn eerste gedachte zelfs: dit kan niet kloppen! En steeds heeft hij uiteraard gelijk. Verder is de strip een aaneenschakeling van achtervolgingen en geweld. Nogal grotesk, maar onthullend en interessant voor stripfans.

De voorloper van Kuifje, Totor, verscheen in het Belgische scoutingmagazine – ook wel weer veelzeggend. Overigens experimenteerde Hergé daar met tekstballonnetjes, die in die tijd zeker nog niet standaard waren in de weinige strips die er waren.

Het tweede Kuifje-album, Kuifje in de Congo (nu te koop als Kuifje in Afrika) staat bekend als een racistisch boek, waarin de Congolezen worden afgeschilderd als dom en kinderlijk. Echter, in die tijd was dit de standaardvisie op de gekleurde volkeren in Afrika. Ze worden in elk geval niet afgeschilderd als kwaadaardig (zoals de Russen).

Wat we nog missen is het antikapitalisme (ook te verwachten bij een fascist). Dat is dan ook het onderwerp in het derde album: Kuifje in Amerika. In de oorlog vluchtte Hergé enige tijd naar Frankrijk, waarna hij naar het bezette België terugkeerde om de kinderpagina’s van de toegestane krant Le Soir te verzorgen, onder andere met zijn Kuifje. Politieke plots waren echter niet toegestaan, waardoor Kuifje van journalist min of meer in een avonturier veranderde. Een geluk voor ons eigenlijk, want vanaf dan worden de verhalen een stuk spannender. Na de oorlog verschenen de avonturen van Kuifje in een eigen tijdschrift en nog later in albumvorm.

Hergé zelf (en zijn fans) verdedigde later dat hij onder de omstandigheden waarin hij leefde niet anders had gekund dan verhalen te schrijven met een racistische, kolonialistische, fascistische inhoud. Zijn opdrachtgevers wilden het en zijn omgeving bestond uit fascisten. Dat is natuurlijk wel wat flauw. Een ander veel bekritiseerd aspect in zijn strips is de dierenmishandeling. Ik ben bang dat Hergé ook wel de persoon moet zijn geweest die onder de indruk was van discipline, militarisme en mannelijke macht en kracht. En hij heeft nooit ervoor gekozen dit niet uit te dragen, ook niet tijdens de oorlog.

Ondanks al deze kritiek ben ik sterk tegenstander van het verbieden of ‘kuisen’ van dergelijke boeken of het aanklagen hun uitgevers. Het is juist belangrijk dat latere generaties een beeld krijgen van de wereldvisie van nu en vroeger. Het zou leuk zijn als bijvoorbeeld een achterkleinkind van een extreemrechts partijlid Kuifje leest, lacht en aan zijn overgrootvader vraagt: ‘opa, geloofde je dit toen echt?’.

(De webspinner, 2013)

Keniaanse dieren

Ik houd van dieren. Geen enkel dier is voor mij vies of eng (behalve de Canis lupus familiaris) en mensen kijken me vreemd aan wanneer ik blij de dieren om mij heen begroet. Daarbij ben ik zojuist teruggekeerd van twee weken Kenia. En wow, daar waar ik tijdelijk resideerde, kon ik mijn geluk niet op: als een ware Sint Franciscus werd ik omringd door allerhande nieuw gefladder, gekruip en gezwem. Een vrij willekeurige greep van deze ontmoetingen:

Bruine muisvogel  (Colius striatus)

bruine muisvogel

Foto: Dick Daniels (http://carolinabirds.org/) – Own work, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=11991785

Er waren veel mooie, grote en kleine vogels, maar de meest schattige vond ik de bruine muisvogel. Behalve een kuifje hebben ze een soort donshaar in plaats van veren op de borst wat de aaibaarheidsfactor aanzienlijk vergrootte. Ze klauterden in de baobabs in de omgeving.

Oostelijke franjeaap  (Colobus guereza)

oostelijke franjeaap

Foto: Charlesjsharp – Own work, from Sharp Photography, sharpphotography.co.uk, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=65929872

Ook wel oostelijke colobus genoemd. Van de vele apen die ik zag was dit de meest endemische soort. Mooi zwart met witte baard, witte staartpluim en andere witte ‘franje’. Wat enger waren de gele bavianen – ze staan bekend als de gevaarlijkste apen en uiteraard werden we door een grote groep van deze dieren omringd op weg naar het strand. Gelukkig allemaal goed afgelopen.

Reuzenduizendpoot (?) en Afrikaanse reuzenmiljoenpoot  (Archispirostreptus gigas)

reuzenduizend- en miljoenpoot

Foto’s: Pieter Brouwer

In het huis waar ik zat liepen reuzenduizendpoten rond, waar je niet op moest gaan staan (en daar heb ik mij keurig aangehouden – het zou toch zielig zijn voor die duizendpoot). Op de foto eentje onderaan een tafelpoot. Hij verstopte zich ook graag in de kleren die ik op mijn slaapkamer had liggen. De Afrikaanse reuzenmiljoenpoot is geen rover maar eet afval. Toch is ook deze giftig: ze scheiden een bijtend zuur af ter verdediging. Ze waren erg algemeen in de tuin en eigenlijk overal buiten. Ze kunnen de respectabele leeftijd van tien jaar bereiken. Ik vond ze erg sierlijk en mooi. De jongere exemplaren hadden rode poten en de oudere zwarte.

Sabelantilope  (Hippotragus niger)

sabelantilope

Foto: Paulmaz at the English language Wikipedia, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=143283

In de heuvelige kustbossen heb ik bekende dieren gezien, zoals giraffen, een olifant, wrattenzwijnen en impala’s. Het meest mysterieus en statig was echter de grote, zwarte sabelantilope. Hij wordt niet vaak gezien, maar voor ons op de weg doemde hij opeens op, keek ons even aan en verdween in de bossen. Uiteraard voor ik een foto kon maken.

Halsbandhoningzuiger  (Hedydipna collaris)

halsbandhoningzuiger

Foto: Tom Tarrant – Own work, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=3536436

Opvallend veel vlinders en vogels in Kenia zijn geheel of deels metaalkleurig. Zo zat er op een van de dagen een halsbandhoningzuiger in de tuin: een prachtig tropisch kolibrieachtig vogeltje. Op zo’n moment kun je niet ontkennen dat je in de tropen bent.

Penisworm  (Priapulida spec.)

peniswormvoorouder

Foto: Martin R. Smith

Het grootste faunistische mysterie betroffen de rare slak- of wormachtig dieren die over het zand in de ondiepe delen van de zee kropen. Als ik er een wilde pakken, groef het zich vast in de zandbodem. Mijn moeder heeft uiteindelijk gevonden wat het waarschijnlijk was: een penisworm (overigens niet hetzelfde als een eikelworm (Enteropneusta)). Op de foto staat een fossiele verwant van de penisworm.

Von der deckens tok (Tockus deckeni)

von der deckens tok

Foto: Bardrock – Own work, CC BY 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=6910113

Een van de neushoornvogels die voorkomen in het gebied waar ik was. Ik vond hem eigenlijk vooral leuk vanwege de naam. Volgens Wikipedia zeggen ze ‘wot wot’. Het zou zo maar kunnen.

Kroonparelhoen (Guttera pucherani) en blauwfazantje  (Uraeginthus bengalus)

kroonparelhoen en blauwfazantje

Foto’s: Parelhoen: E-boy, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=7230457 ; Blauwfazantje: Charlesjsharp – Own work, from Sharp Photography, sharpphotography, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=55645379

Nog twee voorbeelden van grappige vogels. De kroonparelhoen heeft een kapsel van zwart haar. We zagen ze in de heuvels van het kustbos. Het zogenaamde blauwfazantje heeft naast een grappige Engelse naam (‘red-cheeked cordon bleu’) een haast onlogische kleur blauw. Het is verwant aan de zebravink en het rijstvogeltje, en zou net als die vogels niet misstaan in een volière. Ze twieterden en fladderden in groepjes in de struiken rond het huis.

Bloedluis (Dermanyssus spec.)

bloedluis

Foto: Alan R Walker – Own work, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=19032476

Ten slotte het dier waarmee ik de meest innige relatie had: de bloedluis. Hij woonde enige tijd op mijn teen, tot ik er genoeg van had, hem verwijderde, door mij moeder liet determineren en vernietigde.

(De webspinner, 2013)