Voorland (Octavie Wolters) – een recensie

Octavie Wolters

Foto: Voorland vlog #4 (http://www.octaviewolters.nl/vlogs)

Voorland verscheen op 28 oktober 2016 en is het debuut van Octavie Wolters.

Het was het land (…) Dit was alles wat het was. Voor altijd, tot in de lengte van dagen. De tijd trok aan hem, sleurde hem mee. Hij kon de toekomst zien gloren in de ogen van zijn grootmoeder, van zijn ouders, zijn bruid. De ijzeren onveranderlijkheid van de verandering. (…) Alles anders. Alles hetzelfde. Altijd nu.

Deze compilatie van citaten (de eerste zin van het boek, een fragment uit pagina 275, en de laatste woorden van het boek) geven een goed beeld van de thematiek van het boek Voorland van Octavie Wolters. Zoals op Wolters’ eigen website staat en refererend naar de laatste volzin in haar boek: ‘De mens als dienaar van het grote geheel, van generatie op generatie, van alles dat anders is maar in de grondtoon hetzelfde als altijd.’

De thematiek zelf is niet vernieuwend, maar een origineel thema is natuurlijk geen voorwaarde om een goed boek te schrijven. Waar het om gaat: hoe werkt de schrijver het gekozen thema uit?

De grote stilte

Wat het eerste opvalt aan het boek is de enorme ‘verstilling’ in het boek, wat ook in de verschenen recensies steeds wordt benadrukt. De term ‘natuurpoëzie in proza’ waarmee Laurens Tielemans naar het boek verwijst, is treffend en past bij het duidelijk filmische, beschrijvende aspect van het boek. De continu herhaalde landschapsbeschrijvingen doen denken aan de ijzige leegten in de boeken van Bernlef, maar waar dit bij Bernlef symbool staat voor de geestesgesteldheid van de personages, staat het in Voorland voor de genadeloze tijd. Wolters laat de personages weinig zeggen, gestelde vragen en voorstellen blijven onbeantwoord, en de momenten die de lezer voorgeschoteld krijgt, zijn momenten van stilte. Zelfs in de scènes in de klas, waar Wolf Haasting, een van de hoofdpersonages, les geeft, wordt de nadruk gelegd op de stiltes die vallen, bijvoorbeeld tijdens een proefwerk of de stilte voordat de leerlingen naar binnen komen of nadat ze weg zijn. In de stilte is er ruimte voor de meest gedetailleerde visuele beschrijvingen: elk vlekje en vliegje wordt door het personage geobserveerd, alsof het een vlucht is, weg van de menselijke communicatie. Maar ook de woordkeus is van belang. Het woord ‘stilte’ en vergelijkbare woorden komen zeer frequent voor. Stilte kan staan voor kalmte, maar roept dat in dit boek niet echt op: het lijkt hier een instrument van verstikkend fatalisme. Dit laatste is wellicht te wijten aan het feit dat de personages zich fatalistisch of op zijn best berustend gedragen; ze zeggen weinig omdat ze niks te zeggen hebben, zich bewust van de naderende dood en de zinloze eeuwigheid van de generaties. Opvallend is ook dat de zomerse hitte even stekend is als het ijzige winterweer: de natuur is zelden mild, net als de tijd.

De stijl van het boek is doordrenkt met de thematiek. En dat werkt. Het trage tempo, het pijnlijke niets (of ‘alles’): stilistisch is het boek zeker geslaagd.

Mulischiaans academisme?

Waar Wolters zelf op wijst is de lemniscaat, het oneindigheidssymbool, waarmee elk hoofdstuk begint. In de reacties en recensies op het boek is dit nauwelijks terug te vinden. Volgens Wolters is ze bij het schrijven van het boek inhoudelijk beïnvloed door Jan Siebelink en qua structuur door Mulisch. Die laatste is ongetwijfeld de oorzaak van het lemniscaat en de talloze parallellen binnen het verhaal.

Op 5 april 1969 sterft de vader van Wolf Haasting en bevrucht Wolf zijn vrouw. Op de lemniscaat zien we aan het begin van deel 1 links een stip: de generaties geven elkaar het stokje door, en de verhaallijnen van Wolf (generatie 0) en zijn moeder Johanna (generatie -1) worden afgerold, tot ze elkaar weer ontmoeten in een soort interludium met de titel ‘In de kern’. Dat is de plek waar de flashbacks betreffende Johanna ‘opnieuw’ zijn aangekomen bij de dood van haar man (generatie -1), en waar de baby van Wolf, Otto, wordt geboren (generatie 1) – Wolf (generatie 0) wordt hier gedefinieerd als de schakel tussen het verleden en de toekomst. Deel 2 is eigenlijk een herhalingsoefening van deel 1, waarbij de lezer zich één generatie verder bevindt. Maar deel 2 is zeker nodig, want het wrijft de lezer de boodschap van het boek in: elk individu is de eeuwige schakel tussen verleden en heden, niet alleen Wolf, maar bijvoorbeeld ook zijn zoon Otto. Otto lijkt zich net als zijn vader bewust te zijn van dit idee, er lijkt voor hen sprake te zijn van een soort familievloek.

Structuur en parallellen, gekoppeld aan symboliek en thematiek, zoals uitgevoerd in dit boek – dat doet zeker denken aan Mulisch, en het is niet alleen te vinden in de hoofdstructuur en het lemniscaat. De tweede keer dat de lezer aanbelandt bij een 5 april, een datum die zoals we zagen staat voor de generatiewisseling en de wisseling van dood en leven, is het 1996 – een letterlijke wisseling van de 6 en de 9, die ditmaal de yin-yang binnenstebuiten keert tot een soixante-neuf (wat is nog toeval en wat niet, vraag je je bij een dergelijk academistisch boek af). Het hoofdstuk is doordrenkt met herinnering, de genadeloze tijd en het eindeloos wachten op de dood. In een herinnering van Wolf wordt op een symbolische manier dood en leven aan elkaar gekoppeld. Wolf zoekt en vindt de bron van de rivier die door zijn dorp stroomt. Maar de bron lijkt geen gever van leven, maar eerder een zuigende poel des verderfs. De kleine Otto die mee is moet opeens braken: zijn mond weerspiegelt de bron die niet alleen lijkt te zuigen maar ook als een anus alle vuiligheid van het verleden uitbraakt.

Het hoofdstuk ‘6 april 1997’ wordt voorafgegaan door het hoofdstuk waarin Johanna wordt begraven, en wordt gevolgd door het hoofdstuk waarin Otto zijn vrouw bevrucht. In het hoofdstuk zelf belt Wolf aan bij Otto, die de deur opent: ‘De lijn der verwachting die zich hier openbaarde, die op dit punt in de tijd aan de oppervlakte kwam. Kort, als een vis die zijn lippen boven water steekt om zuurstof te happen, en daarna snel weer onderduikt, de duisternis in.’ Het gaat weer om het besef van de menselijke tijdschakels, de ‘familievloek’ van Wolf en Otto. Bij de gedachte aan de geboorte van Otto, alweer zo lang geleden, voelt Wolf net als zijn vader in het eerste hoofdstuk de schuld van het doorgeven van de tijd aan zijn nakomelingen: ‘Door zijn schuld. Door zijn grote schuld,’ denkt hij. En ook Otto, het hoofdstuk erna: ‘Misschien moeten we geen kind krijgen.’

Maar de natuur is sterker, zoals blijkt uit de epiloog, waarin zijn dochter Ude heel symbolisch met een camera van haar voorouders – met nog onontwikkelde oude foto’s erin – het landschap, het voorland, vastlegt. Maar zij voelt ‘de taak van de genade, het brengen van licht na de duisternis’. Wolters heeft aangegeven dat ze in haar volgende roman wellicht de liefde centraal wil stellen. Zal de kille stilte plaatsmaken voor iets warms? Wordt de verbinding, de vloek van ouder op kind, ‘voor eeuwig pijn en liefde tegelijk’ (pagina 276) dan toch nog verbroken, wellicht door Ude? Of door een andere benadering van het thema? Zal Wolters het soms wat erg sterke ‘Mulischiaanse academisme’ meer loslaten? Ik hoop in elk geval op een wat zachter, vriendelijker boek, maar in dezelfde kundige stijl.

Het verhaal

Zelf vind ik de stijl van het boek zoals gezegd goed werken, maar had het verhaal wat mij betreft wat minder ‘krampachtig’ symbolisch en gestructureerd mogen zijn. De structuur, de stijl en de symboliek zorgen er misschien voor dat er te weinig ruimte is voor andere interessante verhaalelementen. Misschien bedoelde Guy Doms van de literaire website Hebban dit als hij zegt ‘Toch mist het verhaal iets. Terwijl Voorland zich rustig een weg zoekt naar het eind. Aan de lezer zelf om vast te stellen wat er ontbreekt. Een schakel?’

In het literaire weblog Tzum verwijt Marloes Otten Wolters te weinig origineel te zijn en te veel in clichés te schrijven en noemt onder andere het volgende als voorbeeld: ‘Een altijd maar nakijkende docent, die aandacht krijgt van een, misschien wel, knappe leerlinge is niet echt verrassend. Wellicht verwordt het langzaam zelfs tot een clichébeeld.’ De leerlinge is echter maar een klein element in het verhaal en het is duidelijk niet zo dat het om een docent-leerlingverhouding gaat (de leerlinge wordt niet eens als mooi omschreven). Wel ben ik het ermee eens dat het verhaal en de thematiek niet bijster origineel zijn – als voorbeeld kan ik het boek Stoner van John Edward Williams noemen waarin ook een fatalistische docent centraal staat en dat dezelfde bedrukkende sfeercombinatie van landschap, onnut en de genadeloze tijd in zich herbergt.

Een plukje uitgerukt gras

Maar zelfs Otten geeft toe dat de stijl werkt: ‘Wolters creëert de optimale sfeer om haar verhaal over te kunnen brengen.’ En daarin zit dan ook de kracht van Voorland. Misschien had Voorland nog beter gewerkt als schilderij: een door de weilanden meanderende Roer met de ‘Bergse’ basiliek op de heuvel op de achtergrond, en een kleine sliert kerkgangers die stevig ingepakt tegen de kou over de paden loopt, en op de voorgrond als vanitassymbool een plukje uitgerukt gras. De streek, het landschap, de natuur en de tijd die alles doodt en tegelijkertijd eeuwig doet voortleven, en de mensen die daarin gevangen blijven – dat is wat dat schilderij zou uitstralen.

Nawoord

Na het schrijven van deze recensie verscheen op Boekenbloggenderwijs nog een positieve recensie die als eerste andere recensie ook wat dieper ingaat op de thematiek en het verhaal en zeker het lezen waard: https://www.boekenbloggenderwijs.nl/wolters-octavie-voorland/.

Meer Octavie Wolters en Voorland: http://www.octaviewolters.nl/dossier-voorland

(Tekstbureau de Letterzetter, 2017)

Geen reacties mogelijk