Xenofobie en de angst voor genderneutraliteit

genderneutraal toilet

Foto: Peter Greenberg – Own work, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=65165662

‘Homoseksualiteit is niet verboden hier hoor – ze moeten alleen niet overdrijven en zo aanwezig zijn’. Dat is de teneur van de nieuwe ‘antihomopropagandawet’ in Rusland. De retorische praktijk: zeg niet te snel nee, niet of tegen, maar wel dat je tegen iets bent waar eigenlijk iedereen tegen is, zoals propaganda. Maak vervolgens een stropop en vereenzelvig die met je tegenstander. Een ander voorbeeld: in 2002 verandert de SP haar slagzin ‘stem tegen’ in ‘stem voor’ – zo omzeilde de partij de kritiek dat ze altijd overal tegen was en geen alternatieven bood. Maar ja, iedereen is ‘voor’ de goede zaak, en ‘tegen’ de slechte, een slimme maar desalniettemin inhoudsloze truc om mensen aan je te binden.

Dat is allemaal politiek. ‘De politiek’ als geheel wordt overigens zelf ook gebruikt als stropop. ‘Wij’ burgers zijn overgeleverd aan die ongrijpbare macht van domme en kwaadaardige mensen in de politiek. Heel handig als er problemen zijn: het ligt dan nooit aan ons, maar steeds aan de politiek.

Iets anders nu (maar toch ook niet helemaal). Ik heb me er dood aan geërgerd: de opkomst van de roze-en-blauwgemuurde kinderwinkels. Vanuit Amerika is de laatste jaren ook hier de trend opgekomen om speelgoed-, kleertjes- en andere kinderzaken op te splitsen in suikerprinsessenglitterroze en stoerbrutaalblauw. Maar zijn het de winkels of hebben we het zelf laten gebeuren?

Ik denk dat het gaat om een proces. Een proces dat zich volgens mij bij alle maatschappelijke ontwikkelingen naar uitsluiting of discriminering voltrekt. Het begint altijd met angst, angst voor verandering, angst voor het onbekende, xenofobie. In dit geval de angst voor het verlies van seksuele identiteit en de verandering op het gebied van gender. Er wordt onbewust uitgegaan van een extreme situatie: mag mijn zoontje straks alleen nog met roze poppen spelen? Denken anderen straks dat ik homo ben (en word ik dan sociaal uitgesloten)? Et cetera. Als deze gedachten in de maatschappij weerklank vinden, kan er een zogenaamd meem ontstaan – een idee dat zich als het ware evolueert via de dragers van een maatschappij of cultuur. Dit bewuste meem is ook daadwerkelijk gevormd: een gevestigde angst voor ‘feminisering’ of ‘extreme genderneutraliteit’. Het idee: de ‘feministen’, met hun slaven ‘de metroseksuelen’, zorgen ervoor dat jongens op school niet meer stoeien en een soort van gay worden. Kinderen met lesbische moeders missen een vadervoorbeeld. ‘De homo’s’ dringen ons hun verwerpelijke levensstijl op door in het openbaar te zoenen en sodomistische parades te houden. Los van of dit allemaal zo erg zou zijn, is het ook gewoonweg niet de realiteit. Maar de meem van deze maatschappelijk gedragen irreële angst wordt juist gevoed middels een stropop, een stropop waar we graag in geloven.

Een trend uit het homofobe Amerika met een sterk gepolariseerd genderbeeld, nemen wij als maatschappij graag over. Het geeft in deze op gendergebied angstige tijd een houvast aan oude bekende waarden. We kopen voor onze dochter dus toch maar die roze glitterpop en voor onze zoon een blauwe tractor, omdat ‘zij die gewoon het leukst vinden’ (en dus niet omdat we bang zijn voor wat de buren ervan vinden). De nog genderneutrale winkels zien dat deze aanpak van genderpolarisatie  aanslaat en gooien de genderneutrale zaken uit het assortiment en maken een blauwe en een roze afdeling. Onze kinderen zien de winkels en weten dondersgoed wat ze leuk horen te vinden. Het kind lijkt het geijkte speelgoed leuk te vinden, maar wordt simpelweg geforceerd door de omgeving. En zo is de trend geboren en de vicieuze spiraal naar genderpolariteit in werking gezet.

(De webspinner, 2013)

Geen reacties mogelijk