Het gebreide dekentje

In verband met het schrijven van een verhalenbundel, waarin ik dit verhaal wellicht opneem, staat het momenteel niet gepubliceerd op deze website.

Tussen absurditeit en het leven – een essayistisch tweeluik

Deze twee essays zijn door mij in de periode 2016-2018 geschreven.

[Lees/print als pdf]

1. Het absurde verlangen – het verlangen naar het absurde

De waanzin en de dood zijn z’n ongeneeslijke kwalen.
(Albert Camus, De Myte van Sisyfus)[1]

Vroege gedachten

Ik voel me namelijk alsof het leven in het algemeen nutteloos is, in ieder geval voor mij. Dat maakt me bang, want ik ben immers ook verschrikkelijk bang voor de dood. Ik heb geen energie meer oer, kan me nergens op concentreren. Ben momenteel werkloos, woon nog thuis, van mijn studie komt al jaren niets terecht. Ik beleef nergens echt voldoening aan, of heel vluchtig. Zelfs de makkelijkste klusjes in het huishouden vind ik zwaar. Ik gebruik al antidepressiva en ben ook al eens van soort gewisseld. Dosis ook al verhoogd. Hoop op verbetering heb ik niet echt, want ik zie mijn kijk op de wereld als de waarheid, en heb geen idee hoe iets of iemand iets aan de waarheid zou kunnen veranderen.[1]
(‘Elaine’)

Bovenstaand forumbijdrage is er één uit vele, die gewoon zo op internet te vinden zijn. Zelfmoordgedachten zijn voor bijna niemand onbekend. Zelf had ik ze al vanaf mijn basisschoolperiode. Ik voelde me ongelukkig, niet begrepen en niet gehoord. Op de laatste twee gevoelens zal ik niet ingaan, want ik vraag me af of ik gelukkiger was geweest als ik me wel begrepen en gehoord had gevoeld. Er was namelijk nog iets, wat ik maar niet helder kreeg, maar wat een desillusie van deze wereld moet zijn geweest. ‘Als ik dertien ben, pleeg ik zelfmoord’ – daarvan was ik overtuigd (getuige ook mijn allereerste dagboek). Toen ik dertien was, verlegde ik die grens naar achttien: het moment dat ik voor mezelf verantwoordelijk zou moeten zijn en in de voor mij onbekende en horribele mensenwereld zou worden gegooid. Hoe dan ook, ik leerde mezelf af na te denken over de toekomst. Ik zou niks ‘worden’, had geen ‘plannen’, de toekomst stond immers vast en ik wachtte af. Tot aan mijn puberteit kon ik nog goed wegvluchten in een eigen fantasiewereld, maar de arena van opgroeiende, onzekere en van zichzelf bewust wordende pubers verplichtte mij aan de wereld deel te nemen. Op de basisschool was ik de intelligente clown geweest, nu werd ik de in zichzelf gekeerde, vreemde maar aardige onopvallende aan de zijlijn. Ik hoorde er niet bij, maar ik werd met rust gelaten. Na enkele jaren voelde ik me eenzaam, mijn hormonen begonnen op te spelen en ik miste iets van uitdaging. Met mijn afkeer voor alles wat ik burgerlijk vond (vrijwel alles) sloot ik me aan bij de Nirvana-luisterende grungers en begon met alcohol en wiet. Dit bood me troost (en wakkerde misschien ook mijn toenmalige paniekstoornis aan) en ik kreeg een wat socialer leven, maar echte ´zielsverwanten´ vond ik niet.

Vreemd aan mijzelf en aan deze wereld, toegerust met geen ander hulpmiddel dan een denken, dat zichzelf ontkent zodra het iets beweert; wat is dat voor een situatie, waarin ik slechts vrede kan hebben door het weten en het leven af te wijzen, waarin de veroveringslust tegen muren stoot die deze stormloop trotseren?[2]

Ik begon ook veel te lezen, waaronder De myte van Sisyfus van Camus, waar bovenstaand citaat voor een adolescent als ik natuurlijk herkenbaar en aangrijpend was. En toen leek voor het eerst een lampje aan te gaan in de mij onbegrijpelijke en duistere kelder waarin ik had geleefd. Ik kreeg ook een vriendinnetje van wie ik dacht dat ze me begreep (tot ze het uitmaakte). Mijn toch al grote labiliteit, gecombineerd met deze afwijzing brachten me het dichtst bij de dood (van mijzelf en haar), maar de schok dat ik het niet kon, bracht me wellicht nog de grootste weerzin voor mezelf en de wereld.[3] Het duurde jaren om mezelf voor mezelf weer leefbaar en acceptabel te maken. En natuurlijk, er gebeurde van alles dat in alle levens gebeurt. Intussen heb ik een gezin en min of meer werk. Maar het gevoel dat ik al op de basisschool had en dat later voor mij onder woorden werd gebracht door Camus, dat is er nog steeds en zal waarschijnlijk altijd blijven.

Camus’ gedachten

Wat was het lampje, wat zei Camus waardoor ik beter begreep waarom mijn leven is zoals het is? In de Mythe van Sisyfus, Camus zelf noemt het een essay, probeert de schrijver het gevoel van het absurde te koppelen aan de vraag van zingeving. Met andere woorden: kan ik leven met het pure absurde gevoel? Zo nee, dan is de letterlijke zelfmoord de enige uitweg. Camus beschrijft ook dat hijzelf niet anders kan dan dit absurde gevoel beamen. Camus is zelf niet de uitvinder van ‘het absurde’. Hij haalt tal van filosofen aan om dit te definiëren. Daarbij wijst hij er echter op dat deze filosofen door hun verlangen naar een ‘oplossing’, een zingeving, uiteindelijk steeds een sprong maken, een vlucht weg van het absurde, iets wat Camus de ‘filosofische zelfmoord’ noemt.[4] Het gaat Camus echter om het omgaan met het rotsvaste absurde gevoel. Iets voor de helft van zijn essay, aan het eind van het hoofdstuk ‘de filosofische zelfmoord’, vat Camus het geheel nog eens treffend samen:

Mijn gedachtengang wil trouw blijven aan het evidente, dat zij heeft blootgelegd. Dit evidente is het absurde. Het is die scheiding tussen de verlangende geest en de teleurstellende wereld, het is mijn verlangen naar eenheid, dit versplinterde heelal en de kontradiktie die hen verbindt. Kierkegaard onderdrukt mijn verlangen en Husserl brengt dit heelal weer bijeen. Dat is het niet, wat ik verwachtte. Het ging erom met deze verscheurdheid te leven en te denken, te weten of men aanvaarden of weigeren moest. (…) Ik interesseer me niet voor de filosofische zelfmoord, maar voor de zelfmoord zonder meer.[5]

Maar een mens is een mens, en Camus geeft toe dat dat vervelende bewustzijn de oorzaak is van zowel ‘de verlangende geest’, als van de evidentie van zinloosheid en de non-existentie van hoop, alles samen het absurde gevoel vormend. Het besef van dit absurde gevoel verwoordt hij als volgt:

Alle problemen krijgen hun scherpte terug. De abstrakte evidentie trekt zich terug voor de lyriek van de vormen en kleuren. De geestelijke konflikten zijn geïncarneerd en vinden het miserabele en prachtige toevluchtsoord van het menselijke hart terug. Er is niets opgelost. Maar alles is van gedaante veranderd.[6]

Daarna trekt hij direct de conclusie dat werkelijke zelfmoord net zo goed een ‘sprong’ is (dus eigenlijk is de zelfmoord zonder meer net zo goed een filosofische zelfmoord). Het enige dat standhoudt, is het leven als een opstand, de ‘voortdurende konfrontatie van de mens met zijn eigen duisterheid’ en ‘de eis van een onmogelijke doorzichtigheid’ en dit te blijven beschouwen. Oftewel: de paradox van het verlangen en de onkenbaarheid niet simpelweg accepteren (dat zou zelfverloochening, een sprong zijn), maar in een gespannen toestand houden:

Het asburde is zijn uiterste spanning, die hij voortdurend in een eenzame poging handhaaft, want hij weet dat hij in dit bewustzijn en in deze opstand dag in dag uit getuigt van zijn enige waarheid, de uitdaging.[7]

Na een verhandeling over het filosofische begrip ‘vrijheid’ (en vooral waarom die in de normale zin van het woord niet van toepassing is voor de absurde geest), trekt Camus een tweede conclusie:

De absurde mens ontwaart zo een gloeiend heet en ijskoud, doorzichtig en begrensd universum, waar niets mogelijk, maar alles gegeven is, aan gene zijde daarvan is de ineenstorting en het niets [de dood, PB]. Hij kan er nu toe besluiten het leven in een dergelijke wereld te aanvaarden en daar zijn kracht uit halen, zijn weigering om te hopen en de hardnekkige getuigenis van een leven zonder troost.[8]

Ten slotte trekt hij zijn derde conclusie, de aanwezigheid van een ‘hartstocht’ die hem verplicht ‘het huidige ogenblik en de opeenvolging van deze ogenblikken tegenover een steeds bewuste ziel’ te leven.

Uitgegaan van een vertwijfeld bewustzijn van het onmenselijke, keert de meditatie over het absurde aan het eind van zijn weg weer terug in de schoot van het hartstochtelijk vuur van de menselijke opstand.[9]

Camus’ eindconclusie is dat voor hem de volgende noodzakelijke leefregel geldt, waarbij hij tevens de zelfmoord afwijst: een leven van opstand (zonder doel), vrijheid (zonder hoop of troost) en hartstocht, waarbij alles in het teken staat van het absurde bewustzijn. Hij eindigt het eerste, en langste, deel van zijn essay met de opmerking dat het slechts ging om de uiteenzetting van een wijze van denken, en nog niet om het leven.

In het volgende deel, ‘De absurde mens’, geeft hij een duidelijke omschrijving van de absurde mens:

Hij, die niets voor de eeuwigheid doet, zonder het bestaan ervan te ontkennen. Niet dat het verlangen hem vreemd zou zijn, maar hij geeft de voorkeur aan zijn moed en zijn verstand. Het eerste leert hem, zonder hogere instantie te leven en tevreden te zijn met wat hij heeft; het tweede leert hem zijn grenzen kennen. Overtuigd van zijn aan tijd gebonden vrijheid, van zijn opstand zonder uitzicht en van zijn vergankelijk bewustzijn, vervolgt hij zijn avontuur in de tijd van zijn leven.[10]

Daarna geeft Camus mogelijke voorbeelden van dergelijke absurde levens, waar ik hier niet op in zal gaan.

Het absurde kunstwerk

Ik hoop dat de lezer kan invoelen hoe ik mij in mijn meest labiele periode zodanig liet meeslepen door Camus’ werk, dat het mij in eerste instantie in een soort waanzin bracht. De afstand tussen mij en de wereld van de mens en de walging bij het besef dat juist ik een mens was, werd alleen maar groter. In zekere zin was ik tegelijkertijd trots en eenzaam dat ik in mijn besef ‘boven’ de mens kon staan. Een soort intrinsieke ivoren toren.

Maar Camus’ boek is nog niet uit. Wat volgt is het hoofdstuk ‘Het absurde kunstwerk’, en het is daar dat ik op dit moment in mijn leven de draad oppak. Want Camus gaat in op de creatieve absurde mens. En de producten daarvan zou ik opgevoerd willen zien op een podium van de waanzin. Waarom ‘waanzin’? Ik had kunnen kiezen voor onzin (on-zin, de afwezigheid van zin), een woord dat niet voor niets als synoniem wordt gebruikt voor ‘absurd’. Maar waarom zou een absurde geest iets creëren als hij er het nut niet van inziet? Het creëren is in die zin een onzinnige bezigheid, iets dat ergens toe lijkt te leiden terwijl het dat niet doet, een ‘waan’. Maar zoals we zagen is Camus’ held geen apathicus die zich bij zijn schisma van beperkt kennen en verlangen neerlegt, maar die juist de opstand aangaat door te ´werken en te leven´ zoals hij zelf zegt. En één van de mogelijkheden is simpelweg het creëren. Camus zegt:

Voor de absurde mens is er geen sprake meer van verklaren en oplossen maar van ondervinden en beschrijven. (…) Het verklaren is nutteloos, maar de gevoelsindruk blijft en daarmee de onophoudelijke roepstem van een kwantitatief onuitputtelijk universum. Men begrijpt dat hier de plaats van het kunstwerk is.[11]

Een wellicht voor de hand liggende reactie van de lezer zou kunnen zijn dat het bij het kunstwerk of de roman stiekem om escapisme gaat, en dus ook om een filosofische zelfmoord, maar dat ontkent Camus:

Het [kunstwerk] is zelf een absurd fenomeen en het gaat er alleen maar om het te beschrijven. Het biedt geen uitweg uit de ziekte van de geest. Het is in tegendeel een van de tekenen van dit lijden.[12]

Net als bij het absurde leven, probeert Camus overigens antwoord te geven op de vraag of een absurd kunstwerk [13] mogelijk is. Na vele pagina’s en de bespreking van met name karakters uit het werk van Dostojewski [14], is zijn antwoord ‘ja’. Maar, zegt hij, voor kunstenaars ligt de valstrik van de hoop misschien nog wel meer op de loer dan voor filosofen – de hoop die de oorzaak is van de eerder besproken filosofische zelfmoord, de hoop die de kunstenaar van het absurde pad wegleidt.

Dit bewijst de moeilijkheid van de absurde askese. Dit bewijst bovenal de noodzakelijkheid van een voortdurend waakzaam bewustzijn en voegt zich in het algemene kader van dit essay. (…) Werken en scheppen ‘voor niets’ (…), dat is de moeilijke wijsheid, die door het absurde denken gewettigd wordt. Het gelijktijdig op zich nemen van deze twee taken, aan de ene kant de ontkenning, aan de andere kant de vervoering, dat is de weg die zich opent voor de absurde kunstenaar. Hij moet [15] de leegte kleur geven. [16]

Camus’ ‘eis’ voor het absurde kunstwerk verwoordt hij uiteindelijk als volgt:

Opstandigheid, vrijheid en verscheidenheid. Dan zal de diepe nutteloosheid ervan aan de dag treden. In deze dagelijkse inspanning, waarbij verstand en hartstocht vermengd worden en elkaar opvoeren, ontdekt de absurde mens een discipline, die het wezenlijke van zijn krachten uitmaakt.[17]

Het absurde sluit het geluk van het leven, van het kunstwerk, niet uit. Van het volgende hoofdstuk in het boek, met dezelfde naam als het boek zelf, citeer ik alleen de laatste twee zinnen, waarbij men zich de mythe van Sysiphus voor ogen moet houden.[18]

De strijd op zichzelf tegen de top is voldoende om het hart van een mens te vullen. We moeten ons Sisyfus als een gelukkig mens voorstellen.[19]

Het podium van de waan-zin

Het gehele bestaan is voor iemand die zich van de eeuwigheid afgekeerd heeft, slechts één onmetelijk mimisch spel onder het masker van het absurde.[20]

De Mythe van Sisyfus eindigt niet met het hoofdstuk over Sisyphus. Er is nog een interessant aanhangsel over de hoop en het absurde in het werk van Kafka. Dat is echter al iets dat meer thuishoort op een podium van de waanzin.

Ik wil nu terug naar mijn ‘interesse’ voor het absurde. Want gaat het wel om het absurde? Ben ik een bewust absurde mens zoals Camus deze ten tonele voert? Of ben ik alleen geobsedeerd door het absurde? Ben ik als een nachtvlinder die steeds weer tegen die hypnotiserende lamp vliegt? Een insect is zich niet bewust; maar in hoeverre ben ik dat wel? De lamp is voor de nachtvlinder wat voor de mens de onbegrijpelijke wereld is: aanwezig en on-redelijk tegelijk. Mijn leven bestaat hooguit uit momenten van absurde ascese en veel meer uit escapisme: het wegvallen van het ik tijdens het kijken naar een mij boeiende film; het hoogste geluk als ik verbintenis voel met het geluk, verdriet of begrip van mijn kinderen; de haat die ik voel voor zaken die net zo absurd zijn als de dingen die me een gevoel van warmte en begrip geven. Ik ‘spring’ voortdurend. Maar als iemand me zou vragen wat de zin van het leven is, kan ik niet anders – op welk moment dan ook – dan toegeven dat die er voor mij noodzakelijkerwijs niet is, evenmin als een metafysische ethiek of esthetiek. Hieruit volgt ook dat ik nog steeds niet serieus over de toekomst na kan denken en daarnaar kan handelen, anders dan dat ik weet dat ik eens zal sterven.

Mijn biologische driften zorgen ervoor dat ik lijk op andere mensen, want ook ik wil eten, drinken en genieten. Je zou mij zelfs aartslui kunnen noemen (waarom al die moeite als er toch geen zin is?). Maar het willen scheppen en denkend bezig zijn, is voor mij, zoals voor zovelen, evengoed een drift. Als ik mij erger aan al die mensen die niet inzien dat er geen zin is, dat de wereld niet zo geordend is als zij denken, die zich met mij bemoeien vanuit hun in mijn ogen beperkte wereld- en mensbeeld, is het dan niet dezelfde drift die mij ertoe doet bewegen mensen de ogen te willen openen? Ik ben een slechte redenaar en overtuiger. Maar wat ik wel zou[21] kunnen doen, is het openen van een podium: een podium voor de waanzin. En de waanzin komt in vele, soms elkaar tegensprekende, gedaanten, zoals ook Camus beaamt. Ik wil de mens in de afgrond duwen en haar de schoonheid tonen van het absurde, het zinloze en het waanzinnige, waarin de mens ineenkrimpt tot een nietige, onbetekenende punt. Een punt die kan lachen, huilen, zich verbazen en zich vervreemd kan voelen, maar toch een punt.

Ik wil niet alleen absurde werken laten zien, ik wil ook graag weten hoe mensen omgaan met de (absurde) wereld. Traditie en conformisme is de meest voor de hand liggende vorm van blindheid voor het absurde (of een filosofische zelfmoord na het aanschouwen van het absurde), maar mensen kunnen zich individueel of in kleine groepen op allerlei verrassende manieren tegen de absurde wereld wapenen. Deze laatste manieren wil ik ook graag op het podium zetten, omdat het kan leiden tot een verbreding van het denken en dus ook een bredere visie op de wereld en de mens.

Om het geheel niet tot oppervlakkig rariteitenkabinet te laten vervallen, zou ik bij elke opvoering op het podium de waaromvraag centraal stellen. Camus volgend mogen we hier geen zinnig eindantwoord op verwachten, maar de antwoorden die we vinden, zullen op zijn minst bijdragen tot een beter begrip van de waanzin die deze wereld is.

Heb ik de waarheid in pacht? Uiteraard niet, aangezien de waarheid in mijn ogen niet bestaat. Ik kan alleen mijn waarheid volgen, verbreden, tegenspreken en tonen. Heeft een podium van de waanzin een doel? Uiteraard niet, want een doel impliceert een zin, en die is er, volgens mijn waarheid, niet. Maar mijn verlangen ziet niettemin graag een podium voor de waanzin. En hier is het. Doe ermee wat je wil.

(3 augustus 2016)

2. De liefdevolle misantroop: een absurdistisch dier

Everybody understands Mickey Mouse.
Few understand Herman Hesse.
Only a handfull understand Albert Einstein.
And nobody understood Emperor Norton.

(Uit de Discordia Principia)

Ik ben geen praktisch mens. Liever leef ik in mijn hoofd. Maar de wereld om me heen is er wel gewoon en ik kan niet anders dan meedraaien. Dat dat problemen, of op zijn minst ergernis en weerzin met zich meebrengt, is niet meer dan logisch. Wat mij zeer verbaasd is wát mij het meest ongelukkig maakt: dat ik het me veel te veel aantrek wat mensen van mij vinden en dat ik mezelf veracht. Maar zoals iedereen leef ik in een paradox: ik haat de mensheid, ik erger me aan de meeste mensen en tegelijkertijd houd ik van ze, omdat ik weet dat iedereen uiteindelijk onschuldig is; ik vind mezelf lui, inconsequent in gedachten en handelen, en toch houd ik van mijn gedachten en heb ik voor mezelf altijd gelijk en houd ik van mezelf als het wezen dat nou eenmaal is zoals het is.

De praktijk, de wereld om me heen, rukt en trekt aan mijn pure ideeën (die natuurlijk steeds veranderen, al geef ik mezelf dat nauwelijks toe), en ik trek mezelf terug tot het niet anders kan en ik willoos terug trek en vervolgens overstag ga. Ik – en dat zal wellicht voor velen of misschien wel iedereen gelden – leef in twee werelden tegelijk en heb daarmee ook twee ikken: de ik in mijn hoofd en de ik in de wereld.[1] Maar ik wil hier geen dualisme verdedigen: het ene ik is onverbiddelijk verweven met het andere ik. Het nadenken kan pas bestaan als er ervaringen zijn om over na te denken, hoe abstract deze ook mogen zijn. Omgekeerd kan er alleen worden gehandeld als er een gedachte is die tot het handelen aanzet, hoe primitief die ook mag zijn.[2]

In dit ego-essay wil ik uitzoeken hoe ik aan mijn misantropie kom en tegelijk kan geloven in de onschuld van de mens. Je zou dit essay een zelftherapie kunnen noemen, maar dat acht ik als secundair belang. Ik hoop met dit essay aanschouwelijk te maken hoe misantropie en algemene weerzin kunnen samengaan met mensenliefde en nihilisme.

Nihilisme en determinisme

Om met het nihilisme te beginnen: ik geloof niet in een zin.[3] Zin impliceert een hogere, niet-materiële instantie die een na te streven doel bepaalt. In een dergelijke instantie geloof ik niet en kan ik niet geloven, aangezien dit via logisch denken simpelweg extreem onwaarschijnlijk is en ik geen ervaringen heb gehad die mij een reden geven toch hierin te geloven. Maar de mens als biologisch wezen is er blijkbaar niet op toegerust te leven zonder zingeving. Als een mens de zinloosheid en het absurde van het leven erkent, zijn de enige manieren om hiermee om te gaan zelfverloochening, gek worden of leven als Camus’ ‘absurde held’.[4] De derde manier is de meest bewuste keuze, maar verreweg de minst voorkomende. Zij die de zinloosheid en het absurde erkennen, maar deze niet kunnen samenvoegen met hun leven, worden gek (dat wil zeggen: ongeschikt voor het praktische leven en het meegaan in de consensus). Bijna iedereen die nihilistische gedachten heeft gehad, kiest echter voor de zelfverloochening, zoals religie, ontkenning of zelfmoord. Als ik naar mezelf kijk, zie ik dat er geen vaste grens hoeft te liggen tussen deze drie keuzes, eigenlijk heb ik ervaring met alle mogelijkheden, afhankelijk van mijn overtuigingen en situatie op het betreffende moment. Heb ik tijd voor (zelf)reflectie, dan kan ik soms leven als absurde held. Zit ik midden in het ‘leven’, met veel prikkels van werk, mijn kinderen en dagelijkse taken, dan reageert mijn lichaam en het grootste deel van mijn psyche via impulsen, driften, gewoontes en rituelen. Maar meestal blijft ook dan een nihilistische overtuiging sluimeren.

Zinloosheid gaat goed samen (maar is niet per se nodig) met mijn deterministische wereldbeeld. Ik geloof in een oerknal (materie en tijd) als het beginpunt van iets dat tot niets anders heeft kunnen leiden dan tot de materie zoals die zich nu voordoet (en zich zal blijven voordoen). Wat tijd en ruimte en materie is, weet ik niet. Het zou zo maar kunnen dat de ruimte gekromd is, de tijd een illusie is en/of dat er van een multiversum moet worden uitgegaan, zoals dat van de natuurkundige Michio Kaku. Eerlijk gezegd is dat voor mij te hoog gegrepen, maar vooral ‘onvoorstelbaar’. Ik sluit me aan bij Camus’ woorden: ‘Ik begrijp nu dat al kan ik de verschijnselen wetenschappelijk vatten en opsommen, ik daarom de wereld nog niet kan begrijpen.’[5] Op het lagere niveau van de wereld zoals die aan ons verschijnt, hang ik ook andere deterministische theorieën aan, simpelweg omdat die het meest logisch zijn in de zin van Ockhams scheermes, zoals Darwins evolutietheorie[6] en Dawkins’ memetica (kort door de bocht: evolutie van ideeën los van de menselijke evolutie).

Misvattingen in de maatschappij

Veel (Westerse) mensen kunnen niet goed leven met een deterministisch wereldbeeld, aangezien deze ook de zinloosheid naar voren lijkt te halen (wat overigens niet per se noodzakelijk is). Dat is al te zien aan de vele misvattingen van deterministische theorieën en ideeën die er bestaan. Uit deze misvattingen blijkt vooral de onwil om niet-antropocentrisch en nihilistisch te denken, al zegt de ratio en de goede lezing van de theorieën het tegenovergestelde. Als voorbeeld kan dienen deze kant-en-klare lijst (https://nl.wikipedia.org/wiki/Evolutietheorie#Misvattingen_over_evolutietheorie) over de misvattingen betreffende de evolutietheorie. De misvattingen zelf kort op een rij:

  1. De evolutietheorie is toch maar een theorie.[7]
  2. Evolutie leidt tot een geleidelijke verbetering van levensvormen.[8]
  3. De mens stamt af van de apen.
  4. Evolutie is survival of the fittest.
  5. Uit een simpel blind proces zoals evolutie kan niet zoiets complex als het oog voortkomen.
  6. De zwakken helpen, druist in tegen de evolutie.

Een voorbeeld van een misvatting betreffende de memetica is: ‘de evolutie van ideeën is altijd te herleiden tot de evolutie van de mens zelf’.[9]

Uit bovenstaande lijstje misvattingen over de evolutietheorie is nog iets anders te zien, vooral in punt 4 en 6. Iets dat ook geldt voor opvattingen over determinisme in het algemeen en nog veel meer voor nihilisme. Veel mensen zien deze opvattingen als negatief en zelfs inhumaan. Er is geen betere manier om dit in te zien, dan door een korte blik op onze taal: onzin, waanzin, nutteloos, zinloos – stuk voor sterk negatief geladen woorden. Zegt men: ‘het leven is zinloos’ dan impliceert dit voor de meeste mensen een afkeer voor het leven en wellicht de keuze voor een vrijwillige dood – maar waarom? ‘Waanzinnig’ is iemand die letterlijk de verkeerde ‘zin’ voor ogen heeft – maar het nihilisme gaat ervanuit dat alle ‘zin’ een waandenkbeeld is.

Wat betreft het Westerse denken is ten slotte nóg een misvatting tekenend: de misvatting over het Boeddhisme en aanverwante filosofieën. Alle vrolijke zen-bedrijfjes, yogalessen en Oosterse tegeltjeswijsheden ten spijt, heeft het oorspronkelijke Boeddhisme niks te maken met woorden als ‘positief’, ‘jezelf vinden’, ‘verlichting’ en ‘een hemel’. Reïncarnatie betekent voor de Boeddhist een op het oog terugkerende ‘wil, verlangen’. Dat dat over mensenlevens heen gaat is voor hem onbelangrijk en slechts een voortvloeisel uit het feit dat ruimte en tijd in feite niet bestaan. ‘Opstijgen naar het nirwana’ is niet een hemelse rust na de ‘laatste’ dood, maar het opgaan in het totaal neutrale niets – of beter: het opgaan in het besef van het totale niets. Dit kan dus evengoed in de dood als in het leven gebeuren. Het ‘verlangen’ dooft uit in het niets, en kan weliswaar niet meer leiden tot lijden, maar evenmin leiden tot geluk. Dat laatste wordt door het westerse nep-Boeddhisme (en veel modernere varianten in het oosten zelf) voor het gemak vergeten. Ik zie mezelf niet als Boeddhist, maar het is tekenend dat in elk geval de Westerse mens[10] alleen andere culturele ideeën wil overnemen als het past in een setting met hoop, en dus met een doel en een zingeving.

Recapitulatie en tussentijdse conclusie

In het voorgaande heb ik laten zien dat ikzelf niet anders kan dan te denken in een nihilistisch en deterministisch raamwerk. Ook mag nu duidelijk zijn dat ik ervan ben overtuigd dat de meeste mensen (en via consensus ook de maatschappij en daarmee het praktische leven) terugvallen op een onbegrip en/of wantrouwen jegens het deterministische en nog meer jegens het nihilistische gedachtengoed. Dit wordt niet als normaal beschouwd en zelfs als iets negatiefs (wellicht ook als subversief). De maatschappij is ingericht op mensen die geloven in een hoger doel en een zingeving en via het nastreven ervan de maatschappelijke taken ten uitvoer brengen. De vraag is: kan een maatschappij überhaupt bestaan binnen een nihilistisch gedachtengoed? Het antwoord is: alleen als de leden ervan allemaal ‘absurde helden’ zijn. Dat zou willen zeggen dat iedereen doordrenkt is van het niet bestaan van een zin en tegelijkertijd het leven aanvaardt zoals het is, compleet met het besef dat de biologie van de mens nu eenmaal streeft naar overleving en het feit dat de mens een sociaal wezen is. Maar dat zou ook impliceren dat de mens moet toegeven dat het een dier en een willoze automaat is; dat gevoelens en cultuur in wezen fictief zijn; dat de mens niet belangrijker is dan, zeg, een willekeurige steen. Viel de mens door Darwin al van een voetstuk af, door dít besef zou de gehele grond onder zijn voeten verdwijnen. Onbewust of zelfs bewust zal een deel van de mensen het nihilistische gedachtengoed erkennen, maar het wordt onderdrukt zo gauw het dagelijkse leven zich aan haar opdringt, het wordt onderdrukt door iets dat sterker is dan haarzelf. Precies het determinisme, het ontbreken van een vrije wil, is af te leiden aan het feit dat een mens niet anders kan dan zijn eigen wezen verloochenen, zelfs al is de gedachte van zinloosheid aanwezig. De alledaagse mens leeft in een zelfverzonnen fictie.

Absurdisme, cosmicisme, discordianisme en sofisme

Laten we het alledaagse even buiten beschouwing, dan zijn er natuurlijk tal van mensen die zich hebben beziggehouden met het verschijnsel ‘zinloosheid’. In deze paragraaf wil ik ingaan op enkele filosofieën waarmee ik me in dat opzicht verwant voel.

Het existentialisme kiest er voor bewust een zingeving te creëren. De absurdisten, met Camus als eerste, wijzen echter naar de vlucht weg van het inzicht dat er geen zin is (‘de filosofische zelfmoord’ in Camus’ woorden); iets dat naast existentialisten ook veel andere filosofische scholen en religies te verwijten valt. Het is een vlucht, net als de vlucht in de zelfmoord, om van de ondragelijke spanning af te zijn, maar daardoor verloochent de mens zichzelf. Camus stelt ook dat het lijden voortkomt uit het ‘absurde’: de kloof die bestaat tussen de zinloosheid[11] en de drang van de mens om toch zingeving te vinden. De ‘absurde held’ kiest ervoor het leven te dragen zoals het is, mét het volle besef dat het tegelijk zin-loos is. Hoe deprimerend het ook moge klinken, het wil niet zeggen dat dit puur lijden en ongeluk inhoudt. De absurde held erkent ook gewoon de lusten van het leven, die immers biologisch vastgelegd zijn: ook een absurde held kan genieten. Zijn ongeluk zit dan ook met name in het feit dat hij niet weet wanneer zijn leven eindigt, maar dat hij wel weet dát het eindigt. Camus geeft in zijn werk voorbeelden van mogelijke ‘absurde helden’.

De Amerikaanse begin-twintigste-eeuwse schrijver H.P. Lovecraft ontwikkelde het ‘cosmicisme’, dat echter daarna naar mijn weten nooit door anderen verder is ontwikkeld.[12] Het is dan ook eerder een filosofisch idee, dan een hele filosofie. Het cosmicisme benadrukt de nietigheid en onbelangrijkheid van de mens in het heelal. In feite verschuift het het antropocentrische wereldbeeld naar een wereldbeeld waarin de mens een toevalligheid is, die de rest van het heelal geen moer kan schelen. Mij lijkt dat logisch: de mens is, zoals ik al zei, niet meer of minder waard dan een steen, gezien het begrip ‘waarde’ uitgaat van een antropocentrisch, niet-nihilistisch wereldbeeld. Lovecrafts verhalen laten dit ook zien: buitenaardse en –dimensionale wezens reageren totaal onverschillig op mensen. Het zijn horrorverhalen omdat de mensen in het boek het bestaan van dergelijke wezens niet kunnen vatten (en soms voedsel voor ze vormen) – een uiterste vorm van xenofobie, waar Lovecraft vreemd genoeg zelf aan leed (naast een kolonialistische vorm van racisme). Het was tevens een uiting van zijn misantropie. Al was hij zelf absoluut ongelovig, wetenschappelijk ingesteld en materialistisch (hij bestreed zelfs actief alles wat met bovennatuurlijkheid en kwakzalverij te maken had), hij vreesde dat de mens door te veel te zoeken naar kennis zou stuiten op een niet-te-vatten werkelijkheid, die in de handen van de onwetende mens als een soort dynamiet zou zijn. Hij zegt:[13]

‘The world is indeed comic, but the joke is on mankind.’

en

‘The most merciful thing in the world, I think, is the inability of the human mind to correlate all its contents… some day the piecing together of dissociated knowledge will open up such terrifying vistas of reality, and of our frightful position therein, that we shall either go mad from the revelation or flee from the light into the peace and safety of a new Dark Age.’

Lovecraft stierf al voor Camus zijn eerste filosofische werk had geschreven. Ik ben benieuwd hoe hij zou hebben gereageerd op Camus’ werk. Zou Lovecrafts ‘vista’ het ‘absurde’ kunnen zijn, wanneer dit ook op een wetenschappelijke manier (bijvoorbeeld via theoretische natuurkunde) zou worden bevestigd?[14]

Discordianisme[15] en sofisme zijn in principe anti-filosofieën, ook wel ‘morosofieën’ genoemd. Bij sofisme gaat het om het gelijk halen door zodanig te argumenteren met (schijnbaar) onweerlegbare argumenten, dat de spreker uitkomt bij waar hij wil zijn. Het gaat er niet om de waarheid te vinden: sofisme gaat uit van meerdere waarheden waaruit kan worden gekozen. Het discordianisme lijkt op het eerste gezicht een soort pastafarianisme.  Het pastafarianisme (beter bekend als de aanhangers van het ‘vliegend spaghettimonster’) is een schertsreligie, in het leven geroepen om de onzinnigheid van religies en met name het creationisme te bestrijden. Maar het discordianisme houdt echter het midden tussen een parodie en serieuze filosofie/religie met met name Oosters aandoende elementen. Juist door deze status werkt het verwarrend, en laat het goed zien hoe een mens die zin zoekt totaal in de war kan raken, en dat de grens tussen ongeloofwaardige, bizarre verzinsels en waarheden bijna niet te trekken is. Zo is een geloofwaardig, maar niet per se origineel, beginsel van het discordianisme dat de mens niet anders kan dan door zijn door cultuur en opvoeding gevormde bril te kijken naar de échte werkelijkheid. Door deze brillen (‘grids’) ziet niemand de échte werkelijkheid zelf, maar alleen een door hemzelf gecreëerde versie (vergelijk Plato’s schaduwbeelden[16]).

Niet voor niets worden de Griekse sofisten gezien als de uitvinders van de logica. Zij probeerden stellingen van andere filosofen onderuit te halen, met als enige doel het onderuithalen zelf. Zij worden daarbij ook direct gezien als de uitvinders van de drogredenen. Niet alleen de Grieken hadden sofisten, ook andere culturen, zoals de Chinese, hebben sofistische scholen gekend. Meestal werden ze als subversief beschouwd, maar sofisten zorgden er wél voor dat filosofen scherp bleven en steeds betere bewijzen voor hun stellingen moesten zoeken. Ik noem de sofisten hier, omdat sofistisch denken tevens een antigif kan zijn voor de ‘filosofische zelfmoord’. Ondanks alles, nemen (zoals Camus zegt) bijna alle denkers en mensen opeens een onverklaarbare sprong als het absurde ze te benauwd wordt, en beginnen hun eerder zo logisch klinkende ideeën ongefundeerd richting zingeving en het geloof in een zelfgecreëerde waarheid te trekken.

In deze zin lijkt de mensheid[17], naast het ontkennen van nihilisme en determinisme en het vasthouden aan een ongefundeerd antropocentrisme nog iets te verwijten: de waan dat de wereld en alles door te denken of door onderzoek kenbaar wordt.

Misantropie

Het besef dat er geen waarheid en daarmee al helemaal geen zin te vinden is, maakt het bijna onmogelijk om als persoon richting aan je leven te geven. Camus geeft voorbeelden van absurde helden die ondanks hun besef toch een doel kiezen waarop zij hun leven en hun keuzes kunnen afstemmen. De meeste zijn fictief, maar hij noemt ook Kafka als werkelijk absurde schrijver, aangezien hij zijn gevoelens en besef omzet in verhalen. Kafka’s verhalen zijn eigenlijk uiterst autobiografisch en realistisch: zij leggen bloot hoe Kafka de wereld beleeft, en niet anders kan dan het zo te beleven. De hoofdpersonages in zijn verhalen kunnen niet anders dan meegaan in het lot dat voor ze vast ligt (determinisme!), terwijl de andere personages allen overtuigd zijn van de waarheid van hun bizarre maatschappij die niets te maken heeft met echte ratio. De totaal willekeurige gevoelens en wensen worden als het ware gekoppeld aan een gekozen werkelijkheid die daarna als enige werkelijkheid wordt gepresenteerd, en waarin de hoofdpersonage willoos meegaat. De filosofische zelfmoord van de personages wordt akelig zichtbaar door Kafka aan het licht gebracht. Wat een inzicht! Maar Kafka geeft ook blijk van misantropie, zoals de meeste mensen die sterk te lijden hebben onder de misstanden waarvan ze inzien dat de mensheid de collectieve veroorzaker is.

Ook een dergelijke misantropie is niet iets nieuws. Het is bijvoorbeeld gangbaar in de donkere en pessimistische culturele uitingen. Zie bijvoorbeeld tekst uit Ænema van de progressieve band Tool:

Some say the end is near.
Some say we’ll see Armageddon soon.
I certainly hope we will cause
I sure could use a vacation from this
Stupid shit, silly shit, stupid shit…

(…)

Cause I’m praying for rain
And I’m praying for tidal waves
I wanna see the ground give way.
I wanna watch it all go down.
Mom, please flush it all away.
I wanna see it go right in and down.
I wanna watch it go right in.
Watch you flush it all away.

Time to bring it down again.
Don’t just call me pessimist.
Try and read between the lines.

De laatste twee regels duiden interessant genoeg op een mogelijke uitkomst, wellicht op het continu herhaalde ‘learn to swim’ in de overige tekst. Dat zou erop kunnen wijzen dat de armageddon in dit nummer gezien moet worden als een puur symbolische purgatie van de menselijke onhebbelijkheden, als een zondvloed, waarna de mensheid weer herstelt is van zijn morele ziekte.

Een ander mooi voorbeeld komt van een andere progressive rock-band, Blackfield, in het nummer The End of the World:

We are hopeless and slaves to our fears
We’re an accident called human beings

(…)

In your room doing nothing
But staring at flickering screens
Streets are empty, but still you can hear
Joy of children turning to tears

Disease hides around every corner
Quiet, lay still
Wait for a moment to hear
We forgot what is touch, what to feel

It’s the end of the world
The end of the world
It’s a prison for dreams and for hopes
And still we believe there is God
It’s the end of the world
The end of the world
We’re dead but pretend we’re alive
Full of ignorance, fools in disguise

Ook in dit nummer gaat het om een op ons zelf afgeroepen armageddon. De laatst geciteerde regel kan duiden op het eerder geformuleerde idee dat de mens in zijn zelfgeschapen fictie leeft. Ieder weldenkend mens zal erkennen dat de mensheid een ziekte is, een plaag of een ramp als wordt gekeken naar de aantasting van de aarde en de mensheid zelf. Het mag gezegd worden in een depressieve bui, als klacht, in een songtekst, maar het vormt tegelijkertijd misschien wel het grootste taboe van de mensheid: er zal geen machthebber of politicus, geen belangenorganisatie of club, geen leraar of wetenschapper zijn die de ondergang van de mensheid bewust als doel zou poneren: een algehele armageddon uit wraak op de mensheid die zichzelf en de aarde vernietigt. Diezelfde aarde en mensheid vernietigen is natuurlijk ironisch, maar het behouden van de aarde en de natuur exclusief de mensheid is natuurlijk wel een mogelijkheid. Ik ken geen voorbeelden uit de praktijk, maar denk aan Dr. Peters uit de film 12 Monkeys, die om deze reden een virus onder de mensen verspreid: mooi selectief.

Ons bewustzijn zou ons redelijk moeten laten denken, wat in een bepaalde mate ook het geval is. Het is echter antropocentrisme ten top wanneer wordt vergeten dat er grenzen zijn. De gruwelijkheden en de destructie waartoe een mens in staat is, en die ook gebeuren, zijn het bewijs van de zeer beperkte redelijkheid van de mens. En wellicht nog beperkter blijkt deze te zijn, als we uit egoïstisch narcisme denken te weten dat wij de goedheid zelve zijn en alleen de ‘slechte’ anderen de oorzaak zijn van dit onheil. Zo lang mensen het onheil niet willen of kunnen zien of dit verloochenen, zo lang mensen niet willen of kunnen inzien dat ieder mens inclusief zijzelf in staat is tot destructie en gruwelijkheden – zo lang blijft de mens een onredelijk dier waarin het bewustzijn alleen maar een defect, een milieuramp en humanistische ramp inhoudt.

Misantropische mijmeringen zoals hiervoor leiden uiteraard nergens toe, al zou het een persoonlijk inzicht kunnen vergroten, een inzicht dat de ware absurde held op zich moet nemen. Met het volle besef van de monsterlijkheid van de mens zal hij moeten doorleven. Tegelijk moet niet worden vergeten dat de mens ook tot ‘goede’ dingen in staat is, en mag hij genieten van de vruchten die dat afwerpt, al blijft de optelsom negatief, en zal de absurde held naast zijn eigen onvermijdelijke dood, ook de zelfverkozen dood van de mensheid moeten inzien.

Luiheid

Terug naar de onmogelijkheid richting aan het leven te geven. De combinatie misantropie-nihilisme/determinisme leidt bij mij tot een haast onontkoombare luiheid. Als er geen zin bestaat en alles niet anders kan lopen dan dat het loopt, hoe moet ik dan een doel kiezen? Het leidt al snel tot besluiteloosheid en verlamming. Want als mijn gevoel of gekozen doel de ene dag het ene kiest en de andere dag het ander, welke dag is dan beter geleefd? Als een gekozen doel me na een tijd verveelt en niet direct leidt tot bevrediging van het gevoel, waarom zou ik mij daaraan moeten vasthouden?

Op een lager (dat wil zeggen, praktischer) niveau zegt mijn gevoel dat ik bepaalde dingen moet doen om aan geld, aan liefde en aan luxe en bevrediging te komen, al is het maar vanwege mijn kinderen en dierbaren, en om het leven vol te kunnen houden. Daarbij ben ik ondanks alles onderhevig aan een zware sociale druk. Maar mijn overtuiging zegt dat het allemaal toch geen zin heeft, dat het allemaal om het even is wat ik doe en voel ik me overgeleverd aan de grillen van mijn directe behoeften. Voel ik me fit en vrolijk, dan lukt het me om te werken aan een gekozen doel. Voel ik me moe of heb ik behoefte aan bevrediging van allerlei lusten, dan is er niks dat me werkelijk weerhoudt daaraan toe te geven, want waarom zou ik niet mogen genieten van het enige leven dat ik heb? Het leven doorbrengen met taken waarin ik eigenlijk niet geloof en die op den duur leiden tot onvrede: waarom zou ik? Waarom zou ik een mensheid helpen waarin ik niet geloof? Als ik arme mensen rijk maak: wat gaan zij dan vervolgens met dat geld doen? Als ik zieke mensen beter maak: wat gaan deze gezonde mensen doen? Waarom een mensheid in stand houden die zichzelf toch weer kapot maakt? Dat is voor mij geen morele vraag, maar een wellicht onoplosbare vraag naar kennis.

Liefde en gevoel

Ik doneer aan en ben lid van allerlei goede doelen die te maken hebben met milieu en het voorkómen en tegengaan van door mensen veroorzaakt menselijk leed. Ik kan simpelweg niet goed tegen menselijk leed en tegen de aantasting van het milieu. Het maakt me verdrietig en geeft me een gevoel van hulpeloosheid. Door steun aan goede doelen hoop ik dit leed en deze vernietiging tegen te gaan en helpt het me mezelf minder schuldig te voelen. Ook als het toch mis gaat, kan ik in elk geval zeggen: aan mij lag het niet, ik heb mijn best gedaan. Het heeft in die zin ook een egoïstische reden. Maar wat is ‘mijn best’? Er is voor mij een duidelijke grens: zo gauw werken aan een ‘betere’ wereld mijn eigen leefcomfort aantast, stop ik ermee. Het kan gaan om te veel verlies van tijd of geld of om depressieve gedachten die bijvoorbeeld echt activisme met zich mee kan brengen. Bovendien, en daar ging het in dit essay steeds om: ik geloof niet in een transcedente goedheid, dat het helpen van mensen leidt tot een grotere mate van ‘goedheid’. Als ikzelf lijd onder het helpen van mensen, dan verwissel ik alleen het ene leed met het andere. Als ik een mens uit zijn problemen haal – wat gaat hij dan met zijn leven doen? De aarde mee helpen vernietigen? Andere leed berokkenen? Leven zelf in deze maatschappij berokkent anderen automatisch leed. Deelnemen aan onze maatschappij is alleen mogelijk als je meegaat in zijn wetten en mechanismen, en die wetten en mechanismen leiden nu eenmaal tot leed, bijvoorbeeld vanwege het kapitalistische systeem dat geld centraal stelt en niet het menselijk welzijn of het milieu[18]; of door het strafsysteem dat nog steeds met name uitgaat van wraak en in mindere mate van voorkóming van verder leed. Ik kan niet anders dan schuldig zijn aan leed. Daarbij ben ik ook egoïstisch en zoek mijn comfort, wat ongetwijfeld leidt tot weer verder leed en verdere vernietiging. Vernietiging en het veroorzaken van leed is inherent aan de mensheid en ook aan de mens zelf.

Het determinisme stelt dat de mensheid is zoals hij is, en niet anders kán dan zo zijn. Het ligt in het feit dat wij ook gewoon dieren zijn zonder vrije wil. Alle goede dingen ten spijt: na duizenden jaren ‘cultuur’ vol leed en vernietiging, zal de mensheid hier nooit opeens van verlost zijn door zijn goedheid. Het is naïef te denken dat de mens daartoe in staat is. Maar de mensheid is juist door zijn onnozelheid, zijn idee dat hij goed is, of goed kan zijn, ook niet echt schuldig. Zoals Rousseau al het kind als onschuldig wezen zag, zo kan eigenlijk de gehele mensheid als onschuldig gezien worden. Elk mens zal denken dat hij zijn best doet, goed doet, of in elk geval dat zijn intentie goed is. Een mens heeft een leven gekregen en zit opgescheept met de tijd waarin hij niet anders kan dan handelen – en hoe kan hij anders handelen dan volgens zijn ingebeelde doel of gevoel van goedheid?

En dat is hoe ik van mensen kan houden: als slachtoffers van hun eigen onnozelheid, als individuen die het goed bedoelen en niet anders kunnen dan voortleven. En zo houd ik ook van mezelf. Het is zoals de liefde voor een huisdier of een klein kind. Het is een schrale, maar onwrikbare liefde waar ik moeite voor moet doen, maar die mijzelf met de mensheid en de natuur in verzoening brengt.

De praktijk – een conclusie

Maar wat betekent dit alles voor mij? Hoe leef ik, hoe handel ik? Mijn nihilistische en deterministische overtuiging impliceren voor mij dat er geen transcendent doel bestaat. Het feit dat ik leef en de tijd moet doorkomen, het feit dat ik een dier ben, zorgen er echter voor dat ik ondanks het ontbreken van een doel of een zin, toch handel en leef. Ik ben echter wel in staat mezelf een doel te stellen, op een lager niveau, wetende dat dit doel niet ‘heilig’ is, dat ik het zelf heb gecreëerd en er altijd vanaf kan wijken, dat het een illusie is, maar het desalniettemin kan proberen na te streven: voldoen aan de (minimale) eisen van de maatschappij om persoonlijke problemen te voorkomen – hoe onzinnig, destructief of leedmakend deze ook zijn; daarbinnen proberen menselijk leed (inclusief dat van mezelf) en verdere destructie van het milieu te voorkomen. Het is een absurd doel, misschien wel even bizar als de verhalen van Kafka, maar het is een menselijk doel. En ik kan niet anders dan toegeven dat ik een mens ben met dat brein dat ons heeft gemaakt tot wat we zijn: het meest absurdistische dier dat thans bestaat.

(20 maart 2018)

Noten van: Het absurde verlangen – het verlangen naar het absurde

[1] Voor deze en volgende citaten uit dit boek is de oude, vertaalde editie uit 1962 van Uitgeverij de Bezige Bij, Amsterdam, gebruikt – omdat ik die toevallig in bezit heb. Vandaar ook de typische jaren ’60-spelling. (Vertaling door C.N. Lijsen)

[1] http://indepressie.nl/forum/lucht-uw-hart/32390-een-hekel-aan-andere-mensen (geciteerd op 19-7-2016)

[2] Albert Camus, De Myte van Sisyfus. Vert. C.N. Lijsen. De Bezige Bij, Amsterdam, 1962. Pag. 33.

[3] Sindsdien ben ik dan ook een tegenstander van de stelling dat zelfmoord laf of makkelijk zou zijn.

[4] Dat ik mezelf ook af en toe schuldig maak(te?) aan deze filosofische zelfmoord, blijkt wel uit de Kierkegaardachtige conclusie in mijn korte essay Een vrijdenkexperiment: existentialisme.

[5] Zie voetnoot 2. Pag. 73. Vgl. pag. 78: ‘Hij [de absurdist] wil weten of het mogelijk is, te leven zonder zich ergens op te kunnen beroepen.’

[6] Idem. Pag. 76. Ik ben me er overigens van bewust dat ik veel citeer. Hopelijk ziet de lezer dit niet als luiheid, maar als de mate waarin Camus’ woorden (in eerste instantie onbewust) mijn huidige denken en levensbeschouwing heeft beïnvloed.

[7] Idem. Pag. 81.

[8] Idem. Pag. 87.

[9] Idem. Pag. 92/93.

[10] Idem. Pag. 96.

[11] Idem. Pag. 133/134.

[12] Idem. Pag. 134.

[13] Hij gaat niet in op muziek, behalve met deze alleszeggende opmerking: ‘Als er één kunst is waar niets uit te leren valt, dan is het wel deze. Zij is te zeer verwant aan de wiskunde, om niet iets van de doelloosheid daarvan over te nemen.’ (Idem. Pag.139)

[14] Over Dostojewski’s werk Demonen trekt hij de conclusie: ‘Er is hier geen sprake van een absurd werk, maar van een werk dat het probleem van het absurde stelt. Dostojewski’s antwoord is de verootmoediging (…). Een absurd kunstwerk daarentegen geeft geen antwoord, ziedaar het verschil.’ (Idem. Pag. 156)

[15] Uiteraard dient men hier ‘moet’ te lezen in de zin van ‘hij kan niet anders’ – niet als een metafysische plicht – dat zou namelijk wijzen op het afwenden van de absurde gedachte.

[16] Idem (bron). Pag. 158/159.

[17] Idem. Pag. 163.

[18] Sysiphus was een door de goden gestrafte man die in de hel eeuwig opnieuw een steen een heuvel op moest rollen – een steen die steeds vlak voor de top weer naar beneden rolde. Camus ziet de teruggang van de gestrafte naar beneden als het moment dat hij bewust is van het absurde (zoals een arbeider opeens de nutteloosheid van zijn werk in kan zien op weg naar het werk).

[19] Idem. Pag. 171.

[20] Idem. Pag. 133.

[21] ‘Zou’ ja – het is wellicht aan een ander dit initiatief op te pikken, lui als ik ben.

Noten van: De liefdevolle misantroop: een absurdistisch dier

[1] Ik wil hiermee geen filosofisch of psychologisch onderscheid in ikken maken, daar heeft Sartre al tot mijn hoofdpijn aan toe over geschreven in zijn La Transcendance de l’Ego.

[2] Ik ga niet in op de discussie over het mogelijke verschil tussen een bewustzijn en een ‘automatisch handelen’, zoals van de meeste dieren wordt verwacht dat ze dat doen. Ik vind dit onderscheid naïef en tekenend voor een antropocentrisch wereldbeeld. De mens is net zo goed een dier; het bewustzijn is een schijnvertoning, waar ook mensen als Daniel Denett en Susan Blackmore ons geheel terecht op wijzen.

[3] Uiteraard gaat het om een filosofische overtuiging, niet om een biologische of psychologische ‘zin’. Ook ik heb zin in friet of streef ernaar op tijd de trein te halen.

[4] Zie verder mijn essay Het absurde verlangen – het verlangen naar het absurde.

[5] Albert Camus, De Myte van Sysiphus, pag. 32.

[6] En dan bedoel ik de met de nieuwste inzichten aangepaste versie.

[7] Het is in feite een theorie, maar het gaat om het woordje ‘maar’.

[8] Toevoeging van mij: ‘met de mens als eindpunt’.

[9] Zie voor een goed uitgeschreven bestrijding van deze misvatting Susan Blackmores boek The Meme Machine.

[10] En, denk ik, de meeste niet-westerse mensen evengoed, gezien het feit dat de meeste ‘gelovigen’ in het oosten kiezen voor de minder extreme en praktischere vormen van Boeddhisme en dergelijke.

[11] De zinloosheid wordt door Camus gekenmerkt door de aanwezigheid van slechts één zekerheid: de dood. Hij kan niet geloven in een eeuwig leven: ook geloof in een eeuwig leven is een vlucht weg van het besef van de zinloosheid.

[12] Update 23-9-2018: inmiddels heb ik begrepen dat zijn gedachtegoed zeker nog of zelfs opnieuw voortleeft, ook in de filosofie – zoals in de filosofie van Timothy Morton, met zijn concept ‘hyperobjecten’.

[13] Voor het gemak opnieuw opgezocht door mij via goodreads.com.

[14] Wat een interessant paradoxaal gegeven zou zijn: de wetenschap zou zo zijn eigen bestaan als een illusie definiëren.

[15] Ook de patafysica van Alfred Jarry is een goed voorbeeld van een morosofie, waarbij niet duidelijk is in welke mate het serieus moet worden genomen. Jarry zelf nam het in elk geval dermate serieus dat hij er ‘waanzinnig’ van werd (of juist niet?). De patafysica gaat ervanuit dat er geen algemeen geldige wetten zijn, maar juist enkel uitzonderingen. Zie ook de eraan verwante filosofie van Gilles Deleuze.

[16] De kwestie dat er gekozen zou moeten worden tussen een dualistische of monistische ontologie, terwijl mijns inziens de oplossing ligt in een ‘pseudo-dualistische’ ontologie, is overigens een apart essay waard – ik zal er hier daarom niet verder op ingaan.

[17] Dat wil zeggen, de mensheid begrepen als een maatschappelijke, pragmatische consensus.

[18] Een kapitalist zal zeggen dat de bepaalde economische processen zoals marktwerking zal zorgen voor een betere leefwereld en ook een beter milieu, maar dit mechanisme blijkt in de praktijk maar zelden daadwerkelijk tot deze effecten te leiden, met name omdat de mens nu eenmaal een egoïstisch en corruptief karakter heeft

De doden als muzen

Père-Lachaise

Afbeelding: Christophe Civeton (Public Domain)

Een vrouw leest haar partner voor, zoals ze elke avond doet. Onbewust plukt ze een pluisje van zijn trui of streelt hem over het hoofd. Die indruk krijgen we als we in stilte een vrouw voor een graf op een stoel zien zitten. Ze leest voor, en veegt af en toe wat stof van de tombe. Het is zomaar een van de vele scènes in Forever.

Ook de striptekenaar Heuet is een van de bezoekers van de Parijse kunstenaarsbegraafplaats Père-Lachaise. Hij haalt Proust aan, die laat zien dat een mens door een toevallige gewaarwording zich opeens weer een kind of een ander mens kan voelen, en dat daar de eeuwigmakende kracht van de kunst in ligt. De indrukwekkende documentaire van de veel geprezen documentairemaakster Heddy Honigmann zelf is het bewijs van een dergelijk eeuwigheidsgevoel.

Forever gaat over hoe de doden voor de levenden zorgen. Het gaat over hoe kunst mensen kan obsederen en inspireren. Het gaat over de helende rust van een kerkhof, over mensen en hun emoties en over de beroemde kunstenaarsbegraafplaats in Parijs. Het gaat ook over dood, verdriet, liefde en alledaagsheid.

Allereerst is er de caleidoscopische werking van de verhalen van de mensen die de graven bezoeken: soms licht en alledaags, soms triest en aangrijpend, soms vurig en geïnspireerd. Dan is er de uit de graven geplukte muziek: van bekende musici als Chopin tot een ontroerend lied van een vergeten zangeres. En tenslotte de prachtige beeldimpressies van de begraafplaats en de mensen. Dit alles tot één aangrijpend genuanceerd geheel gemaakt.

Het is dan ook onbegrijpelijk hoe Ronald Ockhuysen in zijn vernietigende recensie Esthetische Valkuil op Cinema.nl deze film afdoet als slechts een simpele niet-spontane op de sentimenten van mensen inwerkende documentaire. De verhalen zijn echt, de mensen zijn echt, de gevoelens zijn echt. Steeds weer werd ik betoverd door de shots, zoals die van de Chinese pianiste die leek te refereren aan de in de film genoemde kracht van Mona Lisa, of die van de bezielde oratie van Stephane Heuet.

Het is een film die je aanzet tot denken en tot creativiteit, tot het lezen van Proust, het kijken naar portretten van Modigliani, het luisteren naar Chopin en eigenlijk alles wat je ooit nog zo graag wilde lezen, horen of zien – voor het niet meer kan.

(Oude weblog, 2006)

Metropolis

metropolis

Foto: Jiuguang Wang from Pittsburgh, Pennsylvania, United States – Maria from the film Metropolis, on display at the Robot Hall of Fame, CC BY-SA 2.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=27508212

Vanaf de tweede helft van de 20e eeuw wordt Metropolis erkend als een van de hoogtepunten van de Duitse, expressionistische en nieuw-zakelijke films van de jaren ’20 en ’30, naast films als Der Golem, Faust en Das Kabinett des Doktor Caligari. Op het IMDb staat het nog steeds in de top 100 van beste films ooit. Toch werd het in 1927 neergezet als oppervlakkige actiefilm, waarbij het niet al te grote publiek dan ook niet kon verhinderen dat hij grote verliezen draaide. De kosten (5 miljoen mark) kwamen dan ook ver boven het bedoelde budget uit en brachten de UFA (destijds de belangrijkste filmstudio van Duitsland) aan de rand van een faillissement.

In deze film van Fritz Lang valt direct aan het begin al de nieuw-zakelijke sfeer op: machines, rechte lijnen, soberheid, kale gebouwen (denk aan Blokken en Knorrende beesten van Bordewijk). Daarbij komt nog de expressionistische inslag door de fantastische decors (met name de stadsgezichten), de dynamiek en de nachtmerrieachtige voorstellingen. Het wordt vaak gezien als de laatste expressionistische Duitse film. De latere films van Lang zijn dan ook minder fantastisch en meer realistisch.

Freder Fredersen (Gustav Fröhlich), de hoofdpersoon, leeft te midden van de rijken in de kubistische wolkenkrabbers. De rijken hoeven in deze antiutopie alleen na te denken, niks te doen. Ze mogen genieten, zoals Freder, van paradijselijke tuinen vol guitig giechelende meisjes, pauwen en fonteintjes. Deze Freder belandt echter al direct door zijn nieuwsgierigheid bij ‘profeet’ Maria (Brigitte Helm) in de onderaardse wereld van de arbeiders. Deze arbeiders werken als robots met grote helse machines. Waar deze machines voor dienen, is volstrekt onduidelijk, maar het gaat Lang dan ook slechts om de beelden, de analogie. De mensen gebruikt hij als compositie-elementen – ze zijn vaak nog niet eens flat character te noemen, laat staan psychologisch uitgewerkte karakters. Dit mensbeeld sprak de nazi’s blijkbaar aan, die Lang een contract aanboden à la Riefenstahl. Hij moest hier echter niets van hebben, en vluchtte niet veel later dan ook via Frankrijk naar Amerika. Met deze film klaagde hij de mens als massadier aan, en dat is dan ook iets wat duidelijk uit de film naar voren komt.

Opvallend zijn natuurlijk de scènes die aan de wieg stonden van ontelbare SF-, fantasy- en horrorfilms, waaronder Frankenstein. De arbeider die als een gek de wijzers van een machineklok met zijn hele lichaam blijft verstellen, de gekke professor die een mens probeert te maken van een robot (die vervolgens de zeven zonden predikt en verderf zaait), de molochfiguur in het visioen van Freder, et cetera. Het pessimisme en de kafkaëske agora-claustrofobie is echter Langs bekendste signatuur: de figuren worden verkleind door grote ruimtes en tegelijk vaak door het scherm opgesloten. In zijn latere Mabuse-films is het aspect van opgeslotenheid door kleine ruimtes en kadrering door leuningen en dergelijke nog duidelijker.

Het motto van de film: ‘There can be no understanding between the hands and the brain unless the heart acts as mediator’, wordt aan het einde van de film mierzoet en dan ook totaal buiten de rest van de film vallend, verbeeld. Dit moet toegeschreven worden aan Langs vrouw, Thea von Harbou, die wél voor de nazi’s ging schrijven, en verantwoordelijk is voor meer verpestende melodramatische scènes in Langs films. Ondanks dat is de film zeker de moeite van het kijken waard, al is het omdat het een van de grootste monumenten is van de filmgeschiedenis.

(Oude weblog, 2006)

Land of the Dead

land of the dead

Foto: filmstill uit Land of the Dead

Was Night of the Living Dead (1968) nog een cult-pulpfilm, Dawn of the Dead (1978) een tweede cultfilm en Day of the Dead (1985) een mijns inziens onterecht miskende veel serieuzere film – de vierde zombiefilm van Romero Land of the Dead (2005) is gewoon een standaard horror-actiefilm. Een forse tegenvaller dus, zeker als je bedenkt dat Romero toch twintig jaar de tijd voor heeft gehad om erover na te denken.

In 2004 maakte Zack Snyder een remake van Romero’s tweede en tevens bekendste zombiefilm, Dawn of the Dead. Deze film kreeg vooral kritiek om de manier waarop Snyder Romero’s film had ontdaan van de filosofische en kritische kantjes: ‘film over de mens als consumerende zombie’ was vervangen door ‘consumeerbare splatter met rennende zombies en weinig verhaal’. In datzelfde jaar maakte Edgar Wright Shaun of the Dead, een parodie op Dawn of the Dead. Ik vraag me dan ook af hoe het kan dat Land of the Dead meer lijkt op Snyders platte film dan op Romero’s eigen drie zombiefilms. En waarom geeft Romero de makers van Shaun of the Dead (Simon Pegg en Edgar Wright) gastrollen in zijn film?

Alles lijkt erop te wijzen dat Romero zijn eigen film niet serieus neemt, en meegaat in de massastroom van makkelijk te consumeren films zonder verhaal en met vooral veel special effects. Iets waar zijn beroemdste film nou juist tegen ageerde. Het verhaal is volgens Romero een vervolg op Night of the Living Dead (dat, ondanks de reddende soldaten aan het eind, dus blijkbaar toch slecht was afgelopen). Midden in de door zombies beheerste wereld ligt een versterkte stad waar nog mensen leven en wonen, met een grote kloof tussen arm en rijk. De zombies buiten de stad lijken onder leiding van de zombie Big Daddy echter iets te intelligent te worden. De ‘mad maxen’ onder de bevolking, waaronder de good guy Riley (Simon Baker) en de asociale Cholo (John Leguizamo) zorgen vervolgens voor een regen van special effects met hun stoerejongetjestank Dead Reckoning, als het de zombies lukt de stad binnen te dringen.

In het begin van de film vindt er een Romerische dialoog plaats, wanneer Mike en Riley de zombies, waaronder Big Daddy, vanachter een struikje observeren: ‘They’re pretending to be alive…’ ‘Isn’t that what we’re doing? Pretending to be alive?’. Is dit een verwijzing naar de mens als zombie, zoals in Dawn of the Dead? Als dat zo is, is het jammer dat het in de film bij deze dialoog blijft. Toch zijn er ook inbrengen van Romero die ik wél kan appreciëren. Hoe je het ook wendt of keert, de door hem in 1968 en 1978 uitgevonden splattereffecten worden met de (voor hem voor het eerst digitale) special effects er zeker niet slechter op. Verder blijft het karakter van Big Daddy (Eugene Clark) intrigerend, ondanks de verder slechte plot. Deze zombie is het brein en de leider van de plaatselijke zombiegemeenschap. Je ziet dat hij wraak wil, gefrustreerd is als hij andere zombies gedood ziet worden. Maar hoe komt het dat hij anders is dan de andere zombies? Nergens in de film wordt dit verklaard – en dat is goed. Zo heeft de kijker toch nog iets om over te reflecteren. Ik zie er zelf een kleine verwijzing in naar de emoties voelende zombie Bub, in Day of the Dead, een prachtige (en zeer zeker miskende) rol van Sherman Howard. Ten slotte wil ik, zonder te spoilen, nog opmerken dat het einde van de film ook typisch Romero is, en wat Romero dan ook anders maakt dan de meeste andere filmmakers van Hollywood.

(Eerste weblog, 2005)

Zombies

night of the living dead

Foto: filmstill uit The night of the Living Dead

Tijdens het hoogtepunt van de eerste horrorgolf, vooral beheerst door de als paddenstoelen uit de grond schietende Hammer-films bevolkt door het monster van Frankenstein, vampiers, mummies en zombies, maakte George A. Romero zijn eerste ‘Living Dead’-film. Waren de Hammer-films al low-budget, Romero had nog veel minder geld nodig om deze zwart-witfilm uit de grond te stampen. De mensenetende zombies in Night of the Living Dead (1968) waren ontstaan door gevaarlijke kosmische straling en leken op normale mensen in trance. De film was bedoeld voor (morbide) amusement en de maatschappijkritiek bestond hooguit uit een vleugje anti-racisme, terwijl de vrouwen nog werden neergezet als hysterische, domme wezens. Soldaten leken aan het einde van de film alle zombies gedood te hebben: eind goed al goed.

Heel anders was de tweede film uit Romero’s cyclus, Dawn of the Dead (1978), die wordt gezien als de beste uit de cyclus. De zombies, nu niet meer zwart-wit maar smurfblauw, zorgen voor zowel nog gruwelijker vermaak – het gaf het startschot voor een ware splatter-rage – als stevige maatschappijkritiek. Vaag wordt verwezen naar een virus dat de zombie-epidemie zou hebben veroorzaakt, maar het citaat van één van de overlevenden (en tevens tagline) is veel belangrijker dan de ware oorzaak: ‘When there’s no more room in hell, the dead will walk the earth’. Er wordt stevig verwezen naar de zonden van de mensen. Mensen zijn volgens Romero als de winkelende zombies in de film: consumentalisme en materialisme vieren hoogtij, mensen denken niet meer na en volgen blindelings hun hebberigheid. Oorspronkelijk eindigde de film dan ook negatief: de winkelende zombies hadden overwonnen, alle mensen waren dood. Waarschijnlijk vanwege het Amerikaanse ‘feel good’-gebod, heeft de film uiteindelijk een open einde gekregen: twee mensen overleven de ramp en gaan op zoek naar andere overlevenden.

In 1985 verscheen de derde zombiefilm van Romero: Day of the Dead. Over de oorzaak van de zombie-epidemie wordt in deze film helemaal niks meer gezegd. Het is dan ook niet van belang, omdat de kern van deze film mijns inziens nog meer dan de vorige film de kritische kijk op mensen is. De film wordt door velen als het dieptepunt van Romero’s cyclus gezien en zelfs als geheel niet kritisch. Waarschijnlijk heeft de lage populariteit te maken met de grimmigheid en soberheid van de film; waarom deze film als niet-geëngageerd gezien wordt is mij een raadsel. De kritiek is hier eigenlijk meer menskritiek dan maatschappijkritiek: de mensen gaan ten onder aan hun eigen grofheid, hun gebrek aan samenwerking en hun onethische gruwelijkheid (in de film wetenschap à la dokter Mengele). De zombie Bub, een van de zombies waar proeven mee worden gedaan, blijkt uiteindelijk geciviliseerder te zijn dan de meeste mensen in de film, maar de andere zombies lijken een symbool te zijn voor de mens als monster. Toch heeft ook deze film een einde open: enkele mensen overleven en vluchten. Moet dit gezien worden als uitkomst van het ‘feel good’-gebod, of als het sprankje hoop dat de mens nog wordt gelaten om zich weer ethischer te ontwikkelen?

Bijna twintig jaar later, in 2004, is de zombiecyclus van Romero cult geworden, en wordt er door Zack Snyder een remake gemaakt van Dawn of the Dead. De film is ontdaan van zijn kritische kant en de zombies en special effects zijn sneller geworden. Een makkelijk te consumeren film dus, waar niet bij nagedacht hoeft te worden en vooral met veel splatter. De media is enthousiast en de kijkers ook. Een enkeling roept dat de film niet in Romero’s kritische lijn ligt, maar daar wordt meestal niet naar geluisterd. Wel loopt de film slecht af: de zombies overwinnen de mens. Maar is dit kritiek of is dit omdat we na afloop kunnen zeggen ‘gelukkig, het was maar een droom’?
Zijn we nu zelf film kijkende zombies geworden? We zullen nu in elk geval Romero’s antwoord hierop zien in zijn comeback Land of the Dead, dat nu in de bioscoop draait. Ik ga er in elk geval heen. Lekker genieten…

(Eerste weblog, 2005)

Insecten in de winter

wintermug

Foto: Trichocera hiemalis (een wintermug); ©entomart, Attribution, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=684694

Met deze warme winterdagen, vindt mijn zoontje van drie het geen probleem nog lekker in onze tuin te spelen. Vooral de stoep harken vindt hij leuk. Harkend tussen de blaadjes vond hij laatst kleine, roodbruine cilindertjes. Ik legde hem uit dat het poppen van insecten waren, en dat hij ze maar weer lekker moest laten slapen tussen de warme bladeren. Maar niet alle insecten overwinteren als pop.

Waar blijven de insecten in de winter?

Insecten met een volledige gedaanteverwisseling (metamorfose) kennen vier stadia: ei, larve, pop en imago. Het imago is het volwassen insect, meestal met vleugels. De duizenden soorten insecten in Nederland overwinteren elk op hun eigen manier. Wat vlinders betreft: sommige soorten overwinteren als eitje (dikkopjes), andere als larve (zandoogje), weer andere als pop (koolwitjes) en nog weer andere als imago (citroenvlinder). Overigens zijn er ook soorten die net als trekvogels wegtrekken naar warmere gebieden.

Binnen de groep van overwinterende imago’s is er verschil in de mate waarin ze actief zijn. De meeste soorten, zoals de dagpauwoog en de citroenvlinder, gaan in diepe winterslaap. Ze staan dan als het ware op stand-by en verbruiken dan nauwelijks energie. Hun lichaam maakt een soort antivries aan dat ervoor zorgt dat ze flinke kou kunnen weerstaan. Door verstoring of een warme dag kunnen dergelijke insecten ontwaken – dit kost dan veel energie, en de volgende koudegolf wordt hen dan vaak fataal.

Andere imago’s blijven deels of helemaal actief. Bekend zijn de lieveheersbeestjes die in het kozijn bij elkaar kruipen en dan soms ontwaken en in de huiskamer rondlopen. Honingbijen blijven in het nest en houden elkaar daar warm door met hun vleugelspieren warmte op te wekken. De koningin bevindt zich in het midden van deze natuurlijke kachel.

Actieve imago’s

Er zijn niet veel soorten die echt actief zijn in de winter. Toch zal iedereen de wolken dansende mugjes op zonnige winterdagen kennen. Het gaat dan waarschijnlijk om een van de soorten wintermuggen. Maar er zijn meer vliegen en muggen die in de winter actief blijven. Het is geen toeval dat er nogal wat winterbloeiers onder de planten zijn met streepvormige bloemblaadjes, denk aan de toverhazelaar. Streepvormige bloemblaadjes duiden namelijk op een bestuiving door vliegen en muggen die deze streepvorm als teken van voedsel zien.

Nog twee soorten met de naam ‘winter’ in de naam zijn de bruine winterjuffer en de kleine wintervlinder. Bruine winterjuffers zitten als imago stil tussen de vegetatie en kunnen al in maart echt gaan vliegen. De kleine wintervlinder vliegt pas uit in de late herfst, tijdens koude avonden. De mannetjes vliegen rond en zoeken de vleugelloze vrouwtjes, die op takken en stammen zitten. Daarna overwinteren de nakomelingen als ei.

De atalanta heeft geen ‘winter’ in zijn naam, en een groot deel trekt weg naar warmer oorden. Toch blijven steeds meer atalanta’s in Nederland. Deze vlinders zitten verborgen en stil, maar gaan niet in winterslaap. Bij strenge vorst gaan de meeste dan ook dood.

Actieve grond bewonende geleedpotigen, zoals pissebedden, kunnen ook dieper de grond in kruipen, waar de vorst hen niet bereikt. Dit is ook te zien aan de molshopen die bij koud weer hoger worden – de mol moet immers dieper graven om de insecten te vinden en verzet dan meer grond.

Ook in uw tuin!

In alle tuinen overwinteren insecten, dus ook in die van u (als u er een heeft natuurlijk). Wilt u de insecten ook in de winter helpen, dan kunt u een insectenhotel aanschaffen. In de lente en zomer leggen insecten, zoals metselbijtjes, hun eieren in dergelijke ‘hotels’. In de winter kunnen lieveheersbeestjes, diverse soorten vlinders, solitaire bijen en solitaire wespen het gebruiken om te overwinteren. Het niet-winterklaar maken van uw tuin is ook een optie: laat die oude bloemstengels gewoon staan, en laat kale takjes en bladstrooisel gewoon liggen, want daarin overwinteren tal van insecten; vaak als ei of pop.

(Noot: Bovenstaande artikel was bedoeld voor een nieuwe lokale krant, maar deze was al direct weer failliet, waardoor dit artikel niet kon worden gepubliceerd. Ik paste de tekst aan voor De webspinner.)

(De webspinner, 2014)

Het nut van de natuur

de lorax in een protest

Foto: Edward Kimmel from Takoma Park, MD – Climate March 0938 Lorax, CC BY-SA 2.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=58449594

De groene organisaties willen dat de intrinsieke waarde van natuur in de wet [wet Natuurbescherming] wordt opgenomen. Dit betekent erkenning van de zelfstandige waarde van natuur, los van de gebruikswaarde van natuur voor de mens. Voor alle wilde dieren, planten en hun leefomgeving moet een basisbescherming en zorgplicht gaan gelden, zodat onder meer natuurvandalisme als het dumpen van afval en wildcrossen in de natuur kan worden aangepakt.

Dit las ik vandaag in een opiniestuk op natuurbericht.nl en meteen kwam mijn ingedutte strijdvaardigheid even terug. Ik ben ‘groen’ opgevoed: respect voor de natuur, het besef van het wonder dat de natuur is, en de plicht om de natuur te beschermen tegen de boze buitenwereld (uh, wijzelf dus). Helaas ben ik gewoon geen geboren actievoerder. Na een tijdje actief te zijn geweest bij Greenpeace bedacht ik me dat ik maar op een passieve manier mijn natuurdoelen moest nastreven: zelf het goede voorbeeld geven, mensen wijzen op het wonderlijke van de natuur, petities ondertekenen…

Antropocentrische naïviteit

Wat mij raakte in het hierboven geciteerde artikel waren de woorden ‘los van de gebruikswaarde van natuur voor de mens’. Want wie denkt de mens wel dat hij is? Het antropocentrische wereldbeeld, onder andere gepromoot door het christendom, is nog steeds heftig aanwezig in de samenleving – misschien wel meer dan ooit, nu de meeste mensen totaal vervreemd zijn geraakt van de natuur. Toch moeten we onder andere uit de evolutietheorie toch de les trekken dat de mens in de natuur staat, niet erboven. Wij zijn niet meer waard dan de natuur waarin en waarmee wij samenleven. Soms hoor ik mensen zeggen dat wij nu eenmaal mens zijn en daarom voor onszelf opkomen ten nadele van de natuur (de wij-doden-de-leeuw-die-ons-aanvaltredenering). Wat die mensen niet begrijpen is dat wij onderdeel zijn van de natuur waarvan we zelf weer afhankelijk zijn. Zeer simplistisch gezegd: als wij alle bomen omkappen hebben we geen lucht meer.

Complex ecosysteem

De ecologie is helaas niet zo simpel, het is een bouwwerk dat in miljoenen jaren is opgebouwd uit ontelbaar veel factoren en evenwichten. Toegegeven, een bouwwerk met rek – één uitgestorven panda maakt nog geen ecologische ramp. Helaas is de werkelijkheid dat duizenden soorten op het punt staan uit te sterven, waardoor het kaartenhuis wel erg instabiel wordt. Het erg veel voorkomen van sommige soorten duidt overigens ook op eenzelfde instabiliteit van het ecosysteem.

Een samenleving en een overheid die het hebben over ‘nut voor de mens’ (denkend, waarschijnlijk, aan de bestuivende bijen en voedselgewassen) zijn helaas wel erg vervreemd geraakt van hun eigen huis. Ten eerste: het dichten van een gat in de muur is niet hetzelfde als het opmerken en repareren van betonrot. Ten tweede: sinds wanneer is de ‘overige’ natuur onze vijand (we vinden het vies) of op zijn best iets neutraals dat wij verdragen? Respect voor je ouders vinden wij normaal, waarom dan niet respect voor de aarde?

Het nut van de natuur

Wellicht ben ik een hippie, maar ik laat toch een traan als ik zie hoe onze samenleving ontzield is geraakt en alleen nog maar tuurt naar elektronische schermpjes, waarin we vluchten in duizenden likes, private messages en selfies, zonder te zien wat er om ons heen gebeurt. Het nut van de natuur? Het laat je goed voelen, het laat je gezond zijn en het is een spiegel voor een op hol geslagen, antropocentrische wereld.

(De webspinner, 2014)

Mist

‘Ze zeggen dat ik een escapist ben, dat ik wegloop voor de realiteit. Is dat echt zo?’ Ik sta weer in mijn tuin, de platte steen waaronder de kabouter woont, houd ik omhoog. Hij strijkt door zijn baard en kijkt me bedenkelijk aan. ‘Tja,’ zegt hij, ‘ze verwijten mij vaak dat ik een realist ben. Maar ik denk dan: wat is nu eigenlijk het verschil tussen jouw en mijn wereld? Waarom doen sommige kabouters – en eh mensen – daar zo moeilijk over.’ Peinzend staan we daar – ik gebogen, de kabouter staand, maar met de schouders naar beneden. De koude mist dringt door onze kleren heen.

‘Ik ga maar weer naar binnen,’ zeg ik, ‘mijn zoontje is vandaag weer prinses, ik ben de gehoornde koning en hij gaat mij verslaan met het zwaard.’ ‘Succes,’ zegt de kabouter terwijl hij weer in zijn holletje verdwijnt, naar zijn houtkacheltje, zijn vrouw en zijn kinderen.

(De webspinner, 2013)

Mijn geheime fantasie

stunts 1

Illustratie: screenshot Stunts 1

Ik doe mij graag voor als geëmancipeerde man, als autohater en milieuactivist, en als pacifist. Zo probeer ik ook te zijn: huisvader die niks-maar-dan-ook-niks weet en begrijpt van voetbal, fietser en wandelaar zonder rijbewijs, tegenstander van agressieve ‘burgerwachten’ en niet in bezit van een vuurwapen (ja, dat laatste is wel wat makkelijk).

Maar diep in mij zit een duivel, een psychopaat. Nee, erger nog: een autocoureur.

Eergisteren heb ik de wereld geschokt. Daar stond hij op Facebook, voor iedereen te zien: mijn eerste auto van Real Racing 3. Door enkele leden van mijn leesclub in de verleiding gebracht. En hoewel ik nooit veel snap van dat gaming geld, niet het verschil zie tussen de reclames, bonussen, races en alle andere honderden schermen – eigenlijk niks snap van de interfaces van mobiele games – ik heb het gedownload, geïnstalleerd en ben als een bezetene maar op al die schermpjes gaan drukken, waar af en toe de olijke avatargezichtjes van mijn vrienden uit oprezen. Net zo lang, tot ik mij in een race bevond. Wat er na die race op het scherm gebeurde, daar snapte ik weer geen hout van, maar – mijn god – ik had weer geracet! Mijn vrouw gilde en krijste bij het zien van al mijn agressieve mannelijkheid en andere psychopathie die naar buiten kwam. ‘Ons kind! Ons kind’ riep ze nog, maar ik duwde haar weg, zodat mijn ellebogen plaats hadden voor dat duivelse, virtuele stuur…

Het begon allemaal in mijn jeugd.

Mijn broers waren al als kind ware programmeurs op de MSX 1 die wij thuis hadden. Ze maakten zelf spellen, maar er zaten ook al spellen op (op cassettebandjes); een van die spellen was Stunts. Je kon je auto samenstellen en dan voorgemaakte of zelfgemaakte stuntparcours berijden. Ook was er het spel Roadfighter, een soort snelwegrace (vooral het eeuwige zoemgeluid kan ik me goed herinneren). Van alle spellen vond ik die racespellen het leukst, vooral wanneer je kon botsen, anderen vernietigen en halsbrekende en totaal onrealistische stunts kon uithalen. Het waren de enige spellen waarin ik beter was dan mijn broers en zus. Het was mijn sterkste kracht.

En toen kwam het beruchte Carmageddon uit. Terwijl op tv en radio de gehele maatschappij tierde en huilde om dit gewelddadige spel dat kinderen omvormden tot kleine Mad Maxen, togen mijn broer en ik op de Nederlandse release-dag naar de winkel. En de dag erna waren we er al aan verslaafd. Vooral ik. Wat een genot: salto’s maken in je auto over een flat heen! Met een sliding landen in vaten olie die de belendende koeien deden ontploffen! Surrealistische vaten innemen, die de auto deed zweven, stuiteren of hem van graniet deed maken! Racen, hard racen, en je tegenstander zo hard rammen, dat hij als een verschrompeld blikje zo hoog de lucht in vloog, dat hij op het dak van de fabriek waar je net doorheen was gekomen neerkwam…

Toen ik mijn vrouw leerde kennen, ben ik met veel moeite en in het geheim afgekickt. Maar het bleef smeulen, diep van binnen. Terwijl ik mensen schokte met het feit dat ik geen rijbewijs heb en wil, keek ik stiekem jaloers naar hun auto’s – fantaserend dat ik er zelf in reed: over de daken, schoorstenen omwerpend als hordes, dakstenen rondvliegend als grit, en met welk een snelheid! Racen, racen, racen!

Zo. Het is eruit.

Mijn diepste geheim.

(De webspinner, 2013)