Stof

Het is gewoon te banaal. Iedereen weet het: in december 2012 vergaat de wereld. Door een meteoriet nog wel. Op 25 november wisten de geleerden het zeker: er zou een meteoriet op aarde storten – niet op 23 december, maar op 5 december. Natuurlijk kreeg de rots uit de ruimte de naam Bolon, naar de Mayagod Bolon Yokte’ K’uh.

 

Massale zelfmoordacties, grote feesten, plunderingen, verkrachtingen. Op 5 december zit Adam Heertje op de wc. Het lichaam gaat door met wat het altijd heeft gedaan. Adam had honger, Adam moest naar de wc. Wat is een mooiere plaats om te sterven dan op de wc? Hij heeft geen plan, hij gaat maar gewoon door – alléén, dat wel, en het huis heeft hij zo goed mogelijk afgesloten.

 

Een zilvervisje kruipt over de tegels voor het toilet. Driehonderd miljoen jaar geleden werd zíjn Adam geboren. Ontelbare voorouders verder draagt hijzelf als laatste de genen in het lijfje. Het vleugelloze beestje trommelt met zijn voelsprietjes voor zich uit. Steeds weer staat het stil en schommelt het met de kop heen en weer, het slangachtige lijfje gracieus meebuigend. Soms gaat het achterlijfje wat omhoog en zijn de drie staartjes beter zichtbaar.

Het heeft wat gevonden: een haast microscopisch kleine toiletpapiersnipper. Het bevat koolhydraten. Het zilvervisje heeft al bijna zeven jaar genoeg aan dergelijke maaltijden. Elders in de ruimte, onzichtbaar onder de tegels, wandelen enkele van haar nakomelingen. Hoeveel eitjes heeft ze gelegd? Tachtig, negentig?

Had zij een doel in haar leven? Hadden haar voorouders een doel? Ze leefden hun leven omdat het zo was. Een logisch gevolg van wat niet anders had kunnen zijn: leven, overleven, overblijven. Alle rest is menselijke fantasie. Bedoeling. Goed en kwaad. Richting. Adam beseft dat nu ook. ‘Had het leven zin?’ Die vraag is veel gesteld in de afgelopen maand, in de hoofden van mensen, maar ook hardop. Het was een verkeerde vraag. Het grootste verschil tussen een mens en een zilvervisje is dat een mens niet kan leven zonder een antwoord op die vraag (‘ja, waarschijnlijk’) en een zilvervisje wel. Leven, leven.

 

Adam zit op de wc. Kop, prothorax, mesothorax, metathorax, abdomen – femur, tibia, tarsus – sprieten, cerci, caudale draad. Zilverflitsend buigend, links rechts. Adam kruipt door een spleet aan de onderkant van de muur, waar het voegcement is verkruimeld en opgezogen. Het is donker hier, maar veilig. Om hem heen heeft hij contact met de kleine ruimte. Andere dieren kruipen hier ook rond: stofluizen, jonge zilvervisjes, een bastaardschorpioen. Adam weet niet dat de bastaardschorpioen een nog niet door de wetenschap ontdekte soort is – en dat ook altijd zal blijven. Het maakt hem niet uit. Hij glijdt en kruipt door de gangen van cement, staaldraad en kruimels. Een koperen buis naast hem zoemt en rochelt warmte. Adam wordt er slaperig van. Hij schommelt, hij dommelt en slaapt.

 

Duisternis. Geluiden. Warmte. Slaap. De veiligheid van de moeder.

 

Als Adam ontwaakt, blijft hij op de wc zitten. Het zilvervisje ziet hij niet meer. Even bekijkt hij zijn handen. Ze lijken vreemd. Hij staat op en mompelt. “Wat nu?”

(‘2012, het einde van de wereld?’ Schrijfwedstrijd schrijverspunt.nl (geen prijs gewonnen, cijfer: 7), 2012)

Geen reacties mogelijk